donderdag 28 oktober 2010

Privacy

Recentelijk zond de VPRO een documentaire uit over privacy. Ik weet niet of het doelbewuste manipulatie is, of gewoon kortzichtigheid, maar de focus lag weer op het verkeerde probleem.

Het begrip privacy wordt steeds aangeduid als een ethische kwestie (en een enkel geval van persoonsverwisseling, maar dat wordt gezien als een systeemfout, of een ongelukje).

Die ethische kwestie speelt natuurlijk ook wel, maar dat is niet het belangrijkste probleem. Het werkelijke probleem is van praktische aard. En daarom is het woord ‘privacy’ ook verkeerd als het over deze problematiek gaat.

De ethische benadering levert twee stromingen op: ‘ik heb niks te verbergen’ of ‘privé is privé en daar heeft niemand iets mee te maken’. Beide een ethisch standpunt, en daar stopt het. Een kwestie van smaak dus. En eigenlijk zit de eerste van die stromingen er het dichtste bij. ‘Ik heb niks te verbergen’ zegt: ‘ik kan me vinden in de huidige regelgeving, en ik heb niet de behoefte die regels te overtreden’.

Maar het is geen ethisch probleem. Het is een praktisch probleem. Een beter woord zou zijn: Controle. Dat dekt de lading beter. Controle als in ‘in het oog houden’ en controle als in ‘onder controle houden’.

Er wordt wereldwijd met man en macht gewerkt aan een controlesysteem dat het mogelijk maakt om iedereen 24 uur per dag onder toezicht te houden. En als het klaar is, geeft dat overheden de mogelijkheid om regels in te voeren die zonder dat controlesysteem niet opgevolgd zouden worden, simpelweg omdat men weet dat ze voor de meeste mensen onacceptabel zullen zijn.

Omdat men weet dat mensen die regels vanuit zichzelf niet zullen opvolgen, zal er dus dwang en controle voor nodig zal zijn. En dan hebben de mensen die zich niet meer in die regelgeving kunnen vinden (en dan dus de behoefte krijgen om die regels wel te overtreden) ineens wel iets te verbergen. Maar dan is het te laat, want dat lukt dan niet meer.

Als een groep herten in een bos leeft dat ze overal in voorziet, is er geen enkele aanleiding voor die herten om dat bos te verlaten. Wanneer je het plan oppakt om die herten te gaan schieten, kun je verwachten dat ze na het eerste schot het bos uit zullen vluchten. Daarom zet je er eerst een hek omheen, voordat je gaat schieten.

De overgrote meerderheid houdt zich nu over het algemeen keurig aan de bestaande regels, en heeft dus niks te verbergen. Dus is NU het moment om een virtueel controlehek te plaatsen. Als dat er eenmaal staat hoef je geen rekening meer te houden met de bereidheden van het volk, en kun je doen wat je wilt. Je hebt dan controle, in elke zin van het woord.

En dan is het ineens geen ethisch probleem meer, maar een praktisch probleem.

Al die enorme inspanningen om een wereldwijde controle-infrastructuur te implementeren, zouden zinloos zijn als toch bijna iedereen zich aan de regels wil houden (zoals nu het geval is). Het feit dat dit desondanks gebeurt, en dat het nu gebeurt (nu bijna iedereen nog tevreden is met de regelgeving) zou de alarmbellen in werking moeten zetten. Het geeft ons namelijk de mogelijkheid om in de toekomst te kijken.

Door het te benoemen als ‘privacy’ en er een ethisch probleem van te maken, voorkom je dat mensen de werkelijke bedoelingen gaan doorzien, en zo kun je in betrekkelijke rust het hek voltooien.

vrijdag 15 oktober 2010

Doelloos



Vaak krijg ik de vraag: “Wat wil je nou eigenlijk bereiken?”

De mensheid is al sinds mensenheugenis gedreven door doelen. Doelen die moeten worden nagestreefd. Doelen die het eigen leven of de wereld ‘beter’ moeten maken. Het hebben en nastreven van die doelen wordt zelfs gezien als een grote deugd.

Zonder doelen komt er niets van de wereld terecht, is de algemeen gangbare opvatting.

Doelen liggen altijd in de toekomst. Ze zijn niets meer dan een idee van hoe die toekomst eruit zou moeten zien. En die doelen zijn altijd gebaseerd op de gedachte dat de toekomst beter moet (en zal) zijn dan het heden. Beter dan het NU. Een volbracht doel zal een verbetering betekenen. Dat is de gedachte achter het nastreven van het doel.

Al duizenden jaren zijn we gedreven door doelen. Door de hang naar beter. Door pogingen de toekomst beheersbaar te maken. Wanneer deze manier van leven echt zou werken, dan zou nu onderhand de perfectie bereikt moeten zijn. Iedereen met werkende zintuigen kan vaststellen dat dit niet bepaald het geval is.

Doelen zijn verstandelijke constructies. Doelen worden geconstrueerd door gebruik te maken van ons vermogen tot redeneren. Ons redeneervermogen is een instrument van onze intelligentie. En onze beschikking over intelligentie is wat ons onderscheidt van andere levensvormen op deze aarde.

Intelligentie is, kort gezegd, het vermogen om problemen op lossen. Een intelligentietest bestaat uit een aantal voorgelegde problemen, en wie die problemen in de kortste tijd en met de minste fouten oplost, is het intelligentst.

Intelligentie is het vermogen problemen op te lossen, en is een typisch menselijke verworvenheid. In die zin zou de mens dus de soort moeten zijn met de minste problemen.

Ook hier geldt: iedereen met werkende zintuigen kan vaststellen dat dit niet bepaald het geval is.

De behoefte om doelen te formuleren komt voort uit ontevredenheid over het heden; in de toekomst moet het beter dan nu. We zijn zelfs in veel gevallen bereid om het heden op te offeren aan het doel: het doel heiligt de middelen. Het is de bereidheid om van het heden een hel te maken, in ruil voor een hemel in de toekomst.

Alleen komt die toekomst nooit. Tenminste: niet in de vorm van het gestelde doel. Want als die toekomst gearriveerd is, dan zijn er weer nieuwe doelen waaraan het nu van die toekomst geofferd moet worden. Zo gaat het al duizenden jaren. En zo blijft het altijd een hel.

Omdat redeneren altijd gebeurt vanuit ons eigen persoonlijke perspectief, construeert iedereen andere doelen. Soms overlappen die doelen elkaar, maar vaak ook niet, en zo ontstaat het idee van een verschil in belang. Een belang dat vervolgens moet opboksen tegen het belang van een ander. Anders wordt het persoonlijke doel nooit bereikt.

Hoe harder we moeten vechten om ons doel te bereiken, hoe meer we bereid zijn het heden op te offeren aan dat heilige doel. En hoe meer ontevreden we logischerwijs zullen zijn over dat heden. En dus hoe meer waarde we gaan hechten aan het doel (verbetering). En hoe harder we moeten vechten etc. De wereld is één groot slagveld geworden van elkaar bevechtende doelen.

Onze focus op onze doelen neemt ons zodanig in beslag, dat we onze beschikbare aandacht voor een groot gedeelte aan de toekomst besteden. Aandacht die daarmee niet beschikbaar is voor het NU.

Boeddha zei: het menselijk lijden wordt veroorzaakt door begeerte. Begeerte zou je kunnen uitleggen als: dingen willen. En dingen willen is alleen nodig als we ontevreden zijn met de dingen die we hebben. Lijden is daarmee de kloof tussen wat we willen en wat IS. Wanneer we tevreden zouden kunnen zijn met wat IS, dan zou het stellen van doelen overbodig zijn. En dan zou lijden dus niet bestaan.

Door onze aandacht te focussen op onze toekomstdoelen, hebben we geen aandacht over voor wat NU IS, en daarom kunnen we er niet tevreden over zijn. En die ontevredenheid rechtvaardigt dan weer het stellen van nieuwe doelen. Het nastreven van doelen levert een onacceptabel NU op, en een onacceptabel NU genereert nieuwe doelstellingen. Zo houdt het mechanisme zichzelf in stand.

Wanneer we wat IS (zowel kwalitatief als kwantitatief) minder zouden opofferen aan de toekomst, dan zou wat NU IS logischerwijs veel aangenamer zijn. En daarmee zou de noodzaak om dingen ‘beter’ te maken in dezelfde mate afnemen.

We hebben onze aandacht gevestigd op morgen, in de veronderstelling dat morgen daarmee beter zal zijn dan vandaag. Maar morgen doen we hetzelfde. Dan hebben we onze aandacht gevestigd op overmorgen. En zo kunnen we, zelfs als ons doel bereikt wordt, nooit van het resultaat van die aandacht genieten. Zo blijven we altijd lijden aan ontevredenheid en blijven we altijd nieuwe doelen construeren.

Doelen die inmiddels als belangrijkste doel hebben de problemen op te lossen die door het nastreven van al die verschillende doelen veroorzaakt zijn.

De wereld is inmiddels zo’n complexe heksenketel geworden van zich onderling bevechtende doelen, dat geen enkel doel meer echt haalbaar lijkt. Ieder doel loopt vast in de complexiteit van tegenstrijdige doelen.

Het mechanisme van de doelgedreven samenleving is daarmee eigenlijk failliet. Je zou het een ‘doelencrisis’ kunnen noemen. En zoals iedere crisis biedt deze crisis naast bedreigingen ook kansen. Het is aan ons om die kansen op te pakken of te laten liggen.

Het is inmiddels zover dat veel mensen de moed opgeven, en de handdoek in de ring gooien. En binnen de bestaande norm die het nastreven van doelen voorschrijft, rest er dan niets anders dan apathie. Binnen die norm.

Maar wie zegt dat die norm, de enig mogelijke norm is? Misschien biedt de crisis waarin de wereld zich bevindt wel een uitgelezen kans om dingen anders te gaan doen.

Wanneer doelen wegvallen (bijvoorbeeld omdat we de zinloosheid ervan inzien), worden we gedwongen om het te doen met wat NU IS. Er blijft niets anders over. Alle aandacht die werd opgeslokt door het nastreven van onze doelen, is nu beschikbaar voor het heden. Als we (al dan niet noodgedwongen) onze aandacht voor de toekomst opgeven, dan blijft er simpelweg niets anders over dan het NU.

Het zal even wennen zijn, maar we kunnen ons doen en laten dan helemaal laten afhangen van wat we OK vinden in het NU, zonder verantwoording af te hoeven leggen aan wat we goed vinden voor de toekomst. We kunnen ons handelen dan laten afhangen van wat we met dit moment willen. Van wat nu OK is om te doen.

Er is dan geen enkele reden meer om wat dan ook te offeren aan de toekomst. Er is dan ook geen enkele aanleiding meer om slechte dingen te doen in naam van een betere toekomst.

We kunnen dan met alle aandacht zijn bij hetgeen nu echt bestaat. We kunnen ons helemaal richten op het NU en dat volledig en bewust ervaren. Zonder een deel van onze aandacht te verliezen aan de illusie van een betere toekomst (die toch nooit komt). Ook hoeven we onze daden (wat we nu doen) niet meer te laten bepalen door een toekomstig doel.

En als er geen doelen meer zijn, dan zullen er ook geen verschillende doelen meer bestaan. En dan zal er ook geen reden meer bestaan om elkaar te bevechten. En ook dat zal het NU een stuk aangenamer maken.

We zouden alle aandacht en energie die er dan overblijft kunnen besteden aan het doen wat op dit moment goed of gewoon prettig is. Zonder doelen is er namelijk geen andere mogelijkheid dan aan onze wil om dingen goed te doen (wat uiteindelijk ook de drijfveer is achter het hebben van een doel) nu gehoor te geven.

En omdat de toekomst een gevolg is van wat we nu doen, zal een prettig NU, resulteren in een prettige toekomst. En dat is precies omgekeerd aan wat we al eeuwen doen, en wat ook al eeuwen resulteert in nooit bereikte verbeteringen.

Het zal onduidelijk zijn hoe de toekomst er precies uit zal zien. We zullen niet weten wat de vorm ervan zal zijn. Maar die toekomst zal in ieder geval niet meer gecorrumpeerd zijn door het nastreven van doelen. En dan zal die toekomst er dus vanzelf goed uitzien. Zonder dat na te hoeven streven.

En als morgen goed zal zijn, zullen we (zodra morgen NU geworden is) er tevreden over kunnen zijn en hoeven we ons niet meer druk te maken over overmorgen. En dan zou er, ook in de toekomst, geen enkele reden zijn om ons opnieuw door doelen te laten (mis)leiden.

We kunnen ons dan zorgeloos laten leiden door goede intenties in plaats van goede doelen.

Hoe die toekomst er uit zal zien zullen we niet weten. Het zal steeds een verrassing zijn. Maar een prettige verrassing. Dat zal de wereld niet alleen een meer aangename plek maken, maar ook een meer verrassende plek.

Niet als doel, maar als resultaat.




vrijdag 24 september 2010

De wetten


Elke wet, in iedere tijd en in iedere cultuur, is gebaseerd op twee universele wetten:

Gij zult niet doden

En

Gij zult niet stelen

Deze wetten zijn universeel menselijke wetten, en dat zijn ze omdat ze uitgaan van het enige werkelijke dat iedereen kan bezitten: zijn leven. Ze gaan ervan uit dat iedereen de beschikking moet hebben over zijn eigen leven.

Daarnaast is er een andere belangrijke factor die deze wetten universeel maakt, en dat is de factor tijd.

Wij leven niet alleen, maar wij leven ook nog eens gedurende een beperkte tijd. En beide wetten hebben te maken met die tijd.

Dood gaan we allemaal. Het is dan ook niet zozeer het doden op zich dat verwerpelijk is. Het gaat om het afnemen van tijd van leven. Iemand doden is niets meer dan het afnemen van zijn resterende levenstijd. In die zin is het de ultieme diefstal.

Maar ook partiële diefstal (stelen) is niets meer dan het afnemen van levenstijd. Wanneer je honderd euro per dag verdient, en iemand anders steelt honderd euro van jou, dan steelt die persoon dus een dag van je leven. Een dag waarvan je zelf geen eigenaar meer bent, maar die nu onrechtmatig eigendom is geworden van de dief. De dief heeft je veroordeeld tot een dag dwangarbeid.

Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor een boete. In essentie bestaat een boete als straf niet. Nogmaals het voorbeeld: als je honderd euro per dag verdient, en je krijgt een boete van honderd euro, dan ben je veroordeeld tot een dag dwangarbeid. Je leven is voor een dag eigendom van degene die je de boete opgelegd heeft.

De universele wetten gaan er dus van uit dat je tijd van leven je onvervreemdbaar eigendom is, en dat niemand anders dan jijzelf daarover mag beschikken.

In die zin zijn deze wetten eigenlijk de enige wetten die er nodig zijn. We zouden kunnen volstaan met een wetboek van minder dan een half A4tje. Wanneer iedereen zich aan deze wetten zou houden, dan zou er geen enkel onrecht in de wereld bestaan. Het zou simpelweg niet kunnen bestaan. Niemand zou de tijd van leven van een ander kunnen bekorten. Iedereen zou eigenaar zijn van zijn eigen tijd van leven. Niemand zou van de tijd van leven van een ander kunnen profiteren.

En dat laatste, de mogelijkheid om van de tijd van leven van een ander te kunnen profiteren, is de werkelijke reden van de dikte van alle bestaande wetboeken. Alle andere wetten dan de twee universele wetten, hebben tot doel om uitzonderingen te maken op die universele wetten. Ze hebben tot doel om dat profiteren van andermans leven juist wel mogelijk te maken. En om die mogelijkheid te gunnen aan de groep mensen waartoe degenen behoren die de wetboeken gemaakt hebben. Ten koste van alle andere mensen.

Profiteren (winst maken) van andermans leven kan alleen als die ander zijn eigendomsrecht over zijn eigen leven gedeeltelijk moet afstaan. Wanneer wetten dit gedeeltelijk toestaan, als er dus uitzonderingen gemaakt worden op de universele wetten, dan bestaan de universele wetten feitelijk niet meer. Ze zijn dan overruled. Om dan te voorkomen dat alles is toegestaan, moet vervolgens ieder detail worden vastgelegd in wetboeken. En daarom zijn de bestaande wetboeken zo dik.

Zodra er één enkele uitzondering gemaakt wordt, zoals bijvoorbeeld: de koning mag zich wel levenstijd van anderen toe-eigenen, dan moet vervolgens precies beschreven worden van wie, en hoeveel, en wie of wat is de koning, en wie niet, en wie heeft de autoriteit om voor de koning de heffingen op te halen, en welk geweld mag daar eventueel bij gebruikt worden, en in hoeverre is verzet toegestaan, enzovoort. Al dat soort zaken moet dan worden vastgelegd in wetboeken. Lees er maar eens een, en zie hoe dit alles tot in detail is vastgelegd.

Als we ervan uitgaan dat de universele wetten geldigheid hebben, dat we het recht hebben om eigenaar te zijn van ons eigen leven, dan zijn alle wetboeken dus strijdig met de geldige universele wetten, en daarmee ongeldig. Als wij, omgekeerd, de bestaande wetboeken wel als autoriteit accepteren, dan accepteren we dus ook de ongeldigheid van de universele wetten. En daarmee stemmen we in met de situatie waarbij we geen eigenaar meer zijn van onze eigen tijd van leven, maar dat die tijd van leven eigendom is van degene die de wetboeken geschreven heeft, en zich de macht heeft toegekend om de daarin beschreven regels te handhaven.

Ook als we volgens de wetboeken maar een klein gedeelte van onze tijd van leven zouden moeten afstaan, en we zouden tevreden zijn over die situatie, dan nog zijn we in geen enkel opzicht meer eigenaar van ons eigen leven. Wij kunnen zelf immers niet bepalen wat er in de wetboeken staat, en daarmee zijn we geheel overgeleverd aan de willekeur van de wetgever. Net zoals een hond (als huisdier) best een prima leven kan hebben, maar altijd eigendom blijft van zijn baas, en altijd is overgeleverd aan hetgeen die baas hem toewerpt, en of hij hem iets toewerpt.

De bestaande wetboeken beschrijven daarmee geen enkel recht, maar uitsluitend privileges: de botten die we toegeworpen krijgen. En die privileges worden bepaald door de wetgever, dus daarover hebben we niets te zeggen. Afstand doen van de universele wetten houdt daarmee in: afstand doen van ieder recht.

De mate waarin een wetgever kan afwijken van de universele wetten (en dus de dikte van de wetboeken) is afhankelijk van de mate van acceptatie bij degenen die bestolen worden. En van de hoeveelheid geweld die de wetgever kan inzetten om de naleving van zijn wetten af te dwingen. Hoe zichtbaarder het geweld, hoe kleiner de onbewuste acceptatiebereidheid, en hoe groter de angstbereidheid. Angst voor geweld (bestolen of gedood worden), en dus voor het nog verder afwijken van de universele wetten. Angst om nog meer eigendomsrecht over het eigen leven te verliezen. Eigendomsrecht dat we dus al niet meer hebben.

Dat maakt mensen dus bereid om het eigendomsrecht over hun eigen leven af te staan, in ruil voor de illusie dat recht juist te behouden. Zonder dit zonderlinge mechanisme zou iedere vorm van wetgeving (uitgezonderd de universele wetten) onmogelijk zijn. Je kunt namelijk niet iets beschermen dat al gestolen is: het eigenaarschap van je eigen leven. Je kunt hooguit vertrouwen op de goedhartigheid van de dief, in de hoop dat hij je een paar privileges zal toewerpen.

De wetboeken die onze rechten afnemen, hebben uitsluitend bestaansrecht omdat we ons aan de daarin beschreven wetten houden. Ze bestaan omdat we ze accepteren, en dat zorgt ervoor dat we geen rechten hebben. Door ons eraan te houden, ruilen we ons leven tegen privileges. Privileges die we nastreven en waarvan we ten onrechte geloven dat het rechten zijn. Door ons eraan te houden, door waarde te hechten aan privileges, geven we ons echte recht weg. En het resultaat is dan ook een wereld vol onrecht. Onrecht dat zonder wetboeken, maar met de universele wetten simpelweg niet zou kunnen bestaan.

Gij zult niet stelen, en gij zult niet doden betekent ook: gij zult niet bestolen worden en gij zult niet gedood worden. Het is het enige recht dat iedereen door geboorte heeft: het recht op het eigen leven. En dat is geen privilege maar een recht. Deze wet maakt zowel het verlenen als het nastreven van privileges overbodig. Het is de wet die alle andere wetten overbodig maakt.





dinsdag 21 september 2010

De baas der dingen



Een mens kan zijn aandacht richten op vele dingen. En van al die dingen waaruit hij kan kiezen om zijn aandacht op te richten, kiest hij in de meeste gevallen voor het onderwerp met de hoogste prioriteit. Voor iedereen die de moeite neemt om mensen te observeren, kan het niet anders dan duidelijk zijn dan dat dit onderwerp, het onderwerp ‘geld’ is. Geld is de baas der dingen.

Geld speelt een centrale rol in het leven van de moderne mens. Misschien draait het leven van die mens niet helemaal om geld, maar dan toch wel bijna helemaal. Het bepaalt waar je opgroeit, waar je naar school gaat, met wie je omgaat, waar je komt te wonen, wat voor werk je doet, enzovoort.

Natuurlijk zijn er mensen die ontkennen dat geld een leidende rol speelt in hun leven, maar mensen die dat zeggen dat zijn dan weer altijd mensen met geld. En dus is het ook hier weer de factor geld die de doorslag geeft. Zonder geld kun je namelijk helemaal niet zeggen dat geld onbelangrijk voor je is.

Laten we het maar toegeven: geld staat met stip op één als het gaat om onze aandacht. En dat is niet gek.

Geld geeft ons namelijk toegang tot alle vaardigheden en inspanningen van andere mensen. En zonder die vaardigheden en inspanningen kan geen mens leven. Dat veelkleurig palet van vaardigheden en inspanningen van anderen hebben we simpelweg nodig om te kunnen bestaan. En geld is in onze tijd de enige bestaande levenslijn naar die allereerste levensbehoefte. Het is het portaal naar de mogelijkheid tot overleven.

Zoals ik al zei: geen mens kan zonder de vaardigheden van anderen. En hoewel we in onze overwaardering voor ons eigen individu geneigd zijn anders te geloven, is geen enkel mens autonoom. Sterker nog: mensen zijn helemaal geen autonome wezens. Geen enkel mens kan voor zichzelf zorgen.

Natuurlijk denken wij in onze consumptiegerichte tijd en cultuur veel meer dingen nodig te hebben dan we echt nodig hebben, maar zelfs als het om de meest basale dingen gaat, dan nog kunnen we niet overleven op onze eigen vaardigheden alleen.

Die meest basale behoeften zijn:

De behoefte aan voedsel: eten en drinken.
De behoefte aan bescherming tegen te elementen: onderdak en kleding.
De behoefte aan energie: verwarming en bereiden van eten.

Geen enkel mens kan zelfstandig, zonder gebruik te maken van vaardigheden van anderen in deze drie behoeften voorzien. Sommige mensen beschikken over een paar van de benodigde vaardigheden. Zo kan het zijn dat iemand zijn eigen groenten verbouwt. Maar kan hij dan ook zijn eigen ijzererts opgraven om zijn gereedschappen van te maken? Zijn eigen huis bouwen? Zijn eigen bakstenen bakken? Zijn eigen brandstoffen delven om die bakstenen te bakken, zijn gereedschappen te smeden en zichzelf te verwarmen? Zijn eigen katoen verbouwen, daar garen van spinnen, en dat garen vervolgens weven tot doek en daar dan weer kleding van maken? Etc.

Dat kan dus niet. Ga maar eens na wat je iedere dag gebruikt, en hoeveel je daarvan zelf zou kunnen maken. En daarom moet iedereen gebruik maken van de arbeid van anderen om te kunnen overleven.

Dat is de reden waarom we moeten werken. Van hetgeen je wel kan, heb je altijd meer dan je nodig hebt. Van hetgeen je niet kan altijd minder. Werken is niets meer dan het ruilen van hetgeen je wel kan, tegen hetgeen je niet kan. En daarvoor is een ruilsysteem noodzakelijk.

Het is dus niet zozeer geld dat we nodig hebben, maar het is de arbeid (vaardigheid + inspanning) van anderen die we nodig hebben. Geld werkt als portaal om daartoe toegang te verkrijgen.

Wanneer een bepaald ruilsysteem op een moment het enige bestaande systeem is, moet elke uitwisseling van arbeid dus via dat systeem lopen. Het is de enige toegang, de enige poort naar onze levensbehoeften geworden. En in deze situatie bevinden we ons nu.

Op zich is daar niets mis mee. Zolang die poort maar voor iedereen toegankelijk is. Zolang die poort het ruilen maar mogelijk maakt; zolang die poort dat ruilen faciliteert.

Geld is de enige weg naar overleven, en is daarmee de baas der dingen. Maar de baas der dingen heeft zelf ook een baas. De poort naar overleven heeft een poortwachter. Iedereen die iets ruilt, moet via hem. Hij heeft de macht over de enige poort, en kan de toegang beperken. De poortwachter heeft daarmee een monopolie over de ruilbaarheid van alle inspanningen van alle mensen.

En die poortwachter faciliteert dat ruilen niet zomaar. Die poortwachter vraagt daarvoor een gedeelte van de te ruilen waar. Iedere keer als er een inspanning geruild moet worden tegen een andere inspanning, eist de poortwachter een deel op. Zonder zelf een inspanning te leveren. Dat houdt dus in dat mensen altijd minder arbeid van anderen kunnen terugkrijgen in ruil voor de arbeid die ze zelf geleverd hebben. Dat ze een gedeelte van hun tijd moeten werken voor de poortwachter, en daar niets voor in ruil krijgen. En werken zonder er iets voor te krijgen heeft een naam: slavernij. Alle mensen die gebruik moeten maken van de poort die geld heet, zijn daarmee deeltijdslaven.

En omdat de poortwachter het alleenrecht heeft op het verschaffen van toegang tot de poort, kan hij vragen wat hij wil. En hoe meer hij vraagt, hoe minder arbeid mensen in ruil krijgen voor hun eigen arbeid. En hoe lastiger het dus wordt om in de levensbehoeften te voorzien. Hoe meer de poortwachter opeist, hoe harder mensen zullen moeten werken om te kunnen overleven. En hoe meer waarde ze zullen hechten aan toegang tot de poort naar overleven: geld. En dat komt de poortwachter erg goed uit. Zijn macht groeit.

De poortwachter beheerst de toegang tot arbeid van anderen. Die toegang is geld, en de poortwachter is degene die dat geld beheerst. De poortwachter is het bancaire kartel. De club van centrale banken die het alleenrecht heeft op het creëren van geld.

Banken voegen niets van waarde (= arbeid) toe, maar bieden uitsluitend een systeem aan om het ruilen van waarde (= arbeid) mogelijk te maken. Maar omdat ze wel waarde (= arbeid) opeisen, faciliteren ze niet alleen, maar parasiteren ze ook. En daarmee maken ze het ruilen van waarde (= arbeid) juist lastiger, in plaats van makkelijker. Iedereen moet nu immers veel meer werk leveren dan dat hij voor dat werk terugkrijgt. Iedereen is op rantsoen gezet, behalve de poortwachter.

De poortwachter heeft daarmee beschikking gekregen over een enorme voorraad arbeid. Geld is immers niets meer dan een tegoedbon voor toekomstige arbeid. En omdat iedereen toegang wil tot die arbeid, kan de poortwachter anderen ermee belonen en daarmee laten doen wat hij wil. Naar zijn eigen goeddunken. Hij kan er handlangers mee kopen. Handlangers die de mensen moeten dwingen om hun aandacht te houden bij de poort en die de tol incasseren. Hij noemt die handlangers: regeringen.

Geld is een middel. Een ruilmiddel. Maar vanwege de door de bankiers gecreëerde schaarste, is de aandacht van mensen volledig gericht op dat middel. En niet meer op het doel. Het doel is niets meer dan het verkrijgen van toegang tot de vaardigheden en inspanningen van andere mensen. Ook al zou er geen geld meer zijn, ook al zou de poort gesloten worden, dan zouden alle bestaande vaardigheiden die mensen hebben, nog gewoon bestaan. En om die vaardigheden gaat het uiteindelijk echt. De gecreëerde schaarste is dus geen echte schaarste. De gecreëerde schaarste lijkt alleen maar schaarste omdat de aandacht van alle mensen gericht is op het middel, in plaats van op het doel.

Zodra mensen dit in de gaten krijgen, zodra ze inzien dat er een overvloed is van hetgeen waaraan ze werkelijk behoefte hebben, zullen ze logischerwijze een ander middel kiezen. Zou je denken.

De enige poort die momenteel bestaat is een systeem dat eeuwenoud is. Een systeem dat parasiteert op de arbeid van mensen. Dat schaarste veroorzaakt. Een systeem dat lang geleden verzonnen is, en de op dat moment bestaande technologie weerspiegelde. Maar de huidige technologie biedt inmiddels veel meer mogelijkheden. En toch is het geldsysteem nog steeds het enige bestaande ruilsysteem. Ondanks alle nadelen.

Om eerlijk ruilen mogelijk te maken, is er niet meer dan een goed administratiesysteem nodig. Een systeem dat administreert wat iemand geleverd heeft, en wat hij dus tegoed heeft. Een administratiesysteem dat voor iedereen toegankelijk is, en dat zonder poortwachters kan werken. Een collectief systeem dat eigendom is van niemand, en daarmee van iedereen. Een systeem dat door een beetje webdeveloper in en paar dagen functionerend gemaakt kan worden.

Het enige dat ervoor nodig is, is het ombuigen van onze aandacht. Het ombuigen van aandacht voor het middel (geld), naar aandacht voor het doel: toegang tot arbeid van anderen in ruil voor arbeid van jezelf. Het besef dat we helemaal niet steeds door die poort hoeven. Dat we ons niets hoeven laten afpersen. Dat we geen poortwachter nodig hebben. Dat alles wat we werkelijk nodig hebben, gewoon voorhanden is.

En dan zijn we weer zelf de baas der dingen. En dan zal de oude baas, de poortwachter (samen met zijn handlangers), zijn parasitaire bestaan moeten opgeven en ook arbeid moeten gaan leveren om te kunnen leven.

Omdat onze aandacht dan gevestigd zal zijn op de kwaliteiten van iedereen (waar het natuurlijk uiteindelijk om gaat) zullen we ons ervan bewust worden dat we geen autonome wezens zijn. Dat we elkaar nodig hebben. Dat we één werkend organisme zijn. We zullen elkaar leren waarderen, in plaats van elkaar te beconcurreren. Concurreren wordt overbodig omdat er geen schaarste bestaat. Vaardigheden en inspanningen zijn er immers net zoveel als er mensen bestaan. En dat zal zijn weerslag hebben op alles wat mensen drijft.




















maandag 12 juli 2010

Ego: het strategische zelf


Je hebt mensen die, ondanks hun successen of tegenslagen, altijd zichzelf blijven. Je hebt ook mensen die zichzelf niet zijn. Je hebt mensen die zichzelf voor de gek houden. Je hebt mensen die zichzelf kwijtgeraakt zijn, en mensen die zichzelf gevonden hebben. Of hervonden hebben. Maar wie vindt dan wat?

Als je jezelf niet bent, wat ben je dan? Als je zelf de keuze maakt om anders te zijn dan je bent, dan maak je toch zelf die keuze. Dan is de manier waarop je jezelf presenteert toch een gevolg van de keuze die je zelf maakt, en dus ben je dan toch weer jezelf. Of niet?

Toch hebben mensen een feilloos gevoel voor authenticiteit als het gaat om het zelf. Vooral bij anderen. Dat impliceert dat er een zelf bestaat dat authentiek is, en waarvan naar keuze kan worden afgeweken, maar dat zo’n keuze een minder authentiek zelf oplevert. Ook al is die keuze zelf gemaakt. Het gaat ervan uit dat er in de kern van iedereen een onveranderbare essentie ligt. Een zelf zoals het is, en blijft. Ook al kies je uit vrije wil voor iets anders.

Als het essentiële zelf onveranderbaar is, dan kan de vrije wil er ook geen invloed op hebben. Dan moet die vrije wil dus invloed hebben op iets anders dan het essentiële zelf. Dan moet er dus ook een veranderbaar, of programmeerbaar deel van het zelf bestaan. Een deel dat keuzes kan maken, dat strategieën kan ontwikkelen en volgen. Het programmeerbare zelf.

Als het essentiële zelf onveranderbaar is, dan kan het zich niet aanpassen. Het is dan immers zoals het is. En zonder aanpassingsvermogen wordt het leven onhanteerbaar. Situaties doen zich in alle mogelijke vormen voor, kunnen bedreigend zijn, en moeten worden gehanteerd. Daarom is het noodzakelijk dat we ons kunnen beschermen tegen alle dingen die we meemaken en op ons afkomen. En dat wapenen doen we door strategieën te ontwikkelen. Iedereen doet dat op zijn manier; de manier die het beste bij hem of haar lijkt te passen. Het wapenen gebeurt uit noodzaak, het bepalen van de strategische richting uit vrije wil.

Die vrije wil heeft daarmee alleen invloed op het programmeerbare zelf. Strategieën worden gevormd door een combinatie van vrije wil en omstandigheden. De omstandigheden geven aan voor welke gevaren het zelf beschermd moet worden en op basis daarvan wordt een zo goed mogelijk passende strategie ontwikkeld. Het is daarvoor dus noodzakelijk dat we ons van de gevaren bewust zijn. Het bewust zijn van gevaren noemen we angst.

Strategieën worden dus gevormd op basis van angst, in combinatie met een mix van vrije wil en van talenten (je kiest voor je sterkste kanten als je jezelf wil wapenen tegen gevaren),.

Het programmeerbare, strategische zelf is een noodzakelijk hulpmiddel om te overleven in een materiele wereld. Het essentiële zelf is immers onveranderbaar, en kan dus ook geen keuzes maken om zich te verdedigen.

Strategieën werken alleen als je jezelf eraan houdt. Werkende strategieën die hun nut bewezen lijken te hebben, zijn daarom zeer hardnekkig. Ze vormen een beveiligingsschild rondom het zelf en beschermen dat zelf tegen alles waarvoor het bang is. Het loslaten van zo’n schild zal dus direct meer angst opleveren en zal daarom vermeden worden.

Dat geeft het strategische zelf (ook wel ego genoemd) macht over het essentiële zelf. Hoe succesvoller de gekozen strategieën lijken te zijn, hoe meer ruimte het strategische zelf krijgt om nieuwe strategieën te ontwikkelen of bestaande strategieën te versterken. En die strategieën leveren controle op. Het geeft een persoon controle over zijn leven. En daarmee over zijn essentiële zelf.

Maar omdat het essentiële zelf onveranderbaar is, kan het ego dat essentiële zelf alleen controleren door het te onderdrukken of te verduisteren.

Mensen die zichzelf niet zijn, doen dat vanuit angst. Wat we dan te zien krijgen is het strategische zelf, in plaats van het essentiële zelf. Andere mensen voelen dat vaak goed aan, en zeggen: hij is zichzelf niet. Voor de persoon in kwestie is het meestal niet zo duidelijk. Hoe succesvoller een strategie lijkt te zijn, hoe sterker mensen zich ermee gaan vereenzelvigen. En dan kan het gebeuren dat die mensen gaan denken dat ze hun strategische zelf (hun ego) zijn.

In dat geval is het essentiële zelf volledig verduisterd, en heeft het strategische zelf de macht volledig overgenomen.

Omdat het programeerbare, strategische zelf niet alleen uit vrije autonome keuzes bestaat, maar ook gevoed wordt door (angst voor) omstandigheden, is het ook van buitenaf programmeerbaar. Als een ander het voor elkaar krijgt om angst te genereren, dan zal het strategische zelf daarop reageren. Het is om die reden dat angst voortdurend gebruikt wordt om anderen te beïnvloeden. Het is de enige manier om anderen te programmeren.

Alle pogingen om anderen te programmeren zijn gericht op het strategische zelf, en bestaan uit het enige voedsel voor dat ego: angst. Zonder angst is er geen enkele aanleiding voor het vormen of aanpassen van strategieën. Mensen die anderen proberen te beïnvloeden, doen dat altijd door die anderen te voeden met angst. Er is simpelweg geen andere manier.

Opvoeden is een vorm van programmeren. Vandaar dat opvoeden hoofdzakelijk bestaat uit het gecontroleerd voeden van angst. Het is gebaseerd op de gedachte: input is output. Stop je de juiste angsten in een kind, dan kun je een bepaalde reactie verwachten. Alle boodschappen zijn gericht op het strategische zelf: je moet goede cijfers halen want anders krijg je geen diploma, je moet een diploma halen want anders kun je niet studeren, je moet studeren want anders krijg je geen goede baan, je moet en goede baan hebben want anders krijg je maar weinig geld of aanzien etc.

Ook alle reclame- en propagandaboodschappen waarmee we voortdurend geconfronteerd worden, zijn gericht op het ego. Het programmeerbare, strategische zelf/ego wordt vanaf onze eerste dag gevoed, en zelfs vetgemest. En hoe vetter dat strategische zelf wordt, hoe meer het essentiële zelf weggedrukt of verduisterd wordt (en hoe gemakkelijker een persoon programmeerbaar wordt). Het strategische zelf, dat in eerste instantie bedoeld was ter bescherming van het essentiële zelf, heeft dat essentiële zelf buitenspel gezet. Het is van een handig hulpmiddel, een dienaar, verworden tot een dictator. Maar het essentiële zelf is er nog wel. Het is onveranderbaar en dus ook onuitwisbaar.

En bij veel mensen komt er dan ook een moment waarop er een conflict ontstaat tussen die twee ‘zelven’. En zo’n conflict noemen we een psychisch probleem. Het is het probleem dat zich voordoet bij degene wiens strategie het is om altijd grappig en vrolijk te zijn maar zich steeds depressiever voelt, het is het probleem van degene die zich altijd sterk en stoer voordoet maar steeds onzekerder wordt, het is het probleem van degene die zich altijd begripvol en verzorgend opstelt maar steeds meer last krijgt van sadistische of gewelddadige gedachten. Enzovoort. Ieder psychisch probleem is het gevolg van een conflict tussen het strategische zelf en het essentiële zelf. En de oorzaak ligt altijd in het strategische zelf dat een richting gekozen heeft die onverenigbaar is met het essentiële zelf. Het essentiële zelf is immers onveranderbaar en dus kan het ook niet goed of slecht zijn. Het is zoals het is.

Omdat het essentiële zelf geen strategieën kent, wordt het oplossen van problemen altijd overgelaten aan het strategische zelf. Maar het strategische zelf is nou juist de veroorzaker van het probleem. Daarom kunnen mensen soms te maken krijgen met zeer hardnekkige psychische problemen. Je kunt het oplossen van een probleem niet overlaten aan de veroorzaker ervan. En verder heb je geen middelen om het aan te pakken.

Dan heb je dus een ander nodig. Een therapeut of zo, of een goede vriend om met te praten. Maar ook therapeuten en goede vrienden zijn gewend om problemen aan te pakken door er controle over te krijgen. Terwijl een overmaat aan controle nou juist de veroorzaker was van het probleem: overmatige controle van het strategische zelf/ego over het essentiële zelf, waardoor het essentiële zelf geen adem meer krijgt.

De enige echte oplossing is dan: het verminderen van de macht van het strategische zelf/ego, waardoor het essentiële zelf weer ruimte krijgt. Maar dat is eng. En het ego zal dus onmiddellijk proberen in te grijpen. De enige echte oplossing is dan het ego minder macht te geven door het los(ser) te laten.

In onze cultuur en in deze tijd heeft het strategische zelf/ego een buitenproportioneel grote rol toebedeeld gekregen. En omdat het ego van buitenaf beïnvloedbaar/programmeerbaar is, worden we voortdurend bestookt met allerlei angsten die tot doel hebben ons een bepaalde richting in te sturen.

Daarmee speelt het ego niet alleen een buitenproportioneel grote rol op individueel niveau, maar ook op collectief niveau. Het collectief (de mensheid) is niets meer dan een verzameling individuen, en is daarmee een afspiegeling van die individuen. Je ziet dan ook dat de samenleving op een vergelijkbare manier ingericht is en bestuurd wordt als het gemiddelde individu.

Ook collectieve angsten worden gepareerd met strategieën. Strategieën die controle moeten opleveren over alle bedreigingen. En je ziet dan ook dat er een collectief ego bestaat dat op vergelijkbare wijze als bij het individuele ego, steeds meer macht naar zich toetrekt. Dat collectieve ego kennen we als regeringen en bestuur.

Net als het individuele ego, is het collectieve ego (bestuur, regering) aangesteld om ons te beschermen tegen bedreigingen. Als een dienaar om ons te verdedigen. Maar net zoals bij het individuele ego, heeft het collectieve ego zich omgevormd van dienaar tot dictator. En ook hier ontstaat een probleem. Door de toenemende macht van dat collectieve ego, kunnen we steeds minder zijn wat we in essentie zijn. We worden voortdurend tot van alles gedwongen, of verhinderd om onszelf te zijn. We zijn onvrij.

En net zoals bij individueel ego, is het enige wapen waarover het collectieve ego beschikt ter bestrijding van een probleem: meer controle. En zo wordt het probleem van onvrijheid, dat veroorzaakt is door het collectieve ego (regering) door datzelfde ego alleen maar versterkt in plaats van opgelost: we worden steeds meer onvrij.

En daarmee hebben we niet meer de vrijheid om te zijn wat we in essentie zijn. En die essentie is onveranderbaar, dus daarin hebben we geen keuze. En daarmee is vrijheid dus iets dat pas bestaat als je niet gedwongen wordt om te kiezen.

De enige mogelijkheid om het essentiële zelf weer de ruimte te geven, is het loslaten van het ego, zowel op individueel als op collectief niveau. We hoeven het ego (zowel het individuele als het collectieve) niet weg te gooien of buitenspel te zetten, sterker nog: we hebben het nodig om te overleven. We kunnen het ook niet bestrijden; het ego is immers een meester in strategie en daarvan verliezen we het altijd. We kunnen het alleen minder serieus nemen. Er minder waarde aan hechten. Losser laten. Het weer de rol geven van dienaar, in plaats van dictator.

Keuzes komen voort uit strategieën, en de vrije wil bepaalt welke strategische keuzes er gemaakt worden. Ook op collectief niveau werkt het zo: (vrije) verkiezingen bepalen welke strategieën collectief gevolgd worden. Maar door te kiezen (voor welke strategie dan ook) geven we macht aan het collectieve ego (regering). De vrije wil is daarmee een gereedschap van het ego, en het ego beperkt de vrijheid om ons essentiële zelf te zijn.

Echte vrijheid staat daarmee haaks op vrije wil. Echte vrijheid laat ons zijn wat we zijn, en daarover hebben we niks te kiezen. Dat zijn we gewoon.












dinsdag 6 juli 2010

Rijkdom


De meeste mensen denken dat rijkdom gaat over geld. Maar dat is natuurlijk niet zo.


Rijkdom gaat over arbeid. Geld is niets meer dan een tegoedbon voor arbeid. Je verkrijgt die tegoedbon door zelf arbeid te leveren, en je kunt er arbeid van anderen mee kopen. Geld dat je bezit, vertegenwoordigt dus arbeid die je in het verleden geleverd hebt, en daarmee heb je arbeid die in de toekomst geleverd gaat worden tegoed. Maar zo word je natuurlijk niet rijk.

Alle prijzen van alle producten en diensten die je kunt kopen, bestaan uit arbeid (plus winst, maar daarover verderop meer). Grondstoffen zijn immers gratis en door de natuur geschonken. Pas wanneer er arbeid aan wordt toegevoegd, door ze bijvoorbeeld op te graven, krijgen ze een geldwaarde. En dat is logisch want geld vertegenwoordigt arbeid. Voor iedere euro of dollar die in omloop is, heeft iemand gewerkt.

Meer dan 90% van alle rijkdom op de wereld is in het bezit van 1% van de wereldbevolking. Dat houdt dus in dat er voor de overgebleven 99% van die wereldbevolking maar 10% overblijft om te verdelen. Daarom leven de meeste wereldburgers in armoede. Toch is alle rijkdom (arbeid dus) geleverd door die 99%. En dat houdt dus in dat de gemiddelde wereldburger zo’n 10 uur arbeid moet leveren om er één uur arbeid voor terug te kunnen kopen. De rest (negen uur) komt ten goede aan die één procent van de wereldbevolking. En die één procent noem ik hier voor het gemak: de elite.

De rijkdom van die elite bestaat ook uit arbeid. Arbeid uit het verleden: hun paleizen, limousines en jachten waarvan ze kunnen genieten als ze daar zin in hebben. Maar die rijkdom bestaat ook uit arbeid die in de toekomst geleverd gaat worden. In de vorm van een tegoedbon voor arbeid: geld.

De rijkdom van de elite bestaat dus ook uit arbeid. Alleen niet hun arbeid. Het verschil tussen de elite en de rest van de wereld, is dat de elite niet voor haar rijkdom werkt of gewerkt heeft. Die rijkdom bestaat namelijk uit arbeid die anderen geleverd hebben of nog gaan leveren. Omdat een dag maar 24 uur heeft, is het onmogelijk om 90.000 (negentigduizend) procent meer arbeid te leveren dan gemiddeld. De rijkdom van de elite kan dus alleen maar bestaan uit arbeid van anderen.

Om jezelf de arbeid van anderen toe te eigenen, bestaan er verschillende methoden. De eerste methode is ouderwetse slavernij. Je vangt wat negertjes in Afrika, en die laat je werken. En de vruchten van hun arbeid zijn voor jou, en niet voor de negertjes.

Maar de moderne manier om arbeid te stelen, bestaat uit drie componenten: rente, belasting en winst. En dat lijken drie verschillende dingen, maar ze zijn het niet. Het is allemaal rijkdom die bestaat uit gratis arbeid. Dat wil zeggen: gratis voor de elite, niet voor degenen die de rijkdom gegenereerd hebben door ervoor te werken (de rest van de wereld). En voor gratis arbeid bestaat een ander woord: slavernij. Deze keer in een modern jasje.

Rijkdom kan dus alleen maar bestaan uit slavernij.

Mensen komen niet zomaar uit zichzelf de vruchten van hun arbeid aan de voeten van de elite brengen. Daarvoor moet die elite dus een systeem bedenken. Eén van die systemen is rente.

De elite bezit zelf de banken, en kan dus geld maken uit het niets. Toch drukken niet zomaar geld en stoppen ze dat in hun eigen portemonnee. Nee, dat zou geen zin hebben, want dan vertegenwoordigt dat geld geen arbeid, en dan is het waardeloos.

Wat ze doen is het volgende: ze maken het geld uit niets (zonder er zelf arbeid aan toe te voegen: ze veranderen een getalletje in en computer of geven anderen de opdracht bankbiljetten te drukken), en lenen dat vervolgens uit. Tegen rente. Bijvoorbeeld aan jou.

Jij leent dat geld om een huis te laten bouwen. Je huurt een aannemer in, die levert de arbeid, en jij geeft het geld dat je van de bank leende aan die aannemer. Vervolgens ga jij in dertig de lening en de rente terug te betalen aan de bank. In die dertig jaar betaal je (gemiddeld) drie keer zoveel terug als je geleend hebt vanwege de rente. Als die rente jou 50% van je inkomen kost, dan moet je daar dus 15 jaar voor werken. Nu heeft dat geld waarde gekregen omdat jij daarvoor 15 jaar arbeid geleverd hebt. Terwijl de bank er niets voor deed. Al het geld dat jij de bankier betaalt, is pure rijkdom voor die bankier. Hij kan er nu iedere vorm van arbeid (een villa, een jacht, bedienden etc.) voor kopen die hij maar wil. Zonder dat hij er iets voor gedaan heeft. Jij hebt, door te werken, zijn rijkdom geleverd. Je bent 15 jaar slaaf geweest.

Maar jij bent niet de enige die geld nodig heeft. Dat heeft de overheid ook. Dus leent die overheid dat van de bankiers. Die bankiers maken dat geld vervolgens uit het niets en lenen het uit. Maar dat doen ze alleen uit als er een onderpand tegenover staat. En dat onderpand bestaat uit het enige bezit waarover de overheid beschikking heeft: jij en ik, de burgers van het land. Wij zijn het onderpand. Het geleende geld moet worden terugbetaald met rente. Alleen betaalt die overheid dat niet zelf, maar dat doe jij. In de vorm van belastingen. En daarvoor je moet dus weer arbeid leveren. Als je gemiddeld 50% van je inkomen aan belastingen betaalt, ben je 6 maanden per jaar slaaf. En via het omweggetje dat overheid heet, komt de rijkdom dus weer bij de bankier. Dat is de reden waarom overheden nooit rijkdom bezitten (er is altijd tekort) en de bankiers van de wereld bijna alle rijkdom bezitten.

Iedereen denkt te weten dat bedrijven winst moeten maken. Maar waarom? Als iedere medewerker, inclusief de directeur, zijn salaris (arbeidskosten) ontvangt, waarom moet er dan nog geld overblijven? Winst wordt betaald door consumenten, en die consumenten betalen dat met het geld dat ze met hun arbeid verdiend hebben. Het zijn de werknemers (die tevens de consumenten zijn) die de winst betalen. En die winst wordt op een keer uitgegeven: er wordt nieuwe arbeid voor gekocht (bijvoorbeeld een privé-vliegtuig voor de grootaandeelhouder). Iedere keer als er een product of dienst met winst wordt verkocht, komt die winst ten goede van iemand die er geen arbeid voor geleverd heeft, maar er wel arbeid voor kan terugkopen. Winst is, net als rente en belasting, geld waar geen arbeid tegenover staat, maar waarvoor wel toekomstige arbeid geleverd gaat worden. Het is dan ook niet vreemd dat de sleutelposities bij zowel de banken als bij de machtige corporaties allemaal worden ingenomen door die ene procent die geen arbeid levert, maar wel de vruchten plukt van de arbeid van anderen: de elite.

Winst bestaat, net als belasting en rente, uit gratis arbeid. Arbeid die geleverd wordt zonder dat degene die de arbeid levert er iets voor in ruil krijgt. Arbeid van velen die ten goede komt aan enkelen. En dat leidt tot rijkdom van die enkelen. Rijkdom bestaat uit diefstal van arbeid en dus uit slavernij, en iedereen weet dat slavernij crimineel is. Dat maakt de allerrijksten tot de grootste criminelen ter wereld. Misschien moeten we daar nog eens aan denken als we weer vol bewondering naar de villa’s, jachten, Ferrari’s en privat-jets van de ‘succesvollen’ staren, maar vooral ook wanneer deze types door onze overheid en haar media geportretteerd worden als de drijvende krachten achter de ‘economie’. Die voor ‘werkgelegenheid’ zorgen. Het ontmaskert die overheid als collaborateurs aan deze misdaad.

Het zijn juist deze rijken die ongelimiteerd parasiteren op de arbeid van anderen, en die daarmee de veroorzakers zijn van permanente en groeiende schaarste. Simpelweg omdat (gemiddeld) 90% van alle arbeid ten goede komt aan 1% van de wereldbevolking: de elite. En dat is een scheefgroei die alsmaar schever groeit: de rijken worden steeds rijker en de armen steeds armer.

Zowel hun rijkdom als onze armoede worden gegenereerd door onze arbeid. En zo werken wij zelf aan onze eigen slavernij.

vrijdag 11 juni 2010

Liefde


Ik doe het eigenlijk nooit, maar ik doe het nou toch. Ik ga het eens over mijzelf hebben. Niet dat ik nou mijn ego wil opvijzelen, of mezelf op de borst wil rammen of zo. In tegendeel. Ik wil het hebben over mijn tekortkoming. Ik heb namelijk een handicap. Een handicap die ik mijn leven lang al bij me draag.

Ik moet het dan maar eerlijk toegeven: ik kan niets begrijpen. Niks dringt zomaar tot me door. Net zoals iemand die verlamd is niet zomaar kan lopen, kan ik niets zomaar begrijpen. En zoals de verlamde een rolstoel nodig heeft om zich te verplaatsen, zo heb ik een hulpmiddel nodig om iets te kunnen bevatten.

Een hulpmiddel dat, net zoals een hoorapparaat, een rolstoel of een stoma, nogal technisch van aard is. Mijn substituut voor intuïtief begrip is logica. Aardse logica. Zonder de ratio ben ik net zo hopeloos verloren als een blinde zonder geleidehond, of als een kreupele zonder stok. Het is een voor mij onmisbaar hulpmiddel om door het leven te kunnen laveren en er iets van te snappen.

Waar anderen onmiddellijk begrijpen wat er wordt bedoeld al er gesproken wordt over liefde, het volgen van het spreekwoordelijke hart, over het goed en het kwaad, daar verblijf ik in verwondering en onbegrip. Het is mij totaal abstract. Pas als ik rationele verbanden kan leggen, als ik het kan relateren aan andere zaken, begint er leven in te komen en krijgen de begrippen iets van herkenning. Pas dan wordt een gevoel hanteerbaar. Pas dan kan ik er iets mee.

Neem nou het begrip liefde. Liefde is iets dat veel mensen intuïtief begrijpen. Maar voor mij is het een mysterie. Wat is liefde?

Het woord liefde heeft voor mij al helemaal geen lading meer. Het is zo vaak misbruikt dat het zodanig geërodeerd is dat het me niets meer zegt. Ik las recentelijk dat het woord ‘love’ op een popzender gemiddeld 12.000 keer per dag voorbijkomt (hoewel in popsongs met ‘love’ meestal seks bedoeld wordt: “baby, I will love you all night long”, en daar is niks mis mee maar het is iets anders). Het woord liefde is simpelweg versleten.

Maar ik voel wel aan dat het begrip liefde van groot belang is. Dus ga ik dat eens proberen te ontleden. Wat IS liefde nou eigenlijk?

Als je van iemand houdt, dan voel je jezelf met die persoon verbonden, en dat is een prettige ervaring. En van prettige ervaringen wil je meer. Liefde is dus besef van verbondenheid. En de wil om die verbondenheid te ervaren. De ervaring van die verbondenheid leidt tot waardering ervan. En die waardering leidt vervolgens tot de wil om meer verbondenheid te ervaren. Liefde heeft dus de neiging om vanuit zichzelf te groeien.

Het enige dat die groei kan tegenhouden is het ontbreken van bewustzijn van verbondenheid, of het blokkeren ervan. Zonder besef van verbondenheid is er dus geen liefde.

Het ontbreken van dat besef van verbondenheid is verdeeldheid. Verdeeldheid maakt liefde dus onmogelijk. Iedereen die een stukgelopen relatie te verwerken heeft gehad, weet dat verdeeldheid, of een uiteenlopend gevoel van ‘belang’ ten grondslag ligt aan de breuk. Maar verdeeldheid kan ook vooraf al liefde blokkeren. Een PVV aanhanger zal bijvoorbeeld moeite hebben met het ervaren van verbondenheid met Moslims, en al helemaal met het waarderen ervan. Een fanatieke PVV’er zal niet zo snel liefde voelen voor een Moslim. Eerder haat.

Haat is de tegenpool van liefde. Haat bestaat uit verdeeldheid met de daaruit voortkomende emoties, en liefde bestaat uit verbondenheid met de bijbehorende emoties.

Verbondenheid is dus de sleutel voor het tot stand komen van liefde. En het ervaren van die verbondenheid leidt tot het gevoel van liefde. En de waardering van dat gevoel leidt dan weer tot de wil om die verbondenheid uit te breiden.

Verbondenheid is mogelijk met een partner, maar ook met vrienden, kennissen, collega’s, landgenoten, alle mensen etc. Waar je de denkbeeldige grens legt, ligt de grens van de mogelijkheid tot liefde. Besef van verbondenheid met iedereen, zonder grens, opent dus de weg naar grenzeloze liefde. Liefde wordt alleen beperkt door het aanbrengen van verdeling en grenzen.

Niet alleen binnen de mensheid bestaat er verbondenheid. Alles is met elkaar verbonden. Zelfs de soms kille, rationele wetenschap heeft dit al lang geleden aangetoond. Denk aan de alom geaccepteerde relativiteitstheorie van Einstein, die aantoont dat alles betrekking heeft op alles. Dat alles in relatie staat tot elkaar. Dat wil zeggen: alles dat leeft, maar ook dode materie en energie. Alles dat bestaat is aan elkaar verbonden. Alles kan alleen maar bestaan in verbondenheid.

Je zou kunnen zeggen dat alles de wil heeft om die verbondenheid aan te gaan. En dan bedoel ik ‘wil’ in een ruime betekenis. Wil, zoals in de rivier die naar het laagste punt wil stromen. Alles heeft de wil om te zijn wat het is. Om te existeren. En om te kunnen existeren, is verbondenheid een voorwaarde. Alles staat immers in relatie tot elkaar. Existeren IS dus verbondenheid. Existeren IS daarmee dus liefde. Anders gezegd: alles is verbondenheid dus alles is liefde.

Materie is niets meer dan atomen die met elkaar verbonden zijn. Die tot elkaar worden aangetrokken. Pas dan krijgt die materie haar kracht. Als de aantrekkingskracht zou verdwijnen dan zou de materie uiteenvallen, en haar kracht kwijt zijn.

Verbondenheid is aantrekking en dus kracht: aantrekkingskracht. De wil om verbondenheid te ervaren en te waarderen leidt tot energie. Net zoals de wil van de rivier om naar het laagste punt te stromen tot energie leidt. Energie die wij mensen voor onszelf kunnen aanwenden door de wil van de rivier te manipuleren. Door er bijvoorbeeld een stuwdam in te bouwen en de energie van de rivier in ons voordeel te gebruiken. Zo is in principe iedere energie om te buigen. Dus ook de energie van de liefde.

De enige manier om de energie van verbondenheid om te buigen is door het aanbrengen van grenzen. Daardoor verdwijnt het besef en daarmee de aantrekkingskracht van verbondenheid. En dat ondermijnt de kracht van de mensheid als geheel. Het werkt als een zaag door een boomstam die de verbondenheid van de boom met zijn wortels, en daarmee de aarde verbreekt. De energie van de boom die de boom gebruikte om boom te zijn, komt nu ten goede aan degene die hem omzaagt (hij kan er brandhout van maken, of een tafel of zo).

Op vergelijkbare manier snijdt verdeling de verbondenheid tussen mensen door, en de energie die eerst ten goede kwam aan die mensheid als geheel, komt nu ten goede aan degene die de verdeling aanbrengt. Die energie verdwijnt dus niet maar wordt gemanipuleerd en gekanaliseerd om ervan te profiteren. Verdeel en heers.

Het is daarom niet vreemd dat heersers altijd proberen haat te genereren. Haat en verdeling zijn noodzakelijk om te kunnen heersen over, en te profiteren van de gekanaliseerde kracht van de mensheid. Wil een heerser bijvoorbeeld geld of macht afnemen van anderen, dan doet hij dat niet zelf, maar dan laat hij de bevolking ten strijde trekken. Hij maakt dan gebruik van de kracht van die bevolking. En die bevolking is daar alleen voor te porren als ze haat voelt voor de, door de heerser benoemde, tegenpartij. Geen enkel volk valt een ander volk aan als er sprake is van onderlinge verbondenheid en liefde tussen die volkeren. Haat is verdeling, en zonder verdeling is er verbondenheid. En dan valt er niks te heersen. Heersen is verdeling en haat zaaien.

Haat en verdeling bestaan alleen vanwege denkbeeldige grenzen: van de ene groep kun je wel houden, van de andere niet. Het zijn kunstmatig aangebrachte, illusoire grenzen. Nou kunnen illusies hardnekkig zijn, maar het mooie is dat je ze zelf los kunt laten. Het is niets meer dan een keuze. Een vrije keuze.

Liefde voor elkaar is dus de kracht van de mensheid, en liefde voor alles dat er bestaat is het bestaansrecht voor alles dat er bestaat, en dus ook voor ons. Het enige dat ervoor nodig is, is het besef dat alles verbonden is, en dat verdeeldheid een illusie is. Een illusie die in het leven geroepen is om op onze energie te parasiteren. Wat wordt onze keuze?