dinsdag 18 mei 2010

Zorgen


Soms zegt de taal iets over de heersende mentaliteit in een land. Gezien de ontwikkelingen in dit land zou het me niet verbazen als het woord ‘zorgen’ daarvan een schrijnend voorbeeld is. Het woord heeft een negatieve lading. We ‘maken ons zorgen’. En als onze ouders bejaard en hulpbehoevend zijn dan is dat ‘een hele zorg’, zoals we hoofdschuddend tegen onze collega’s en kennissen zullen zeggen.

Geen wonder dat we de zorg voor anderen dan ook het liefst zover mogelijk uit onze buurt houden, en zoveel mogelijk overlaten aan instanties. Wijzelf hebben het uiteraard te druk met onze baan, het brengen en halen van de kinderen, het doen van de boodschappen, en niet te vergeten, als we aansluitend op de bank ploffen, het kijken naar de televisie.

Als iemand in onze omgeving hulp behoeft, beperken we ons tot het maken van zorgen, maar het zorgen zelf laten we uiteraard over aan het volledig geïnstitutionaliseerde systeem. Of dat systeem ook werkelijk zorg oplevert, is minder boeiend, getuige de enorme misstanden binnen dit systeem. We hebben er immers voor betaald, en dat moet maar voldoende zijn.

Betalen dus. Geld. Anderen zorgen, zonder dat wij de zorgen hebben. Als het goed zou zijn. Maar dat is het niet. Het is juist dat geld dat ervoor zorgt dat de zorg geen zorg meer biedt.

Zoals altijd heeft geld een averechts effect op alles dat menselijk is. Het lokt grote groepen aasgieren die, als vliegen op stront, afkomen op het bijeengebrachte geld. Voor wie dat geld misschien niet de enige, maar toch wel de belangrijkste drijfveer is om zich met de behoefte aan verzorging te bemoeien. Die behoefte levert eerst en vooral een mogelijkheid op tot het maken van winst. En, zoals dat altijd gaat met winst, moet die winst worden gemaximaliseerd. Dat is de eerste prioriteit, en daarvoor moet alles wijken. Zoals het verlenen van de zorg zelf.

Geen enkel middel zal ongebruikt blijven om het financieel voordeel zover mogelijk uit te melken. En zoals altijd gebeurt dat op twee manieren: door het opschroeven van de inkomsten, en door het terugschroeven van de geleverde kwaliteit. Oftewel: minder doen voor meer geld.

Het is dan ook geen wonder dat de ‘privatisering’ van de zorgmarkt precies dat heeft opgeleverd. Een vele malen hogere premie en het spectaculair afnemen van de aandacht voor patiënten en ouderen. Oftewel een volledige verschraling van de geleverde kwaliteit. Kwaliteit kost nou eenmaal geld, en uitgegeven geld is geen winst. Het belang van een verzekeraar is: het leveren van zo weinig mogelijk kwaliteit, tegen een zo hoog mogelijke premie.

En dat is natuurlijk precies tegenovergesteld aan het belang van de verzekerden. Verzekerden die in twee groepen te verdelen zijn: zij die gezond zijn en steeds meer premie moeten betalen, en zij die zorg nodig hebben en die zorg in steeds mindere mate krijgen. De eerste groep klaagt over te hoge premie, en de tweede groep klaagt over te weinig aandacht. Allebei terecht.

Zoals altijd zijn het degenen die de beslissingen nemen die het best voor zichzelf zorgen. Bovenaan in deze hiërarchische piramide bevindt zich de overheid. Die overheid heeft de zorgmarkt ‘geprivatiseerd’. Tenminste, dat wordt beweerd. In werkelijkheid heeft die overheid een kartel gevormd met de zorgverzekeraars. Door middel van wetgeving schept de overheid de mogelijkheid voor deze verzekeraars om in principe ongelimiteerde winsten te behalen uit de behoefte aan zorg, zonder die zorg ook verhoudingsgewijs te bieden. Winsten die dan weer nieuwe lagen van beslissingnemers in het leven roepen in de vorm van managementlagen en allerlei goed betaalde controlerende instanties en commissies. Zo gaat de bijeengebrachte winst in kringetjes rond, maar komt niet terecht bij degenen die de werkelijke zorg (op de werkvoer) verlenen, en al helemaal niet bij degenen die zorg nodig hebben. Uiteraard alles bijeengebracht door de premiebetalers.

En om de premies steeds te kunnen verhogen, en verzorgend personeel nog verder te kunnen wegbezuinigen, wordt steeds het magische woord gebruikt: vergrijzing. Door die vergrijzing zou de zorg ‘onbetaalbaar’ worden.

Tussen 1990 en nu stegen de premies met vele honderden procenten. In 1990 bestond de bevolking voor 61,6% uit mensen tussen 20 en 65 jaar. In 2008 was dat 61,3%. Een minimale daling dus. Het aantal ouderen boven de 65 jaar is in die periode gegroeid van 12,8 naar 14,7%. Ook niet spectaculair. De arbeidsparticipatie (het percentage van de bevolking dat werkt, en dus premie betaalt) is in die periode gestegen van ongeveer 55% naar 65%. Deze getallen rechtvaardigen dus op geen enkele wijze het argument van onbetaalbaarheid door vergrijzing. Het is een simpele leugen.

In 2000 betaalde ik voor twee personen 60 gulden per maand aan premie. Dat is zo’n 28 euro. En dus 14 euro per persoon. Daarvoor was alles verzekerd, dus ook de tandarts, de fysiotherapeut en eventueel psychologische hulp (zonder eigen risico). Allemaal zaken waarvoor nu extra betaald moet worden, als het überhaupt verzekerbaar is.

Nu betaalt de gemiddelde verzekerde 115 euro per maand per (volwassen) persoon. Dat is een stijging van zo’n 410%. En vergeet niet dat ieders werkgever daar nog eens 7,05% van het bruto inkomen (tot een inkomen van € 33.189) bijlegt. Bij een modaal inkomen (32.500 euro per jaar) is dat 2291,00 euro per jaar, en dus zo’n 190 euro per maand. Een bedrag dat anders gewoon bij het inkomen zou horen. En vergeet ook niet dat iedereen over dat bedrag ook nog eens inkomstenbelasting mag betalen. Het wordt gewoon bij het (belastbaar) inkomen opgeteld. Geen wonder dat de overheid dit kartel zo graag aanging.

Noch de kosten (gezien de demografische ontwikkelingen) noch de ontvangen premies rechtvaardigen het argument van onbetaalbaarheid.

Waardoor zou die zorg dan wel ‘onbetaalbaar’ geworden zijn? Door de extreem gestegen lonen van de mensen aan het bed? Door de veel hogere kwaliteit van de geleverde zorg? Iedereen die zelf werkzaam is op de werkvloer in de zorg weet dat dit absoluut niet het geval is. Nee, het argument van onbetaalbaarheid wordt uitsluitend gehanteerd ter maximalisatie van winst. Over de ruggen van de premiebetalers, maar erger nog, over de ruggen van mensen die zorg echt nodig hebben. Ouderen in verpleeghuizen die nauwelijks meer aandacht krijgen, die in hun eigen uitwerpselen uren moeten wachten op verzorging. Omdat een extra verpleegkundige natuurlijk een negatief effect heeft op de winst.

Zorg gaat niet meer over zorg. Zorg zal de verzekeraars (en de overheid) een zorg zijn. Zorg gaat over winst. En zoals altijd, leidt winst tot ontmenselijking. En dat is werkelijk iets om ons zorgen over te maken.



maandag 10 mei 2010

De Griekse crisis



De problemen met de euro zijn niet ontstaan door een gebrek aan geld maar door teveel aan schuld.

We kunnen gemakkelijk de schuld van die schuld bij landen als Griekenland neerleggen, maar daarmee steken we onze kop in het zand.

In het huidige criminele monetaire systeem is schuld niet te vermijden. Het ontstaan van schuld is inherent aan dit systeem. Er ontstaat in dit systeem altijd ergens schuld. Het maakt de bankiers niets uit waar die schuld ontstaat, omdat het collectief er uiteindelijk altijd voor moet opdraaien, zoals nu weer duidelijk wordt met de ‘redding’ van Griekenland.

En met het collectief bedoel ik: jij en ik; de burgers van deze wereld.


Geld is op zich een prima uitvinding. Het maakt de talenten en inspanningen van mensen uitwisselbaar.

Een ander woord voor talenten en inspanningen is arbeid. Het is uitsluitend onze arbeid die zaken geldelijke waarde geeft. Grondstoffen zijn immers gratis, en krijgen pas geldwaarde als er arbeid aan toegevoegd wordt.

Geld heeft (in een eerlijke situatie) op zichzelf dus geen waarde. Geld zou er moeten zijn om het ruilen van echte waarde (arbeid), te faciliteren.

Iedere keer als iemand arbeid verricht, ontstaat er nieuwe waarde. Een huis, een auto, een brood, een dienst; er ontstaat iets dat er eerst niet was. En in ruil voor het toevoegen van dat stukje nieuwe waarde, ontvangt degene die de inspanning geleverd heeft geld, zodat hij er een vergelijkbare inspanning van een ander voor kan terugkrijgen.

Iedere nieuw stukje arbeid levert dus economische groei op. Die arbeid voegt waarde toe aan het collectief van waardes, gevormd door de arbeid van iedereen.

Om die arbeid te KUNNEN vergoeden met geld, moet dat geld er wel ZIJN. Het moet gefaciliteerd worden. Dat wil zeggen, het moet gemaakt worden. Voor iedere nieuwe inspanning, moet er een beetje nieuw geld beschikbaar komen.

In het huidige systeem hebben overheden dat faciliteren toevertrouwd aan particuliere centrale banken. Deze banken hebben het monopolie op het maken van nieuw geld. Maar die banken faciliteren dat geld niet gewoon, maar ze maken het uit het niets, en LENEN het vervolgens uit. En dat geld moet worden terugbetaald met rente! Zonder dat die centrale banken daar enige toegevoegde waarde (= arbeid) tegenover zetten!

Dat houdt in dat met iedere inspanning, met ieder stukje arbeid, er nieuw geld in omloop komt, maar ook nieuwe SCHULD aan het collectief wordt toegevoegd. Vermeerderd met rente!

Economische groei houdt daarmee in: groei van schuld. En die schuld moet, vermeerderd met rente, door het collectief worden terugbetaald. Dus door iedereen die arbeid levert, omdat arbeid de enige manier is om het benodigde geld te verdienen om te kunnen terugbetalen.

Omdat AL het met arbeid verdiende geld op deze manier uit schuld bestaat, moet er dus minimaal twee keer voor gewerkt worden: eerst om het te verdienen, en vervolgens om het door de banken gefaciliteerde geld (waarmee die arbeid betaald is) terug te betalen aan die banken. En eigenlijk dus meer dan twee keer, want de rente komt er nog bij.

Daarmee wordt het dus onmogelijk om geld te verdienen zonder dat er ergens schuld ontstaat. Ook al ben jij (of ik, of wie dan ook) zo slim dat we geen persoonlijke schuld opbouwen: zodra wij iets verdienen (ook al geven we het verdiende geld niet uit, ook al zetten we het op de bank) ontstaat er schuld in het collectief. Een schuld die in totaliteit inmiddels vele malen groter is dan de totale hoeveelheid geld die er op de wereld BESTAAT. Schuld die altijd door iemand moet worden terugbetaald.

Het is dus onzinnig om de problemen in de schoenen van de Grieken te schuiven, of van wie dan ook. Het is het systeem dat hiervoor verantwoordelijk is. Een tot op het bot crimineel systeem dat met behulp van wetten (en dus overheden) in stand gehouden wordt, en dat uiteindelijk tot niets anders kan leiden dan totale onderwerping van iedereen aan die banken. Een systeem dat bovendien onze overheden en regeringen ontmaskert als collaborateurs aan deze misdaad.

Dit systeem zorgt ervoor dat letterlijk ALLES van waarde, dus ALLES waarvoor ooit arbeid geleverd is, en waarvoor in de toekomst arbeid geleverd gaat worden, uiteindelijk eigendom van de banken wordt.

En die banken hebben deze crisis geïnitieerd om zichzelf de mogelijkheid te verschaffen om al deze kunstmatig opgebouwde en uitstaande schuld nu te materialiseren. Dat wil zeggen: al het onderpand op te eisen. En dat onderpand bestaat uit alles van waarde dat ooit gemaakt is, en alles van waarde dat in de toekomst gemaakt zal worden. Uit onze arbeid. Uit jou en mij. WIJ zijn tenslotte de enigen die werkelijke waarde creëren door onze arbeid. Arbeid die niet meer aan onszelf ten goede komt, maar aan de bankiers. Arbeid die geen arbeid meer zal zijn, maar slavernij.

Ik zou dus mensen willen oproepen juist een voorbeeld te nemen aan de Grieken, en te weigeren zich te conformeren aan deze criminelen. Ga staken! Weiger de belastingen te betalen die rechtstreeks naar de zakken van deze misdadige bankiers vloeien! Weiger nog langer mee te werken.

Door onze medewerking zijn wij zelf de grootste collaborateurs aan het leegzuigen van de mensheid. En niet alleen van andere landen, maar ook van onszelf.

vrijdag 9 april 2010

'Complottheorie'


Mensen die op onderzoek uit gaan naar de werkelijke inrichting van de wereld van geld en macht, wordt vaak verweten bezig te zijn met ‘complottheorieën’. Maar is dat wel zo?

Wat is een theorie?

Van Dale:

The-o-rie: 0.2 systeem van denkbeelden of hypothesen ter verklaring van iets ~ 0.3 opvatting in het abstracte, die geen rekening houdt met de praktijk

In deze definitie staat zowel het doel van een theorie, als de manier waarop dat doel bereikt wordt. Het doel is het verklaren van iets, en dat doel wordt bereikt door middel van abstractie, niet rekening houdend met de praktijk.


Eigenlijk is een theorie daarmee een geloof. Een geloof wil – net als een theorie - iets verklaren zonder rekening te houden met de praktijk.

Als je iets wil verklaren terwijl je wel rekening houdt met de praktijk, dan zul je die praktijk moeten kennen en dus moeten onderzoeken. Door het onderzoeken van de praktijk, kom je dan tot een verklaring.

Als je dus wil weten hoe iets werkt, dan kun je twee dingen doen: je kunt geloven dat je weet hoe het werkt, dan heb je een theorie en dan hou je geen rekening met de praktijk, of je kunt onderzoeken hoe iets werkt, en dan hou je wel rekening met de praktijk.

Een voorbeeld:

Als je wil weten hoe een auto werkt, dan zou je kunnen stellen dat een auto wordt voortbewogen door een geest die erin huist. Deze geest drinkt benzine. Dat is een theorie, en je kunt in deze theorie geloven, of niet. Maar of je er wel of niet in gelooft: het zegt in beide gevallen niets over de praktijk (hoe een auto werkt). Je verklaart iets zonder rekening te houden met de praktijk. Je hebt een theorie.

Als je werkelijk, rekening houdend met de praktijk, wil weten hoe een auto werkt, dan kun je die werking ook onderzoeken. Je kunt hem bijvoorbeeld uit elkaar halen, en van elk onderdeel de functie en werking proberen te begrijpen. En je kunt proberen in te zien welke bijdrage elk onderdeel levert aan het functioneren van het geheel: de auto. Als je dat van elk onderdeel begrijpt, en je weet wat de plaats is van dat onderdeel en waarom, dan begrijp je de werking van de auto.

Nu heb je wel rekening gehouden met de praktijk, en is jouw kennis van die praktijk niet langer een theorie, maar een weten. Je kunt dus zeggen: hoe meer onderzoek, hoe minder theorie.

Ook de mechanismen van macht en geld zijn te onderzoeken. En naarmate dat onderzoek vordert, ontstaat er een steeds completer beeld van de werking hiervan. Door dat onderzoek krijg je niet alleen meer begrip van de werking van de verschillende onderdelen (banken, corporaties, regeringen), maar ook meer begrip van het functioneren van het geheel: de werking van de mondiale machtsstructuur. Je onderzoekt de praktijk, en daarmee leer je die praktijk te begrijpen.


Het is daarom verbazingwekkend dat de mensen die anderen beschuldigen van het hebben van complottheorieën, zelf meestal geen enkel onderzoek hebben gedaan. Het zijn juist deze mensen (mensen die zelf niets onderzocht hebben) die geen andere keuze hebben dan terug te vallen op theorie/geloof. Het zijn juist deze mensen die geloven, in plaats van weten. Het zijn juist deze mensen die de (door de wereld van macht en geld zelf aangeboden) versies van de werking van de wereld geloven. Zonder rekening te houden met de praktijk.

Van Dale:

Com-plot: 0.1 kwaadaardige samenzwering tegen iemand of iets.

Sa-men-zwe-ren: 0.1 zich in het geheim met anderen verbinden om een ander nadeel te berokkenen (en er zelf voordeel bij te hebben - p.s.)

Samenzweren is daarmee het heimelijk ondernemen van iets dat in het belang is van de samenzweerders, ten koste van het belang van anderen. Het is voor het bestaan van een complot dus noodzakelijk dat er een tegengesteld belang bestaat. Als de samenzweerders hetzelfde belang zouden hebben als degenen tegen wie wordt samengezworen, dan zou een complot zinloos zijn. Complotten bestaan alleen omdat er verschillende belangen bestaan.

Het doel van een complot is dus het behartigen van een belang. Een belang dat niet -of minder goed- behartigd zou kunnen worden als dat behartigen openlijk zou gebeuren. Die heimelijkheid is noodzakelijk omdat het belang tegengesteld is aan het belang van anderen. Als dat belang openlijk behartigd zou worden, dan zou dat op weerstand stuiten van de mensen met het tegengestelde belang. Daarom is dat belang beter te behartigen als je het stiekem doet.

Het ontkennen van het bestaan van complotten zou dus inhouden, het ontkennen van het bestaan van verschillende belangen, en het ontkennen van de mogelijkheid dat die belangen soms niet openlijk, maar heimelijk nagestreefd worden. Het zou inhouden dat je gelooft (er een theorie op nahoudt) dat iedereen open en eerlijk is.

Machthebbers hebben een tegengesteld belang ten opzichte van diegenen waarover ze macht willen hebben. Macht is het vermogen om anderen te laten doen wat jij wil. En daarmee kunnen die anderen dus niet meer doen wat ze zelf willen. De macht van de één, bestaat uit de onvrijheid van de anderen. De machthebber is gebaat bij onvrijheid van het volk, het volk is gebaat bij vrijheid. Een tegengesteld belang dus.

Als machthebbers dan weliswaar een ander belang hebben dan het volk, maar desondanks toch altijd eerlijk zouden zijn, dan zouden er geen complotten of samenzweringen bestaan. Voor diegenen die de eerlijkheid van machthebbers gaan onderzoeken, wordt echter al zeer snel duidelijk dat eerlijkheid niet direct het sterkste punt is van machthebbers. En dat is logisch.

Machthebbers hebben macht verworven. Ondanks het feit dat hun verworvenheid ten koste gaat van de bevolking. Het volk bestaat altijd uit een grote meerderheid ten opzichte van de machthebbers. Daarmee is de enige mogelijkheid om de vrijheid van de bevolking af te nemen, dat te doen via list en bedrog. Uit vrije wil komt het volk haar vrijheid namelijk niet inleveren.
Het bestaan van macht (en de daaruit voortvloeiende onvrijheid) is daarmee het bewijs van het bestaan van complotten. Zonder complot (stiekeme belangenbehartiging) komen machthebbers simpelweg niet aan de macht.

Het ontkennen van het bestaan van complotten kan dus alleen op basis van ontkennen van het bestaan van verschillende belangen en het ontkennen van het bestaan van oneerlijkheid. Het ontkennen van het bestaan van complotten houdt geen rekening met de praktijk. Het ontkennen van het bestaan van complotten is daarmee een geloof. Een theorie.

En daarmee zijn degenen die het bestaan van complotten ontkennen, en geen rekening houden met de praktijk, de werkelijke theoretici. Het zijn ‘niet-complottheoretici’.
Degenen die de wereld van macht en geld werkelijk onderzoeken, en die wel rekening houden met de praktijk, zijn daarmee geen theoretici, maar kenners: ‘complotkenners’.

donderdag 1 april 2010

Waarheid, vrijheid


Een tijdje geleden schreef ik een stukje over waarheid. Dat maakte nogal wat los. Uiteindelijk leidde dat tot een discussie over het wel of niet bestaan van de waarheid. Is de waarheid objectief of subjectief?

Nou bestaan er natuurlijk percepties over de waarheid. Ieders beeld van de waarheid is anders. Maar komt dat door subjectiviteit?

Vaak wordt over het begrip waarheid nogal gewichtig gedaan. De waarheid als een soort van heilige graal, waarin je wel of niet kunt geloven. Maar volgens mij is het veel eenvoudiger: de waarheid is niet meer dan een verzamelnaam. Een verzamelnaam voor alles dat niet onwaar is.

Je hoeft dus niet de hele waarheid te kennen om te weten dat de waarheid bestaat.

Een boer die nooit zijn geboortedorp uit geweest is, kan niet zeggen dat hij de wereld kent. Maar dat de wereld bestaat, dat weet hij wel. Hij staat er immers elke dag met zijn klompen bovenop. Hij kent een stukje van de wereld. Zelfs de grootste wereldreiziger zal niet kunnen beweren dat hij de wereld helemaal kent. Maar hij heeft er wel meer kennis van dan iemand die altijd thuis blijft.

Kennis is de sleutel tot waarheid. Tot objectieve waarheid. Subjectieve waarheid bestaat namelijk niet. Daarvoor bestaat een ander woord: geloof.

Om een simpel voorbeeld te geven:

Je hebt zin in een tweedehandsje. Je gaat naar de plaatselijke autoboer. De man in het mooie pak zegt: ‘Een prima karretje meneer/mevrouw!’

Je kunt nu twee dingen doen:

1- Je kunt de man geloven, en hem je geld overhandigen.
2- Je kunt zelf onder de auto kruipen.

Je kiest voor dat laatste: je kruipt eronder en vindt uit dat de bodem van het ding volledig verrot is. Je hebt nu kennis van de waarheid over die auto. Namelijk: hij is verrot. Dat is de waarheid.

De verkoper kan nu zijn meest betrouwbare blik opzetten, en een nog mooier pak aantrekken, maar hij kan je niet meer manipuleren. Jouw kennis van de waarheid maakt je onmanipuleerbaar. De verkoper heeft geen macht meer over jou. Macht die hij wel zou hebben als je hem geloofd had. Hij had dan de macht om je geld af te nemen in ruil voor een waardeloos product.

Als je hem geloofd zou hebben dan zou jouw beeld van de waarheid bestaan uit een aanname. Het zou een subjectieve waarheid zijn. Een waarheid zonder kennis. Geloof. Kennis maakt dat je niet manipuleerbaar bent, geloof maakt dat je juist wel manipuleerbaar bent. En daarmee staan kennis (objectieve waarheid) en geloof (subjectieve waarheid) haaks op elkaar.

Kennis = macht. De waarheid zal je bevrijden. Bevrijden van de manipulatieve kracht van onwaarheid. Kennis van de waarheid maakt je onmanipuleerbaar, en laat je de macht over jezelf behouden.

Nou is de waarheid over een auto natuurlijk maar een heel klein stukje van de hele waarheid. Maar over alles bestaat een waarheid. Ook al kennen we niet al die stukjes, ze bestaan wel, en allemaal samen vormen ze een geheel: de waarheid.

Omdat het voor een mens onmogelijk is om alle stukjes waarheid te kennen (daarvoor is een mens te beperkt), kent iedereen maar een beperkt gedeelte ervan. Om die reden heeft iedereen een ander beeld van de waarheid als geheel. Net zoals iedereen een ander beeld heeft van de wereld. Een ander perspectief. Een incompleet beeld. Maar dat maakt de waarheid niet subjectief.

Een Keniaan heeft een ander beeld van de wereld dan een Zweed. Maar allebei weten ze dat de wereld bestaat. De Zweed kan geloven dat het in Kenia sneeuwt. De Keniaan kan geloven dat in Zweden altijd de zon schijnt. Maar dat geloof staat in geen enkele relatie tot de waarheid. Ze weten het niet zolang ze er geen kennis over hebben. De enige ware bewering die ze dan kunnen doen is: ‘Ik weet het niet’.

Subjectieve waarheid is de verzamelnaam voor zaken die we voor waar aannemen. Aannames die niet zijn gebaseerd op kennis maar op geloof. En geloof staat in geen enkele verhouding tot de waarheid. Als ik iets geloof, kan het net zo goed onwaar zijn. Als ik iets niet geloof, kan het net zo goed waar zijn. Geloof staat in geen enkele relatie tot de waarheid. Ze zijn elkaars tegenpolen.

Als je dus beweert dat de waarheid niet bestaat, dan kan er ook geen kennis bestaan. Waarvan zou je dan kennis kunnen hebben? Je kunt dan niets weten. Alleen geloven. Andersom, voor mensen die niets weten, die geen kennis hebben, kan het lijken of er geen waarheid bestaat. Dan blijft er maar één mogelijkheid over: de illusie te weten: geloven.

Omdat kennis van de waarheid ons onmanipuleerbaar maakt, is het voor diegenen die ons willen manipuleren dus noodzakelijk dat wij zo min mogelijk kennis van de waarheid hebben. Als de autohandelaar je ervan kan overtuigen dat het voor jou onmogelijk is om de auto te controleren - dat je daarvoor te dom of te beperkt bent - dan zit er niks anders op dan hem wel of niet te geloven. En dan ben je overgeleverd aan de manipulatievaardigheden van de verkoper. Hoe beter hij daarin is, hoe groter de kans dat je die auto koopt. Het geeft de verkoper macht.

Dat is de reden dat ons eeuwenlang verteld is dat wij niet bij machte zijn om de waarheid te kennen. Dat we als eenvoudige stervelingen te dom en te beperkt zijn om iets van de waarheid te kennen. Dat er voor ons niks anders op zit dan te geloven, als we een beeld van de werkelijkheid willen hebben.

Machthebbers hebben deze strategie altijd bewandeld en zullen dit altijd blijven doen. Ze kunnen niet anders. De kerk heeft ons eeuwenlang ingewreven dat we eenvoudige zondaars zijn, regeringen hebben ons altijd verteld dat we zelf niet kunnen weten hoe we moeten leven. En de oplossing was altijd: geloof ons! Het is hun enige manier om ons te kunnen manipuleren.

Het is er zo ingehamerd dat we zijn gaan twijfelen aan het bestaan van de waarheid. We zijn zo vaak gedesillusioneerd geraakt, nadat we voor de zoveelste keer iets voor waar hebben aangenomen dat achteraf niet waar blijkt te zijn, dat we de moed opgegeven hebben. Dat we denken dat de waarheid niet bestaat. En als we daar eenmaal van overtuigd zijn, dan zijn we een speelbal voor elke manipulatie. Zowel van buitenaf als van binnenuit. Als de waarheid niet bestaat, dan kunnen we immers zelf alles invullen of in laten vullen. Zoals het ons (of de machthebber) het beste uit lijkt te komen.

Geloof geeft de illusie van kennis. Maar het is nepkennis gebaseerd op nepwaarheid. Gevaarlijke nepkennis. Het kan ons verleiden tot de meest verschrikkelijk daden. Daden tegen anderen en daden tegen onszelf. ‘Wir haben es nicht gewusst’. Oftewel: we hadden geen kennis. Geen kennis van de waarheid. We geloofden. En we namen het voor de waarheid aan.

Als het wel ‘gewusst’ hadden, dan waren we er niet ingetrapt en hadden we onze medewerking niet verleend.

Als we dus niet manipuleerbaar willen zijn, als we de macht over onszelf willen behouden, dan zit er niets anders op dan te stoppen met geloven. En voortaan alleen onze medewerking te geven op basis van kennis. Kennis van de waarheid. De objectieve waarheid. Want subjectieve waarheid is geen waarheid. Het is nepwaarheid: geloof.

Uiteraard kost het vergaren van kennis van de waarheid meer inspanning dan geloven. En soms kun je een vergissing begaan. Maar een vergissing kun je corrigeren. Soms kun je inderdaad niet bij machte zijn om de benodigde kennis te verkrijgen (hoewel dat vaak veel gemakkelijker is dan het lijkt), maar in dat geval is de enige waarheid: ‘ik weet het (nog) niet’.

Inderdaad meer inspannend dan geloven, maar de beloning voor die inspanning is oneindig. De beloning is absolute vrijheid.




donderdag 18 maart 2010

Anarchisme


Van Dale:

an-ar-chis-me (het) 0.1 leer die alle staatsgezag afwijst.

Tegenstanders van het anarchistische idee schermen altijd met de menselijke natuur. De mens is net zo inherent een kuddedier als wolven, herten en chimpansees inherent sociale en in groepen levende dieren zijn. Het hoort bij de soort. En die groepen, roedels, kudden en troepen hebben een sociale structuur nodig. En die structuur is altijd hiërarchisch. Zonder leiderschap functioneert geen enkele groep. Deze overweging zou anarchie dus tot een utopisch idee maken.

Maar degenen die dit verkondigen gaan voorbij aan een belangrijk punt: anarchie betekent letterlijk: zonder heerser. Niet zonder leider. En daar zit hem de crux. Er is een verschil tussen leiderschap en macht.

Het idee van leiderschap gaat weliswaar uit van een hiërarchisch systeem, maar die hiërarchie is gebaseerd op verantwoordelijkheid. Het individu geeft een deel van zijn verantwoordelijkheid aan een leider, en die leider neemt de verantwoordelijkheid voor de groep individuen. Het idee gaat er dus van uit dat de leider in staat is om die verantwoordelijk te dragen.

De leider kan die verantwoordelijkheid alleen dragen als hij weet wat er van hem verlangd wordt. En dat kan hij alleen weten als hij de benodigde informatie heeft. Dat wil dus zeggen dat de leden van de groep de leider informeren over wat hun wensen en behoeften zijn. Pas dan kan een goede leider namens de groep handelen en spreken.

De leider kan dus alleen leider zijn als hij de leden van de groep kent. En daarmee bedoel ik: persoonlijk kent. Hoe kan hij verantwoordelijkheid nemen voor iemand die hij nooit ontmoet of gesproken heeft? Hoe kan hij weten wat zijn wensen en behoeften zijn? Hoe kan hij verantwoordelijkheid dragen voor iemand van wie hij niet eens weet dat hij bestaat? En ook: hoe kan een individu zijn verantwoordelijkheid afstaan aan een leider die hij nooit ontmoet of gesproken heeft?

En dat is precies het punt waarop leiderschap overgaat in macht. Als dat gebeurt kan een leider (nu machthebber) alleen terugvallen op een soort van abstracte ethiek. Een vorm van geconstrueerd idealisme. Een opgelegd of aangepraat idealisme (zoals bijvoorbeeld democratie) dat het volk moet ‘verbinden’. Een collectieve (in tegenstelling tot individuele) identiteit met daaraan gekoppeld een perceptie van een collectief ‘belang’ die de positie van de machthebber moeten rechtvaardigen. Ik zeg met nadruk positie, omdat de taak van leidinggeven nu veranderd is in een positie. Het zijn nu niet meer de vaardigheden van de leider die hem tot leider maken, maar het is zijn positie die dat doet.

Zijn leiderschap bestaat nu niet langer uit het nemen van verantwoordelijkheid voor de groep -verantwoordelijkheid die de leden vrijwillig afstaan aan de leider - maar zijn macht wordt nu gevoed door het afnemen van verantwoordelijkheid van de leden. De positie wordt nu gebruikt om individuele verantwoordelijkheid, en daarmee vrijheid, af te nemen van de groepsleden. En door dat afnemen van vrijheid centraliseert de macht van de machthebber.

Centralisatie van macht is exact hetzelfde als toename van macht. De macht van een machthebber kan namelijk maar op twee manieren toenemen: door macht veroveren op een andere machthebber, of door vrijheid ( = macht van het individu over zichzelf) af te nemen van de bevolking. In beide gevallen leidt dat tot afname van de spreiding van macht, tot centralisatie, en dus tot toename van macht.

Het idee van leiderschap is gebaseerd op bescherming van de leden van de groep. Bescherming tegen alle mogelijke bedreigingen van buitenaf. Op het moment dat leiderschap verandert in macht, draait dit principe 180 graden om. Het is nu niet meer de bedreiging van buitenaf waartegen de bevolking beschermd moet worden, maar het is de macht zelf die de bedreiging vormt. Dat kan zijn in de vorm van tirannie van de machthebber over de bevolking, of door de aantrekkelijkheid van zijn macht voor andere machthebbers, die vervolgens die macht zullen proberen te veroveren. En dat gaat altijd ten koste van de bevolking.

Daarmee staan leiderschap en macht haaks op elkaar. Leiderschap biedt bescherming, macht vormt een bedreiging. Toch zal een machthebber altijd de illusie proberen te wekken dat hij er wel degelijk zit om het volk te beschermen. En daarvoor zal hij altijd gebruik maken van zijn meest effectieve gereedschap: angst.

Iedere machthebber zal voorwenden dat hij er is om te zorgen voor veiligheid en gezondheid van de bevolking. Om de impact hiervan te optimaliseren zal hij dan ook voortdurend de perceptie van onveiligheid en ongezondheid moeten stimuleren. Pas dan kan hij maatregelen acceptabel maken. Maatregelen die altijd de vrijheid van de bevolking beperken, en daarmee de macht van de machthebber vergroten. Iedere maatschappelijke imperfectie zal hij uitvergroten of erger nog: zelf tot stand brengen.

De natuurlijke reactie van de bevolking is dan ook angst, en dat zal de volgende stap richting het ‘perfectioneren’ van de samenleving rechtvaardigen. Het idee van de haalbaarheid van een perfecte samenleving is daarmee een door de machthebber gecreëerde illusie. En die illusie is in zijn voordeel, want iedere stap richting perfectie, is en stap richting uniformiteit. De perfecte samenleving, zonder onveiligheid, zonder ongezondheid, kan niet anders zijn dan eenvormig. Dat wil zeggen dat iedereen zich zal moeten conformeren aan dat doel; het individu kan immers geen voorstander van onveiligheid of ongezondheid zijn. De ultieme perfectie is alleen te bereiken door ultieme onvrijheid.

Maar die perfectie zal nooit bereikt worden. In tegendeel. Dat komt omdat die perfectie niet bestaat, en ook niet kan worden toegestaan. De machthebber zou namelijk zichzelf overbodig maken als die toestand eenmaal bereikt is. En dat is het laatste dat hij wil. Het is dus in werkelijkheid niet perfectie waarnaar hij streeft. Het is alleen de perceptie van imperfectie die hij gebruikt om de bevolking vrijwillig haar vrijheden af te laten staan, en daarmee zijn macht te laten groeien, te centraliseren.

Zoals Aldous Huxley schrijft in het voorwoord van zijn meesterwerk Brave New World (het is dat ik niet van verplichting hou, maar het zou eigenlijk verplichte kost voor iedereen moeten zijn):
Alleen een grootschalige volksbeweging naar decentralisatie en eigen beheer kan de huidige tendens naar dirigisme stoppen.(….) Het is een feit dat, tenzij we voor decentralisatie kiezen (…) we slechts twee alternatieven hebben om uit te kiezen: hetzij een aantal nationale gemilitariseerde totalitaire systemen (…) of één supranationaal totalitair systeem, in het leven geroepen door maatschappelijke chaos (…).

Let wel, hij schreef dit in 1946, naar aanleiding van de heruitgave van zijn boek uit 1932.

Ook hieruit blijkt dat machthebbers (in scherp contrast tot wat ze beweren) er altijd op uit zijn om chaos te creëren. Chaos die moet leiden tot acceptatie van maatregelen die ‘verbetering’ zouden moeten brengen, maar die altijd de vrijheid van de bevolking afnemen. En daarmee is het niet alleen haar vrijheid die de bevolking verliest, maar wordt diezelfde bevolking ook nog eens doelbewust blootgesteld aan een keur van verschrikkingen die vervolgens de acceptatie van vrijheidsbeperkende, en dus machtvoedende maatregelen moeten bevorderen.

Kort gezegd: de hang naar perfectie (of zelfs ‘verbetering’) leidt tot essentieel lijden van de bevolking, op ieder denkbaar gebied.

Wanneer de werking van dit mechanisme zou doordringen tot de bevolking, dan zou men gaan inzien dat het noodzakelijk is om imperfectie te omarmen. Om waarde te hechten aan een mate van onveiligheid en ongezondheid. Om ervan te houden. Onveiligheid en ongezondheid die nou eenmaal bij het leven horen. En die een voorwaarde zijn voor vrijheid.

Dan zou de bevolking herkennen dat iedere door de machthebber aangedragen maatregel ter bevordering van veiligheid of gezondheid, zal leiden tot meer macht van de machthebber, en dus juist tot meer onveiligheid, ongezondheid, en ook nog eens tot onvrijheid. Machthebbers geven helemaal niets om veiligheid of gezondheid van het volk. De enige drijfveer om er voortdurend mee te schermen, is de toename van hun eigen macht.

Natuurlijk zijn wij kuddedieren. Kuddedieren die net als wolven, herten en chimpansees instinctief een hiërarchische groepsvorm kiezen. Leiderschap is daarmee iets dat bij onze soort past. Maar wel leiderschap gebaseerd op verantwoordelijkheid, zowel van de leider als van het individu. Wolven, herten en chimpansees leven niet in groepen van tientallen miljoenen, centraal bestuurd door één of enkele wolven, herten of chimpansees. In iedere groep kent ieder individu de leider, en kent de leider ieder individu. Dat is de natuurlijke sociale structuur bij deze dieren. Net zoals dat de natuurlijke sociale structuur bij mensen is.

Decentralisatie is daarmee dus de enig mogelijke oplossing om ons uit de ellende te halen en te houden. Terug naar kleine leefgemeenschappen waarin de leider de groepsleden persoonlijk kent, en de groepsleden de leider persoonlijk kennen. Zodra de hiërarchische schaal zodanig groot wordt dat er geen persoonlijke band meer is tussen de leider en de individuen van de groep, zouden de alarmbellen moeten afgaan. Dan zouden de groepsleden hun verantwoordelijkheid moeten nemen, en het vertrouwen in de leider (die nu dus machthebber is) moeten opzeggen. Dat zal de enig haalbare, echte bescherming opleveren die mogelijk is. Pas dan kunnen we genieten van zowel de vrijheden als de imperfecties die het leven biedt. Zonder heerser. Anarchistisch.

donderdag 4 maart 2010

De machtspiramide vanuit een ander perspectief


We schoppen met regelmaat tegen die vermaledijde elite. Ik ook. En terecht. Het zijn de regeringen die ons knechten. Of de corporaties. Of de banken. Of allemaal.

Vaak krijg ik de vraag: wie zijn nou degenen die de elite vormen? Zijn het de regeringen? Zijn het de banken? En als het de banken zijn, welke banken dan? En wie zijn dan die bankiers die de dienst uitmaken?

Allemaal vragen die uitgaan van ons perspectief in de machtspiramide. En dat perspectief is: van onderaf. Want dat is waar wij (het ‘gewone’ volk) ons bevinden. Onder aan de voet, in het breedste compartiment van de machtspiramide. En als we naar boven kijken dan zien we inderdaad machtsentiteiten boven ons staan. Machtsentiteiten als banken, corporaties en overheden. En dan wordt het moeilijk om de boosdoeners aan te wijzen. Want die banken bestaan toch echt? En die regeringen toch ook?

Inderdaad, maar alleen vanuit ons perspectief. Vanaf de bodem van de piramide. Van bovenaf ziet het er heel anders uit.

Dus: laten we het eens omdraaien, en de piramide bekijken vanuit de top. Vanuit de absolute top naar beneden. Vanuit het perspectief van het handjevol topmachthebbers in het bovenste compartiment van de machtspiramide. En dan ziet die piramide er ineens heel anders uit. Het enige dat we dan zien is alles dat er zich onder ons bevindt.

En over alles dat zich daar bevindt, hebben we een zekere mate van controle. En ons enige doel is: meer controle. Meer controle over de piramide, maar vooral: meer controle over de voet van de piramide, want daarin bevindt zich het volk dat al onze rijkdom bij elkaar brengt door te werken. En daar bevindt zich ook de grootste massa, en die massa is vanwege haar aantallen nogal gevaarlijk, en die moeten we dus in toom houden. Dat is de echte uitdaging: meer rendement (rijkdom voor ons) en minder risico. Maar daar zit ook de echte moeilijkheid.

De compartimenten beneden ons in de piramide zijn gemakkelijk te controleren. De mensen in de compartimenten onder ons, zijn door ons toegelaten in hoge machtsposities. De beloningen daarvoor zijn zo groot, dat die mensen ze nooit op het spel zullen zetten. Ze zullen altijd gehoorzamen aan ons.

Maar ook verder naar beneden is het niet moeilijk om de boel onder controle te houden. Iedere laag in de piramide gehoorzaamt aan de laag daarboven, en heeft autoriteit over de laag daaronder. Net zoals dat gaat in een groot bedrijf. Als de gehoorzaamheid naar boven ophoudt, vervalt de autoriteit naar beneden. En daarmee vervallen dan vanzelf de privileges die horen bij de positie in de betreffende laag, en tuimelt de persoon in kwestie helemaal terug naar de bodem van de piramide. Hoe hoger in de piramide, hoe groter de angst om te vallen.

Het enige probleem is daarmee de brede onderkant van de piramide. Daarin bevindt zich de overgrote meerderheid van het volk, en dat volk zit al aan de onderkant, en kan dus ook niet verder naar beneden vallen. Dat volk heeft geen privileges en ook geen autoriteit naar beneden. Er is geen beneden. En dat volk is daarom lastig in bedwang te houden. Dat werkt niet op dezelfde manier als het werkt bij de hogere compartimenten.

Daarvoor is dus een andere strategie nodig. Om het volk in bedwang te houden heb je gereedschappen nodig. En –hoe handig!- die gereedschappen vind je in de lagen van de piramide onder je. Daar vind je de mensen die je hebt toegelaten in hoge posities binnen de bancaire sector. En daar vind je de mensen die je hebt toegelaten in hoge posities binnen de politiek. En daar vind je de mensen die je hebt toegelaten in hoge posities binnen de corporaties. Allemaal mensen met autoriteit naar beneden. Zolang ze gehoorzamen aan jou natuurlijk. Anders kunnen ze hun spulletjes pakken en een baantje gaan zoeken.

En zo kun je die gereedschappen gebruiken om het volk te controleren en te sturen. Gereedschappen die voor het volk ‘banken’ zijn. Of ‘regeringen’ of ‘corporaties’, maar voor jou niets meer dan handige gereedschappen. Dingetjes om je doel te bereiken. En dat doel kan niets anders zijn dan meer controle, meer macht en meer opbrengst.

Dat kan niet anders om een heel simpele reden: de personen in het compartiment net onder jou, zijn door jou toegelaten in hoge machtsposities. Door die hoge posities is het voor hen niet moeilijk om meer macht te verkrijgen. En als jij niet streeft naar meer macht, dan zullen zij het doen. En dan zullen ze je inhalen en jouw positie innemen. Je kunt dus niet anders dan ze voorblijven, en daarmee ben je verplicht om je macht altijd te blijven uitbreiden. Macht over het enige dat telt: de opbrengst van het volk. Alle andere stappen in de piramide zijn er uitsluitend om dat voor elkaar te krijgen. Die stappen leveren op zichzelf niks op. Sterker nog: ze kosten geld. Het zijn alleen handige gereedschappen. Meer niet. Alleen, je moet je door die gereedschappen niet in je vingers laten snijden. Dat is alles.

Maar jij hebt een enorm voordeel ten opzichte van degenen in de compartimenten onder jou: waar al die compartimenten verantwoording naar boven af moeten leggen, hoef jij dat niet. Er is geen boven. En dat geeft je een stevige positie. Je hoeft maar één kant op te kijken. En daarmee heb je iets gemeen met de onderkant van de piramide: die hoeft ook maar één kant op te kijken. Er bestaat geen laag onder het volk, en het volk hoeft dus alleen naar boven te kijken. En daarmee bestaan er dus maar twee echte machtsblokken: jij, en het volk.

Het belangrijkste verschil is dat jij je macht kent, en het volk haar macht niet kent. En dat wil je vooral zo houden. Want als het volk zich bewust wordt van haar eigen macht en dus de autoriteit van boven niet meer accepteert, dan ben je verloren. Dan heb je niks meer aan je gereedschappen. Dan is het afgelopen met jou en je handlangers.

En dus zul je de hele piramide, met al je banken en je corporaties en je regeringen gebruiken om dat te voorkomen. Je zult voortdurend de indruk moeten wekken dat er voor het volk aan de onderkant van de piramide wel degelijk te vallen is. Dat, als ze niet gehoorzamen, ze naar beneden zullen kieperen. Maar dat kan natuurlijk niet echt, want ze staan al op de bodem.

Maar je gebruikt je banken om dingen te doen die de levensstandaard van het volk verlagen, en je gebruikt je andere speeltje, de regeringen, om de zogenaamde ‘redding’ te brengen. En zo kun je ze laten geloven dat ze wel degelijk kunnen vallen, en dat ze jou nodig hebben. En zo hou je ze in je macht.

Zo simpel is dat.

woensdag 3 maart 2010

Technologie



Je kunt allerlei verdelingen maken binnen de mensheid. De meeste zijn onzinnig en zijn gebaseerd op illusies. Maar de enige werkelijke verdeling is waarschijnlijk die tussen de machtselite en rest van de mensheid.

Vele eeuwen geleden heeft deze elite zich afgesplitst van de rest van de mensheid en vormt sindsdien (in toenemende mate) een subcultuur, of liever een supracultuur met een geheel eigen denkwijze en geheel eigen overtuigingen die van generatie op generatie doorgegeven worden. Een supracultuur waarbinnen men uitsluitend onderling verkeert en die gebaseerd is op de overtuiging van superioriteit ten opzichte van de rest van de mensheid. De mensheid die als hun bezit beschouwd wordt.

Een verdeling dus die al sinds mensenheugenis bestaat, en die, zoals het er nu uitziet, voorlopig niet zal ophouden te bestaan. Het is waarschijnlijk de enige verdeling die geen illusie is, maar die in alle tijden, op alle plaatsen en door alle onderdrukten aan den lijve ondervonden werd en wordt.

Het is een verdeling die gebaseerd is op een elementair verschil in belang. Twee verschillende belangen die haaks op elkaar staan en onverenigbaar zijn.

Het belang van de mensheid is niets anders dan te kunnen leven, en te voorzien in haar behoeften. En het belang van de elite is niets anders dan de rest van de mensheid zoveel mogelijk te exploiteren. Voor haar eigen macht en rijkdom. Om de mensheid zo volledig mogelijk uit te zuigen, zonder ook maar enig mededogen voor die mensheid. Of het nou leidt tot verschrikkingen als oorlog, armoede, verhongering en andere vormen van ellende, of tot massale sterfte: de geschiedenis leert dat het de elite letterlijk niets uitmaakt.

Het gaat maar om één ding: opbrengst.

In alle tijden heeft de elite altijd een maximalisatie van die opbrengst nagestreefd en in de loop der eeuwen is men daar steeds beter in geworden. Voortschrijdend inzicht, overgedragen van vader op zoon, kun je het noemen. Omdat het maximeren van de opbrengst haaks staat op het belang van de bevolking, heeft men altijd systemen nodig gehad om die bevolking te managen. Uit zichzelf zal de bevolking namelijk de vruchten van haar arbeid niet komen aanbieden aan de minieme minderheid waaruit die elite bestaat.

In de loop der tijd heeft men een groot aantal managementtechnieken uitgeprobeerd. Allemaal hadden ze dezelfde doelstelling: hoe kunnen we zo efficiënt mogelijk gebruik maken van de arbeid van de bevolking, en hoe kunnen we ervoor zorgen dat die arbeid ten goede komt aan ons, in plaats van aan de bevolking zelf? En, niet te vergeten: hoe voorkomen we dat de bevolking, die in aantallen veel groter en dus sterker is dan wij, in opstand komt?

Die elite heeft verschillende managementtechnieken uitgeprobeerd. Proefjes gedaan, zeg maar. Vergelijk het met de vroegere melkboer die een trekhond had om zijn melkkar voort te trekken. Die melkboer werd geconfronteerd met de vraag: hoe kan ik die hond zo efficiënt mogelijk laten lopen, zonder dat hij mij bijt? Hij kon er de zweep overheen halen, maar dat kostte hemzelf energie, en bovendien werd de hond vals, of op een moment zodanig murw geslagen dat hij niet meer liep. Vervolgens kwam de melkboer op het idee om de hond een worst voor te houden. Aan een hengel vanaf de kar. En hup, de hond ging lopen. Maar na een tijdje kreeg het beest in de gaten dat hij nooit bij de worst zou komen, en stopte met lopen. Pas toen de melkboer de hond af en toe een stukje worst gaf, bleef de hond lopen. De melkboer moest nu de meest efficiënte verhouding zien te vinden tussen beloning en prestatie. Hoe vaker hij een stukje worst gaf, hoe gemotiveerder de hond, hoe harder hij liep. Maar teveel worst verzadigde de hond, en dan hield hij op met lopen totdat hij weer trek kreeg. Weinig worst was natuurlijk voordeliger, maar hield ook in dat het uitgemergelde beest minder hard liep. En het uitproberen van verschillenden managementtechnieken leidde tot voortschrijdend inzicht, en dat inzicht leidde tot een optimale balans tussen de investering in worst, en de opbrengst van de hond. In alle gevallen echter, bleef de hond de slaaf van de melkboer.

Precies op deze manier heeft de elite steeds verfijndere managementtechnieken op de bevolking losgelaten. En dit alles met hetzelfde doel: een optimale opbrengst, en het beheersbaar houden van onvrede onder de bevolking. Oftewel: rijkdom en macht (controle).

Eerst in de vorm van ouderwetse slavernij. De zweep dus. Deze techniek is een langdurig succesnummer gebleken, totdat het voortschrijdend inzicht leidde tot een meer efficiënte techniek.

Zoals aan ieder managementsysteem, kleefde er aan ouderwetse slavernij een nadeel: de slaven waren eigendom, moesten dus gekocht worden, en daarom ook onderhouden worden. Anders gingen ze dood en verloor de slavenbezitter zijn investering. Bovendien werkten slaven niet erg efficiënt. Ze werden uitsluitend gedreven door de angst voor de zweep. Toen men dit nadeel begon in te zien, kwam men tot een meer efficiënt systeem: laat de slaven ‘vrij’ en laat ze voor zichzelf zorgen.

Om in hun levensonderhoud te voorzien waren de voormalige slaven verplicht om te gaan werken voor hun vroegere slavendrijvers. Elders was geen werk en viel er dus niks te verdienen. En van het geld dat ze verdienden, moesten ze nu hun eigen huisjes bouwen en hun eigen voedsel kopen. De voormalige slavendrijver merkte dat de voormalige slaven nu vanzelf harder gingen werken als hij ze minder betaalde. Ze moesten wel. En de oude slavendrijver was nu minder geld kwijt aan loon, dan hij vroeger kwijt was aan voedsel en onderdak voor zijn slaven. Bovendien was de opbrengst per slaaf nu veel groter dan voorheen, omdat de werknemers nu net zo hard werkten als nodig was om in hun eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Hoe minder hij ze betaalde, hoe harder ze moesten werken. Voortschrijdend inzicht. Managementtechniek.

Deze managementtechniek leidde tot de machtsverhouding werkgever/werknemer en dat resulteerde in de industriële revolutie. Die industriële revolutie leidde tot enorme armoede, honger en andere misstanden onder de bevolking. En tot gigantische rijkdom van de elite. Maar omdat de voormalige slaven iets meer vrijheid hadden dan ze hadden toen ze nog letterlijk slaaf waren, leidde dit tot opstanden en stakingen. Ze hadden dan weliswaar iets meer bewegingsvrijheid dan vroeger, maar ze wisten zelf verdomd goed dat ze niet vrij waren. Ze waren voor hun bestaan volledig overgeleverd aan de elite. Deze onvrede leidde tot risico’s en bovendien kostte het de elite veel energie en investeringen om het volk in bedwang te houden.

Dus probeerde men iets nieuws. Net zoals de melkboer met zijn hond, kwam de elite tot een inzicht: als we gewenst gedrag belonen met een groter deel van de worst, dan zal het volk zich zo gedragen als wij willen. En als we het volk laten geloven dat ze de vrijheid hebben om zichzelf te kunnen opwerken, en als we daarvoor extra beloning in het vooruitzicht stellen, dan gaat dat volk vanzelf harder werken. En hoewel het een investering vraagt, zal het uiteindelijk leiden tot een grotere opbrengst. Bovendien kunnen we het verkopen als een humanitaire omwenteling, en daarmee ons imago (want dat was nogal negatief) oppoetsen, en dat leidt weer tot minder problemen. Maar deze nieuwe managementtechniek was wel relatief duur. Om het volk rustig en gemotiveerd te houden, moest een relatief groot gedeelte van de winst geïnvesteerd worden in de bevolking. In de vorm van beloning.

Maar het enige criterium was en bleef het optimaliseren van de opbrengst van de arbeid van het volk. Opbrengst die uiteindelijk ten goede moest komen aan de elite. Net als bij een boer die merkt dat zijn vee meer opbrengt als hij het meer ruimte laat. En dat hij een hogere prijs krijgt voor sociaal acceptabel vlees. Maar het gaat uiteindelijk om de opbrengst. In honderd jaar tijd waren de geketende slaven van weleer, geworden tot ‘scharrelslaven’. Er was een balans gevonden tussen investering en opbrengst.

Maar de elite zou de elite niet zijn als ze hiermee genoegen nam. Ook nu was er sprake van voortschrijdend inzicht. Men kwam tot het inzicht dat mensen altijd zullen streven naar het voldoen aan hun behoeften. Daar is niets aan te doen. Die behoeften zijn niet weg te nemen of te beheersen. Dat inzicht leidde tot een nieuwe managementtechniek. En deze keer was de managementtechniek gebaseerd op technologie.
Men had al geleerd dat de behoeften van mensen weliswaar niet te veranderen zijn, maar dat het plaatsen van een managementtechniek tussen de mensen en hun behoeften zeer efficiënt werkte. Men had dat geleerd door ervaring met de meest efficiënte managementtechniek aller tijden: geld.

Voorheen waren kleine gemeenschappen volledig zelfvoorzienend. Binnen de gemeenschap werd alles geproduceerd dat nodig was. Via ruilen kon vrijwel iedereen aan zijn behoeften voldoen. Door het plaatsen van de technologie geld tussen de mensen en hun behoeften, kreeg de elite veel meer controle over het volk. De behoeften waren weliswaar niet te beheersen, maar de tussenstap geld was wel beheersbaar. En daarmee was het volk prima te sturen.

Daarnaast werd binnen de traditionele gemeenschap ook voorzien in niet-materiële behoeften. De behoefte aan menselijk contact en communicatie bijvoorbeeld. Aan familiebanden en banden met vrienden. En door dat directe menselijk contact werd ook voorzien in de behoefte aan informatie en kennis.

Gesterkt door haar ervaring met het managementgereedschap geld, besloot de elite dat het zinvol was om op zoveel mogelijk gebieden een technologische tussenstap te plaatsen tussen de mensen en hun behoeften. Een technologische tussenstap die door de elite beheerst zou worden en daarmee een gereedschap zou vormen om de bevolking te sturen, zonder al die dure investeringen in beloning en (relatieve) vrijheid voor het volk. Volk dat als eigendom van de elite beschouwd werd en wordt.

Het ontwikkelen van deze technologieën zou men overlaten aan het bedrijfsleven. En daarvoor was kapitaal nodig. Het kwam daarom goed uit dat de elite de volledige beheersing had over de kapitaalmarkt. Zo kon men beslissen over welke nieuwe technologie gefinancierd zou worden en welke niet, en daarmee over welke technologie ontwikkeld zou worden en welke niet. En uiteraard werden uitsluitend die technologieën gefinancierd die zouden leiden tot meer controle over de bevolking.

Natuurlijk zouden die nieuwe technologieën omarmd (en betaald) moeten worden door de bevolking. Het volk zou van elke nieuwe technologie het ‘voordeel’ moeten ervaren. En dat was niet moeilijk omdat het steeds ging om technologie die het voldoen aan menselijke behoeften gemakkelijker toegankelijk maakte. Maar het volk had niet in de gaten dat diezelfde technologieën beheerst werden door de elite en dat het volk daarmee de toegang tot het voldoen aan hun behoeften uit handen gaf aan die elite. En dat dit de werkelijke reden was van het beschikbaar komen van die technologieën.

Eén van die technologieën waarin geïnvesteerd werd was de telefoon. Toen de radio, de bioscoop, de televisie, de auto, voedseldistributie via gemotoriseerd verkeer, het internet etc.

Het was voor mensen niet langer noodzakelijk om in gemeenschappen bij elkaar te wonen om aan hun behoefte aan voedsel, contact en communicatie te voldoen. Of om zelfvoorzienend te zijn. En de maatschappij werd daarnaar ingericht. Wonen en werken werden uit elkaar gehaald: de technologie auto werd er tussen geplaatst.  Sociale contacten en informatievoorziening verliepen steeds meer op afstand: de technologie elektronische communicatie werd ertussen geplaatst. Gebieden en landen werden economische monoculturen: de technologie distributie werd er tussen geplaatst. Enzovoort.

En om in de dagelijkse behoeften te voorzien werd het volk afhankelijk van die technologieën. Distributie en vervoer, televisie, telefoon en internet werden noodzakelijk. Tussen de mensen en vrijwel iedere menselijke behoefte was nu een door de elite beheerste technologie geplaatst.

En nu het plan klaar is, en de hele maatschappij ernaar ingericht is, kan men via de gecontroleerde technologieën de toegang tot het voldoen aan menselijke behoeften gaan rantsoeneren en daarmee gedrag afdwingen. En op die manier kan men de bevolking volledig op afstand besturen.

Door het beheersen van de verkeersstromen kan men vervoer rantsoeneren. Door het beheersen van distributie kan men voedselvoorziening rantsoeneren. Door het beheersen van de mediakanalen kan men informatie rantsoeneren. Door het beheersen van telecommunicatie kan men onderling contact rantsoeneren, of, als dat uitkomt, onmogelijk maken. Door het beheersen van de internetinfrastructuur kan men kennis censureren. Zodra het de elite uitkomt. Zodra de tijd rijp is.

De laatste en beslissende stap, zal volledig elektronisch geld zijn. Daarmee kan het koopgedrag (en dus de toegang tot levensbehoeften) van iedereen op individueel niveau gereguleerd worden. Wie niet feilloos gehoorzaamt, wordt uitgesloten.

De hele samenleving is gebaseerd op elektronische communicatie en andere technologie. En omdat het volk daarvan afhankelijk geworden is en in fysieke verdeeldheid leeft, kan met één druk op de knop het risico op verbondenheid en opstanden geminimaliseerd worden, en kan met één druk op de knop de toegang tot de basisbehoeften (individueel of collectief) gedirigeerd, geminimaliseerd of uitgesloten worden.

Maar daartoe zal pas besloten worden als het technologisch managementsysteem compleet is. En daaraan wordt gewerkt. Pas wanneer de elektronische dictatuur volledig waterdicht is, kan de knop om. Als iedere slaaf voortdurend en volledig geautomatiseerd kan worden gevolgd, en als ieders gedrag volledig in kaart gebracht is - als de technologische gevangenis geheel voltooid is - kan al die technologie, die door het volk in de loop der tijd omarmd is en waar het niet meer zonder kan, gebruikt worden waarvoor het is bedoeld: totale, risicoloze controle. Zonder enige inbreng van de bevolking. Met een computersysteem kan immers niet gediscussieerd worden. En pas dan zullen de investeringen worden terugverdiend.

Want dan is er geen enkele noodzaak meer om het volk te laten meedelen in de worst en komt alles ten goede aan de elite. Precies zoals altijd de bedoeling was.