
Een mens kan zijn aandacht richten op vele dingen. En van al die dingen waaruit hij kan kiezen om zijn aandacht op te richten, kiest hij in de meeste gevallen voor het onderwerp met de hoogste prioriteit. Voor iedereen die de moeite neemt om mensen te observeren, kan het niet anders dan duidelijk zijn dan dat dit onderwerp, het onderwerp ‘geld’ is. Geld is de baas der dingen.
Geld speelt een centrale rol in het leven van de moderne mens. Misschien draait het leven van die mens niet helemaal om geld, maar dan toch wel bijna helemaal. Het bepaalt waar je opgroeit, waar je naar school gaat, met wie je omgaat, waar je komt te wonen, wat voor werk je doet, enzovoort.
Natuurlijk zijn er mensen die ontkennen dat geld een leidende rol speelt in hun leven, maar mensen die dat zeggen dat zijn dan weer altijd mensen met geld. En dus is het ook hier weer de factor geld die de doorslag geeft. Zonder geld kun je namelijk helemaal niet zeggen dat geld onbelangrijk voor je is.
Laten we het maar toegeven: geld staat met stip op één als het gaat om onze aandacht. En dat is niet gek.
Geld geeft ons namelijk toegang tot alle vaardigheden en inspanningen van andere mensen. En zonder die vaardigheden en inspanningen kan geen mens leven. Dat veelkleurig palet van vaardigheden en inspanningen van anderen hebben we simpelweg nodig om te kunnen bestaan. En geld is in onze tijd de enige bestaande levenslijn naar die allereerste levensbehoefte. Het is het portaal naar de mogelijkheid tot overleven.
Zoals ik al zei: geen mens kan zonder de vaardigheden van anderen. En hoewel we in onze overwaardering voor ons eigen individu geneigd zijn anders te geloven, is geen enkel mens autonoom. Sterker nog: mensen zijn helemaal geen autonome wezens. Geen enkel mens kan voor zichzelf zorgen.
Natuurlijk denken wij in onze consumptiegerichte tijd en cultuur veel meer dingen nodig te hebben dan we echt nodig hebben, maar zelfs als het om de meest basale dingen gaat, dan nog kunnen we niet overleven op onze eigen vaardigheden alleen.
Die meest basale behoeften zijn:
De behoefte aan voedsel: eten en drinken.
De behoefte aan bescherming tegen te elementen: onderdak en kleding.
De behoefte aan energie: verwarming en bereiden van eten.
Geen enkel mens kan zelfstandig, zonder gebruik te maken van vaardigheden van anderen in deze drie behoeften voorzien. Sommige mensen beschikken over een paar van de benodigde vaardigheden. Zo kan het zijn dat iemand zijn eigen groenten verbouwt. Maar kan hij dan ook zijn eigen ijzererts opgraven om zijn gereedschappen van te maken? Zijn eigen huis bouwen? Zijn eigen bakstenen bakken? Zijn eigen brandstoffen delven om die bakstenen te bakken, zijn gereedschappen te smeden en zichzelf te verwarmen? Zijn eigen katoen verbouwen, daar garen van spinnen, en dat garen vervolgens weven tot doek en daar dan weer kleding van maken? Etc.
Dat kan dus niet. Ga maar eens na wat je iedere dag gebruikt, en hoeveel je daarvan zelf zou kunnen maken. En daarom moet iedereen gebruik maken van de arbeid van anderen om te kunnen overleven.
Dat is de reden waarom we moeten werken. Van hetgeen je wel kan, heb je altijd meer dan je nodig hebt. Van hetgeen je niet kan altijd minder. Werken is niets meer dan het ruilen van hetgeen je wel kan, tegen hetgeen je niet kan. En daarvoor is een ruilsysteem noodzakelijk.
Het is dus niet zozeer geld dat we nodig hebben, maar het is de arbeid (vaardigheid + inspanning) van anderen die we nodig hebben. Geld werkt als portaal om daartoe toegang te verkrijgen.
Wanneer een bepaald ruilsysteem op een moment het enige bestaande systeem is, moet elke uitwisseling van arbeid dus via dat systeem lopen. Het is de enige toegang, de enige poort naar onze levensbehoeften geworden. En in deze situatie bevinden we ons nu.
Op zich is daar niets mis mee. Zolang die poort maar voor iedereen toegankelijk is. Zolang die poort het ruilen maar mogelijk maakt; zolang die poort dat ruilen faciliteert.
Geld is de enige weg naar overleven, en is daarmee de baas der dingen. Maar de baas der dingen heeft zelf ook een baas. De poort naar overleven heeft een poortwachter. Iedereen die iets ruilt, moet via hem. Hij heeft de macht over de enige poort, en kan de toegang beperken. De poortwachter heeft daarmee een monopolie over de ruilbaarheid van alle inspanningen van alle mensen.
En die poortwachter faciliteert dat ruilen niet zomaar. Die poortwachter vraagt daarvoor een gedeelte van de te ruilen waar. Iedere keer als er een inspanning geruild moet worden tegen een andere inspanning, eist de poortwachter een deel op. Zonder zelf een inspanning te leveren. Dat houdt dus in dat mensen altijd minder arbeid van anderen kunnen terugkrijgen in ruil voor de arbeid die ze zelf geleverd hebben. Dat ze een gedeelte van hun tijd moeten werken voor de poortwachter, en daar niets voor in ruil krijgen. En werken zonder er iets voor te krijgen heeft een naam: slavernij. Alle mensen die gebruik moeten maken van de poort die geld heet, zijn daarmee deeltijdslaven.
En omdat de poortwachter het alleenrecht heeft op het verschaffen van toegang tot de poort, kan hij vragen wat hij wil. En hoe meer hij vraagt, hoe minder arbeid mensen in ruil krijgen voor hun eigen arbeid. En hoe lastiger het dus wordt om in de levensbehoeften te voorzien. Hoe meer de poortwachter opeist, hoe harder mensen zullen moeten werken om te kunnen overleven. En hoe meer waarde ze zullen hechten aan toegang tot de poort naar overleven: geld. En dat komt de poortwachter erg goed uit. Zijn macht groeit.
De poortwachter beheerst de toegang tot arbeid van anderen. Die toegang is geld, en de poortwachter is degene die dat geld beheerst. De poortwachter is het bancaire kartel. De club van centrale banken die het alleenrecht heeft op het creëren van geld.
Banken voegen niets van waarde (= arbeid) toe, maar bieden uitsluitend een systeem aan om het ruilen van waarde (= arbeid) mogelijk te maken. Maar omdat ze wel waarde (= arbeid) opeisen, faciliteren ze niet alleen, maar parasiteren ze ook. En daarmee maken ze het ruilen van waarde (= arbeid) juist lastiger, in plaats van makkelijker. Iedereen moet nu immers veel meer werk leveren dan dat hij voor dat werk terugkrijgt. Iedereen is op rantsoen gezet, behalve de poortwachter.
De poortwachter heeft daarmee beschikking gekregen over een enorme voorraad arbeid. Geld is immers niets meer dan een tegoedbon voor toekomstige arbeid. En omdat iedereen toegang wil tot die arbeid, kan de poortwachter anderen ermee belonen en daarmee laten doen wat hij wil. Naar zijn eigen goeddunken. Hij kan er handlangers mee kopen. Handlangers die de mensen moeten dwingen om hun aandacht te houden bij de poort en die de tol incasseren. Hij noemt die handlangers: regeringen.
Geld is een middel. Een ruilmiddel. Maar vanwege de door de bankiers gecreëerde schaarste, is de aandacht van mensen volledig gericht op dat middel. En niet meer op het doel. Het doel is niets meer dan het verkrijgen van toegang tot de vaardigheden en inspanningen van andere mensen. Ook al zou er geen geld meer zijn, ook al zou de poort gesloten worden, dan zouden alle bestaande vaardigheiden die mensen hebben, nog gewoon bestaan. En om die vaardigheden gaat het uiteindelijk echt. De gecreëerde schaarste is dus geen echte schaarste. De gecreëerde schaarste lijkt alleen maar schaarste omdat de aandacht van alle mensen gericht is op het middel, in plaats van op het doel.
Zodra mensen dit in de gaten krijgen, zodra ze inzien dat er een overvloed is van hetgeen waaraan ze werkelijk behoefte hebben, zullen ze logischerwijze een ander middel kiezen. Zou je denken.
De enige poort die momenteel bestaat is een systeem dat eeuwenoud is. Een systeem dat parasiteert op de arbeid van mensen. Dat schaarste veroorzaakt. Een systeem dat lang geleden verzonnen is, en de op dat moment bestaande technologie weerspiegelde. Maar de huidige technologie biedt inmiddels veel meer mogelijkheden. En toch is het geldsysteem nog steeds het enige bestaande ruilsysteem. Ondanks alle nadelen.
Om eerlijk ruilen mogelijk te maken, is er niet meer dan een goed administratiesysteem nodig. Een systeem dat administreert wat iemand geleverd heeft, en wat hij dus tegoed heeft. Een administratiesysteem dat voor iedereen toegankelijk is, en dat zonder poortwachters kan werken. Een collectief systeem dat eigendom is van niemand, en daarmee van iedereen. Een systeem dat door een beetje webdeveloper in en paar dagen functionerend gemaakt kan worden.
Het enige dat ervoor nodig is, is het ombuigen van onze aandacht. Het ombuigen van aandacht voor het middel (geld), naar aandacht voor het doel: toegang tot arbeid van anderen in ruil voor arbeid van jezelf. Het besef dat we helemaal niet steeds door die poort hoeven. Dat we ons niets hoeven laten afpersen. Dat we geen poortwachter nodig hebben. Dat alles wat we werkelijk nodig hebben, gewoon voorhanden is.
En dan zijn we weer zelf de baas der dingen. En dan zal de oude baas, de poortwachter (samen met zijn handlangers), zijn parasitaire bestaan moeten opgeven en ook arbeid moeten gaan leveren om te kunnen leven.
Omdat onze aandacht dan gevestigd zal zijn op de kwaliteiten van iedereen (waar het natuurlijk uiteindelijk om gaat) zullen we ons ervan bewust worden dat we geen autonome wezens zijn. Dat we elkaar nodig hebben. Dat we één werkend organisme zijn. We zullen elkaar leren waarderen, in plaats van elkaar te beconcurreren. Concurreren wordt overbodig omdat er geen schaarste bestaat. Vaardigheden en inspanningen zijn er immers net zoveel als er mensen bestaan. En dat zal zijn weerslag hebben op alles wat mensen drijft.





