vrijdag 9 april 2010

'Complottheorie'


Mensen die op onderzoek uit gaan naar de werkelijke inrichting van de wereld van geld en macht, wordt vaak verweten bezig te zijn met ‘complottheorieën’. Maar is dat wel zo?

Wat is een theorie?

Van Dale:

The-o-rie: 0.2 systeem van denkbeelden of hypothesen ter verklaring van iets ~ 0.3 opvatting in het abstracte, die geen rekening houdt met de praktijk

In deze definitie staat zowel het doel van een theorie, als de manier waarop dat doel bereikt wordt. Het doel is het verklaren van iets, en dat doel wordt bereikt door middel van abstractie, niet rekening houdend met de praktijk.


Eigenlijk is een theorie daarmee een geloof. Een geloof wil – net als een theorie - iets verklaren zonder rekening te houden met de praktijk.

Als je iets wil verklaren terwijl je wel rekening houdt met de praktijk, dan zul je die praktijk moeten kennen en dus moeten onderzoeken. Door het onderzoeken van de praktijk, kom je dan tot een verklaring.

Als je dus wil weten hoe iets werkt, dan kun je twee dingen doen: je kunt geloven dat je weet hoe het werkt, dan heb je een theorie en dan hou je geen rekening met de praktijk, of je kunt onderzoeken hoe iets werkt, en dan hou je wel rekening met de praktijk.

Een voorbeeld:

Als je wil weten hoe een auto werkt, dan zou je kunnen stellen dat een auto wordt voortbewogen door een geest die erin huist. Deze geest drinkt benzine. Dat is een theorie, en je kunt in deze theorie geloven, of niet. Maar of je er wel of niet in gelooft: het zegt in beide gevallen niets over de praktijk (hoe een auto werkt). Je verklaart iets zonder rekening te houden met de praktijk. Je hebt een theorie.

Als je werkelijk, rekening houdend met de praktijk, wil weten hoe een auto werkt, dan kun je die werking ook onderzoeken. Je kunt hem bijvoorbeeld uit elkaar halen, en van elk onderdeel de functie en werking proberen te begrijpen. En je kunt proberen in te zien welke bijdrage elk onderdeel levert aan het functioneren van het geheel: de auto. Als je dat van elk onderdeel begrijpt, en je weet wat de plaats is van dat onderdeel en waarom, dan begrijp je de werking van de auto.

Nu heb je wel rekening gehouden met de praktijk, en is jouw kennis van die praktijk niet langer een theorie, maar een weten. Je kunt dus zeggen: hoe meer onderzoek, hoe minder theorie.

Ook de mechanismen van macht en geld zijn te onderzoeken. En naarmate dat onderzoek vordert, ontstaat er een steeds completer beeld van de werking hiervan. Door dat onderzoek krijg je niet alleen meer begrip van de werking van de verschillende onderdelen (banken, corporaties, regeringen), maar ook meer begrip van het functioneren van het geheel: de werking van de mondiale machtsstructuur. Je onderzoekt de praktijk, en daarmee leer je die praktijk te begrijpen.


Het is daarom verbazingwekkend dat de mensen die anderen beschuldigen van het hebben van complottheorieën, zelf meestal geen enkel onderzoek hebben gedaan. Het zijn juist deze mensen (mensen die zelf niets onderzocht hebben) die geen andere keuze hebben dan terug te vallen op theorie/geloof. Het zijn juist deze mensen die geloven, in plaats van weten. Het zijn juist deze mensen die de (door de wereld van macht en geld zelf aangeboden) versies van de werking van de wereld geloven. Zonder rekening te houden met de praktijk.

Van Dale:

Com-plot: 0.1 kwaadaardige samenzwering tegen iemand of iets.

Sa-men-zwe-ren: 0.1 zich in het geheim met anderen verbinden om een ander nadeel te berokkenen (en er zelf voordeel bij te hebben - p.s.)

Samenzweren is daarmee het heimelijk ondernemen van iets dat in het belang is van de samenzweerders, ten koste van het belang van anderen. Het is voor het bestaan van een complot dus noodzakelijk dat er een tegengesteld belang bestaat. Als de samenzweerders hetzelfde belang zouden hebben als degenen tegen wie wordt samengezworen, dan zou een complot zinloos zijn. Complotten bestaan alleen omdat er verschillende belangen bestaan.

Het doel van een complot is dus het behartigen van een belang. Een belang dat niet -of minder goed- behartigd zou kunnen worden als dat behartigen openlijk zou gebeuren. Die heimelijkheid is noodzakelijk omdat het belang tegengesteld is aan het belang van anderen. Als dat belang openlijk behartigd zou worden, dan zou dat op weerstand stuiten van de mensen met het tegengestelde belang. Daarom is dat belang beter te behartigen als je het stiekem doet.

Het ontkennen van het bestaan van complotten zou dus inhouden, het ontkennen van het bestaan van verschillende belangen, en het ontkennen van de mogelijkheid dat die belangen soms niet openlijk, maar heimelijk nagestreefd worden. Het zou inhouden dat je gelooft (er een theorie op nahoudt) dat iedereen open en eerlijk is.

Machthebbers hebben een tegengesteld belang ten opzichte van diegenen waarover ze macht willen hebben. Macht is het vermogen om anderen te laten doen wat jij wil. En daarmee kunnen die anderen dus niet meer doen wat ze zelf willen. De macht van de één, bestaat uit de onvrijheid van de anderen. De machthebber is gebaat bij onvrijheid van het volk, het volk is gebaat bij vrijheid. Een tegengesteld belang dus.

Als machthebbers dan weliswaar een ander belang hebben dan het volk, maar desondanks toch altijd eerlijk zouden zijn, dan zouden er geen complotten of samenzweringen bestaan. Voor diegenen die de eerlijkheid van machthebbers gaan onderzoeken, wordt echter al zeer snel duidelijk dat eerlijkheid niet direct het sterkste punt is van machthebbers. En dat is logisch.

Machthebbers hebben macht verworven. Ondanks het feit dat hun verworvenheid ten koste gaat van de bevolking. Het volk bestaat altijd uit een grote meerderheid ten opzichte van de machthebbers. Daarmee is de enige mogelijkheid om de vrijheid van de bevolking af te nemen, dat te doen via list en bedrog. Uit vrije wil komt het volk haar vrijheid namelijk niet inleveren.
Het bestaan van macht (en de daaruit voortvloeiende onvrijheid) is daarmee het bewijs van het bestaan van complotten. Zonder complot (stiekeme belangenbehartiging) komen machthebbers simpelweg niet aan de macht.

Het ontkennen van het bestaan van complotten kan dus alleen op basis van ontkennen van het bestaan van verschillende belangen en het ontkennen van het bestaan van oneerlijkheid. Het ontkennen van het bestaan van complotten houdt geen rekening met de praktijk. Het ontkennen van het bestaan van complotten is daarmee een geloof. Een theorie.

En daarmee zijn degenen die het bestaan van complotten ontkennen, en geen rekening houden met de praktijk, de werkelijke theoretici. Het zijn ‘niet-complottheoretici’.
Degenen die de wereld van macht en geld werkelijk onderzoeken, en die wel rekening houden met de praktijk, zijn daarmee geen theoretici, maar kenners: ‘complotkenners’.

donderdag 1 april 2010

Waarheid, vrijheid


Een tijdje geleden schreef ik een stukje over waarheid. Dat maakte nogal wat los. Uiteindelijk leidde dat tot een discussie over het wel of niet bestaan van de waarheid. Is de waarheid objectief of subjectief?

Nou bestaan er natuurlijk percepties over de waarheid. Ieders beeld van de waarheid is anders. Maar komt dat door subjectiviteit?

Vaak wordt over het begrip waarheid nogal gewichtig gedaan. De waarheid als een soort van heilige graal, waarin je wel of niet kunt geloven. Maar volgens mij is het veel eenvoudiger: de waarheid is niet meer dan een verzamelnaam. Een verzamelnaam voor alles dat niet onwaar is.

Je hoeft dus niet de hele waarheid te kennen om te weten dat de waarheid bestaat.

Een boer die nooit zijn geboortedorp uit geweest is, kan niet zeggen dat hij de wereld kent. Maar dat de wereld bestaat, dat weet hij wel. Hij staat er immers elke dag met zijn klompen bovenop. Hij kent een stukje van de wereld. Zelfs de grootste wereldreiziger zal niet kunnen beweren dat hij de wereld helemaal kent. Maar hij heeft er wel meer kennis van dan iemand die altijd thuis blijft.

Kennis is de sleutel tot waarheid. Tot objectieve waarheid. Subjectieve waarheid bestaat namelijk niet. Daarvoor bestaat een ander woord: geloof.

Om een simpel voorbeeld te geven:

Je hebt zin in een tweedehandsje. Je gaat naar de plaatselijke autoboer. De man in het mooie pak zegt: ‘Een prima karretje meneer/mevrouw!’

Je kunt nu twee dingen doen:

1- Je kunt de man geloven, en hem je geld overhandigen.
2- Je kunt zelf onder de auto kruipen.

Je kiest voor dat laatste: je kruipt eronder en vindt uit dat de bodem van het ding volledig verrot is. Je hebt nu kennis van de waarheid over die auto. Namelijk: hij is verrot. Dat is de waarheid.

De verkoper kan nu zijn meest betrouwbare blik opzetten, en een nog mooier pak aantrekken, maar hij kan je niet meer manipuleren. Jouw kennis van de waarheid maakt je onmanipuleerbaar. De verkoper heeft geen macht meer over jou. Macht die hij wel zou hebben als je hem geloofd had. Hij had dan de macht om je geld af te nemen in ruil voor een waardeloos product.

Als je hem geloofd zou hebben dan zou jouw beeld van de waarheid bestaan uit een aanname. Het zou een subjectieve waarheid zijn. Een waarheid zonder kennis. Geloof. Kennis maakt dat je niet manipuleerbaar bent, geloof maakt dat je juist wel manipuleerbaar bent. En daarmee staan kennis (objectieve waarheid) en geloof (subjectieve waarheid) haaks op elkaar.

Kennis = macht. De waarheid zal je bevrijden. Bevrijden van de manipulatieve kracht van onwaarheid. Kennis van de waarheid maakt je onmanipuleerbaar, en laat je de macht over jezelf behouden.

Nou is de waarheid over een auto natuurlijk maar een heel klein stukje van de hele waarheid. Maar over alles bestaat een waarheid. Ook al kennen we niet al die stukjes, ze bestaan wel, en allemaal samen vormen ze een geheel: de waarheid.

Omdat het voor een mens onmogelijk is om alle stukjes waarheid te kennen (daarvoor is een mens te beperkt), kent iedereen maar een beperkt gedeelte ervan. Om die reden heeft iedereen een ander beeld van de waarheid als geheel. Net zoals iedereen een ander beeld heeft van de wereld. Een ander perspectief. Een incompleet beeld. Maar dat maakt de waarheid niet subjectief.

Een Keniaan heeft een ander beeld van de wereld dan een Zweed. Maar allebei weten ze dat de wereld bestaat. De Zweed kan geloven dat het in Kenia sneeuwt. De Keniaan kan geloven dat in Zweden altijd de zon schijnt. Maar dat geloof staat in geen enkele relatie tot de waarheid. Ze weten het niet zolang ze er geen kennis over hebben. De enige ware bewering die ze dan kunnen doen is: ‘Ik weet het niet’.

Subjectieve waarheid is de verzamelnaam voor zaken die we voor waar aannemen. Aannames die niet zijn gebaseerd op kennis maar op geloof. En geloof staat in geen enkele verhouding tot de waarheid. Als ik iets geloof, kan het net zo goed onwaar zijn. Als ik iets niet geloof, kan het net zo goed waar zijn. Geloof staat in geen enkele relatie tot de waarheid. Ze zijn elkaars tegenpolen.

Als je dus beweert dat de waarheid niet bestaat, dan kan er ook geen kennis bestaan. Waarvan zou je dan kennis kunnen hebben? Je kunt dan niets weten. Alleen geloven. Andersom, voor mensen die niets weten, die geen kennis hebben, kan het lijken of er geen waarheid bestaat. Dan blijft er maar één mogelijkheid over: de illusie te weten: geloven.

Omdat kennis van de waarheid ons onmanipuleerbaar maakt, is het voor diegenen die ons willen manipuleren dus noodzakelijk dat wij zo min mogelijk kennis van de waarheid hebben. Als de autohandelaar je ervan kan overtuigen dat het voor jou onmogelijk is om de auto te controleren - dat je daarvoor te dom of te beperkt bent - dan zit er niks anders op dan hem wel of niet te geloven. En dan ben je overgeleverd aan de manipulatievaardigheden van de verkoper. Hoe beter hij daarin is, hoe groter de kans dat je die auto koopt. Het geeft de verkoper macht.

Dat is de reden dat ons eeuwenlang verteld is dat wij niet bij machte zijn om de waarheid te kennen. Dat we als eenvoudige stervelingen te dom en te beperkt zijn om iets van de waarheid te kennen. Dat er voor ons niks anders op zit dan te geloven, als we een beeld van de werkelijkheid willen hebben.

Machthebbers hebben deze strategie altijd bewandeld en zullen dit altijd blijven doen. Ze kunnen niet anders. De kerk heeft ons eeuwenlang ingewreven dat we eenvoudige zondaars zijn, regeringen hebben ons altijd verteld dat we zelf niet kunnen weten hoe we moeten leven. En de oplossing was altijd: geloof ons! Het is hun enige manier om ons te kunnen manipuleren.

Het is er zo ingehamerd dat we zijn gaan twijfelen aan het bestaan van de waarheid. We zijn zo vaak gedesillusioneerd geraakt, nadat we voor de zoveelste keer iets voor waar hebben aangenomen dat achteraf niet waar blijkt te zijn, dat we de moed opgegeven hebben. Dat we denken dat de waarheid niet bestaat. En als we daar eenmaal van overtuigd zijn, dan zijn we een speelbal voor elke manipulatie. Zowel van buitenaf als van binnenuit. Als de waarheid niet bestaat, dan kunnen we immers zelf alles invullen of in laten vullen. Zoals het ons (of de machthebber) het beste uit lijkt te komen.

Geloof geeft de illusie van kennis. Maar het is nepkennis gebaseerd op nepwaarheid. Gevaarlijke nepkennis. Het kan ons verleiden tot de meest verschrikkelijk daden. Daden tegen anderen en daden tegen onszelf. ‘Wir haben es nicht gewusst’. Oftewel: we hadden geen kennis. Geen kennis van de waarheid. We geloofden. En we namen het voor de waarheid aan.

Als het wel ‘gewusst’ hadden, dan waren we er niet ingetrapt en hadden we onze medewerking niet verleend.

Als we dus niet manipuleerbaar willen zijn, als we de macht over onszelf willen behouden, dan zit er niets anders op dan te stoppen met geloven. En voortaan alleen onze medewerking te geven op basis van kennis. Kennis van de waarheid. De objectieve waarheid. Want subjectieve waarheid is geen waarheid. Het is nepwaarheid: geloof.

Uiteraard kost het vergaren van kennis van de waarheid meer inspanning dan geloven. En soms kun je een vergissing begaan. Maar een vergissing kun je corrigeren. Soms kun je inderdaad niet bij machte zijn om de benodigde kennis te verkrijgen (hoewel dat vaak veel gemakkelijker is dan het lijkt), maar in dat geval is de enige waarheid: ‘ik weet het (nog) niet’.

Inderdaad meer inspannend dan geloven, maar de beloning voor die inspanning is oneindig. De beloning is absolute vrijheid.




donderdag 18 maart 2010

Anarchisme


Van Dale:

an-ar-chis-me (het) 0.1 leer die alle staatsgezag afwijst.

Tegenstanders van het anarchistische idee schermen altijd met de menselijke natuur. De mens is net zo inherent een kuddedier als wolven, herten en chimpansees inherent sociale en in groepen levende dieren zijn. Het hoort bij de soort. En die groepen, roedels, kudden en troepen hebben een sociale structuur nodig. En die structuur is altijd hiërarchisch. Zonder leiderschap functioneert geen enkele groep. Deze overweging zou anarchie dus tot een utopisch idee maken.

Maar degenen die dit verkondigen gaan voorbij aan een belangrijk punt: anarchie betekent letterlijk: zonder heerser. Niet zonder leider. En daar zit hem de crux. Er is een verschil tussen leiderschap en macht.

Het idee van leiderschap gaat weliswaar uit van een hiërarchisch systeem, maar die hiërarchie is gebaseerd op verantwoordelijkheid. Het individu geeft een deel van zijn verantwoordelijkheid aan een leider, en die leider neemt de verantwoordelijkheid voor de groep individuen. Het idee gaat er dus van uit dat de leider in staat is om die verantwoordelijk te dragen.

De leider kan die verantwoordelijkheid alleen dragen als hij weet wat er van hem verlangd wordt. En dat kan hij alleen weten als hij de benodigde informatie heeft. Dat wil dus zeggen dat de leden van de groep de leider informeren over wat hun wensen en behoeften zijn. Pas dan kan een goede leider namens de groep handelen en spreken.

De leider kan dus alleen leider zijn als hij de leden van de groep kent. En daarmee bedoel ik: persoonlijk kent. Hoe kan hij verantwoordelijkheid nemen voor iemand die hij nooit ontmoet of gesproken heeft? Hoe kan hij weten wat zijn wensen en behoeften zijn? Hoe kan hij verantwoordelijkheid dragen voor iemand van wie hij niet eens weet dat hij bestaat? En ook: hoe kan een individu zijn verantwoordelijkheid afstaan aan een leider die hij nooit ontmoet of gesproken heeft?

En dat is precies het punt waarop leiderschap overgaat in macht. Als dat gebeurt kan een leider (nu machthebber) alleen terugvallen op een soort van abstracte ethiek. Een vorm van geconstrueerd idealisme. Een opgelegd of aangepraat idealisme (zoals bijvoorbeeld democratie) dat het volk moet ‘verbinden’. Een collectieve (in tegenstelling tot individuele) identiteit met daaraan gekoppeld een perceptie van een collectief ‘belang’ die de positie van de machthebber moeten rechtvaardigen. Ik zeg met nadruk positie, omdat de taak van leidinggeven nu veranderd is in een positie. Het zijn nu niet meer de vaardigheden van de leider die hem tot leider maken, maar het is zijn positie die dat doet.

Zijn leiderschap bestaat nu niet langer uit het nemen van verantwoordelijkheid voor de groep -verantwoordelijkheid die de leden vrijwillig afstaan aan de leider - maar zijn macht wordt nu gevoed door het afnemen van verantwoordelijkheid van de leden. De positie wordt nu gebruikt om individuele verantwoordelijkheid, en daarmee vrijheid, af te nemen van de groepsleden. En door dat afnemen van vrijheid centraliseert de macht van de machthebber.

Centralisatie van macht is exact hetzelfde als toename van macht. De macht van een machthebber kan namelijk maar op twee manieren toenemen: door macht veroveren op een andere machthebber, of door vrijheid ( = macht van het individu over zichzelf) af te nemen van de bevolking. In beide gevallen leidt dat tot afname van de spreiding van macht, tot centralisatie, en dus tot toename van macht.

Het idee van leiderschap is gebaseerd op bescherming van de leden van de groep. Bescherming tegen alle mogelijke bedreigingen van buitenaf. Op het moment dat leiderschap verandert in macht, draait dit principe 180 graden om. Het is nu niet meer de bedreiging van buitenaf waartegen de bevolking beschermd moet worden, maar het is de macht zelf die de bedreiging vormt. Dat kan zijn in de vorm van tirannie van de machthebber over de bevolking, of door de aantrekkelijkheid van zijn macht voor andere machthebbers, die vervolgens die macht zullen proberen te veroveren. En dat gaat altijd ten koste van de bevolking.

Daarmee staan leiderschap en macht haaks op elkaar. Leiderschap biedt bescherming, macht vormt een bedreiging. Toch zal een machthebber altijd de illusie proberen te wekken dat hij er wel degelijk zit om het volk te beschermen. En daarvoor zal hij altijd gebruik maken van zijn meest effectieve gereedschap: angst.

Iedere machthebber zal voorwenden dat hij er is om te zorgen voor veiligheid en gezondheid van de bevolking. Om de impact hiervan te optimaliseren zal hij dan ook voortdurend de perceptie van onveiligheid en ongezondheid moeten stimuleren. Pas dan kan hij maatregelen acceptabel maken. Maatregelen die altijd de vrijheid van de bevolking beperken, en daarmee de macht van de machthebber vergroten. Iedere maatschappelijke imperfectie zal hij uitvergroten of erger nog: zelf tot stand brengen.

De natuurlijke reactie van de bevolking is dan ook angst, en dat zal de volgende stap richting het ‘perfectioneren’ van de samenleving rechtvaardigen. Het idee van de haalbaarheid van een perfecte samenleving is daarmee een door de machthebber gecreëerde illusie. En die illusie is in zijn voordeel, want iedere stap richting perfectie, is en stap richting uniformiteit. De perfecte samenleving, zonder onveiligheid, zonder ongezondheid, kan niet anders zijn dan eenvormig. Dat wil zeggen dat iedereen zich zal moeten conformeren aan dat doel; het individu kan immers geen voorstander van onveiligheid of ongezondheid zijn. De ultieme perfectie is alleen te bereiken door ultieme onvrijheid.

Maar die perfectie zal nooit bereikt worden. In tegendeel. Dat komt omdat die perfectie niet bestaat, en ook niet kan worden toegestaan. De machthebber zou namelijk zichzelf overbodig maken als die toestand eenmaal bereikt is. En dat is het laatste dat hij wil. Het is dus in werkelijkheid niet perfectie waarnaar hij streeft. Het is alleen de perceptie van imperfectie die hij gebruikt om de bevolking vrijwillig haar vrijheden af te laten staan, en daarmee zijn macht te laten groeien, te centraliseren.

Zoals Aldous Huxley schrijft in het voorwoord van zijn meesterwerk Brave New World (het is dat ik niet van verplichting hou, maar het zou eigenlijk verplichte kost voor iedereen moeten zijn):
Alleen een grootschalige volksbeweging naar decentralisatie en eigen beheer kan de huidige tendens naar dirigisme stoppen.(….) Het is een feit dat, tenzij we voor decentralisatie kiezen (…) we slechts twee alternatieven hebben om uit te kiezen: hetzij een aantal nationale gemilitariseerde totalitaire systemen (…) of één supranationaal totalitair systeem, in het leven geroepen door maatschappelijke chaos (…).

Let wel, hij schreef dit in 1946, naar aanleiding van de heruitgave van zijn boek uit 1932.

Ook hieruit blijkt dat machthebbers (in scherp contrast tot wat ze beweren) er altijd op uit zijn om chaos te creëren. Chaos die moet leiden tot acceptatie van maatregelen die ‘verbetering’ zouden moeten brengen, maar die altijd de vrijheid van de bevolking afnemen. En daarmee is het niet alleen haar vrijheid die de bevolking verliest, maar wordt diezelfde bevolking ook nog eens doelbewust blootgesteld aan een keur van verschrikkingen die vervolgens de acceptatie van vrijheidsbeperkende, en dus machtvoedende maatregelen moeten bevorderen.

Kort gezegd: de hang naar perfectie (of zelfs ‘verbetering’) leidt tot essentieel lijden van de bevolking, op ieder denkbaar gebied.

Wanneer de werking van dit mechanisme zou doordringen tot de bevolking, dan zou men gaan inzien dat het noodzakelijk is om imperfectie te omarmen. Om waarde te hechten aan een mate van onveiligheid en ongezondheid. Om ervan te houden. Onveiligheid en ongezondheid die nou eenmaal bij het leven horen. En die een voorwaarde zijn voor vrijheid.

Dan zou de bevolking herkennen dat iedere door de machthebber aangedragen maatregel ter bevordering van veiligheid of gezondheid, zal leiden tot meer macht van de machthebber, en dus juist tot meer onveiligheid, ongezondheid, en ook nog eens tot onvrijheid. Machthebbers geven helemaal niets om veiligheid of gezondheid van het volk. De enige drijfveer om er voortdurend mee te schermen, is de toename van hun eigen macht.

Natuurlijk zijn wij kuddedieren. Kuddedieren die net als wolven, herten en chimpansees instinctief een hiërarchische groepsvorm kiezen. Leiderschap is daarmee iets dat bij onze soort past. Maar wel leiderschap gebaseerd op verantwoordelijkheid, zowel van de leider als van het individu. Wolven, herten en chimpansees leven niet in groepen van tientallen miljoenen, centraal bestuurd door één of enkele wolven, herten of chimpansees. In iedere groep kent ieder individu de leider, en kent de leider ieder individu. Dat is de natuurlijke sociale structuur bij deze dieren. Net zoals dat de natuurlijke sociale structuur bij mensen is.

Decentralisatie is daarmee dus de enig mogelijke oplossing om ons uit de ellende te halen en te houden. Terug naar kleine leefgemeenschappen waarin de leider de groepsleden persoonlijk kent, en de groepsleden de leider persoonlijk kennen. Zodra de hiërarchische schaal zodanig groot wordt dat er geen persoonlijke band meer is tussen de leider en de individuen van de groep, zouden de alarmbellen moeten afgaan. Dan zouden de groepsleden hun verantwoordelijkheid moeten nemen, en het vertrouwen in de leider (die nu dus machthebber is) moeten opzeggen. Dat zal de enig haalbare, echte bescherming opleveren die mogelijk is. Pas dan kunnen we genieten van zowel de vrijheden als de imperfecties die het leven biedt. Zonder heerser. Anarchistisch.

donderdag 4 maart 2010

De machtspiramide vanuit een ander perspectief


We schoppen met regelmaat tegen die vermaledijde elite. Ik ook. En terecht. Het zijn de regeringen die ons knechten. Of de corporaties. Of de banken. Of allemaal.

Vaak krijg ik de vraag: wie zijn nou degenen die de elite vormen? Zijn het de regeringen? Zijn het de banken? En als het de banken zijn, welke banken dan? En wie zijn dan die bankiers die de dienst uitmaken?

Allemaal vragen die uitgaan van ons perspectief in de machtspiramide. En dat perspectief is: van onderaf. Want dat is waar wij (het ‘gewone’ volk) ons bevinden. Onder aan de voet, in het breedste compartiment van de machtspiramide. En als we naar boven kijken dan zien we inderdaad machtsentiteiten boven ons staan. Machtsentiteiten als banken, corporaties en overheden. En dan wordt het moeilijk om de boosdoeners aan te wijzen. Want die banken bestaan toch echt? En die regeringen toch ook?

Inderdaad, maar alleen vanuit ons perspectief. Vanaf de bodem van de piramide. Van bovenaf ziet het er heel anders uit.

Dus: laten we het eens omdraaien, en de piramide bekijken vanuit de top. Vanuit de absolute top naar beneden. Vanuit het perspectief van het handjevol topmachthebbers in het bovenste compartiment van de machtspiramide. En dan ziet die piramide er ineens heel anders uit. Het enige dat we dan zien is alles dat er zich onder ons bevindt.

En over alles dat zich daar bevindt, hebben we een zekere mate van controle. En ons enige doel is: meer controle. Meer controle over de piramide, maar vooral: meer controle over de voet van de piramide, want daarin bevindt zich het volk dat al onze rijkdom bij elkaar brengt door te werken. En daar bevindt zich ook de grootste massa, en die massa is vanwege haar aantallen nogal gevaarlijk, en die moeten we dus in toom houden. Dat is de echte uitdaging: meer rendement (rijkdom voor ons) en minder risico. Maar daar zit ook de echte moeilijkheid.

De compartimenten beneden ons in de piramide zijn gemakkelijk te controleren. De mensen in de compartimenten onder ons, zijn door ons toegelaten in hoge machtsposities. De beloningen daarvoor zijn zo groot, dat die mensen ze nooit op het spel zullen zetten. Ze zullen altijd gehoorzamen aan ons.

Maar ook verder naar beneden is het niet moeilijk om de boel onder controle te houden. Iedere laag in de piramide gehoorzaamt aan de laag daarboven, en heeft autoriteit over de laag daaronder. Net zoals dat gaat in een groot bedrijf. Als de gehoorzaamheid naar boven ophoudt, vervalt de autoriteit naar beneden. En daarmee vervallen dan vanzelf de privileges die horen bij de positie in de betreffende laag, en tuimelt de persoon in kwestie helemaal terug naar de bodem van de piramide. Hoe hoger in de piramide, hoe groter de angst om te vallen.

Het enige probleem is daarmee de brede onderkant van de piramide. Daarin bevindt zich de overgrote meerderheid van het volk, en dat volk zit al aan de onderkant, en kan dus ook niet verder naar beneden vallen. Dat volk heeft geen privileges en ook geen autoriteit naar beneden. Er is geen beneden. En dat volk is daarom lastig in bedwang te houden. Dat werkt niet op dezelfde manier als het werkt bij de hogere compartimenten.

Daarvoor is dus een andere strategie nodig. Om het volk in bedwang te houden heb je gereedschappen nodig. En –hoe handig!- die gereedschappen vind je in de lagen van de piramide onder je. Daar vind je de mensen die je hebt toegelaten in hoge posities binnen de bancaire sector. En daar vind je de mensen die je hebt toegelaten in hoge posities binnen de politiek. En daar vind je de mensen die je hebt toegelaten in hoge posities binnen de corporaties. Allemaal mensen met autoriteit naar beneden. Zolang ze gehoorzamen aan jou natuurlijk. Anders kunnen ze hun spulletjes pakken en een baantje gaan zoeken.

En zo kun je die gereedschappen gebruiken om het volk te controleren en te sturen. Gereedschappen die voor het volk ‘banken’ zijn. Of ‘regeringen’ of ‘corporaties’, maar voor jou niets meer dan handige gereedschappen. Dingetjes om je doel te bereiken. En dat doel kan niets anders zijn dan meer controle, meer macht en meer opbrengst.

Dat kan niet anders om een heel simpele reden: de personen in het compartiment net onder jou, zijn door jou toegelaten in hoge machtsposities. Door die hoge posities is het voor hen niet moeilijk om meer macht te verkrijgen. En als jij niet streeft naar meer macht, dan zullen zij het doen. En dan zullen ze je inhalen en jouw positie innemen. Je kunt dus niet anders dan ze voorblijven, en daarmee ben je verplicht om je macht altijd te blijven uitbreiden. Macht over het enige dat telt: de opbrengst van het volk. Alle andere stappen in de piramide zijn er uitsluitend om dat voor elkaar te krijgen. Die stappen leveren op zichzelf niks op. Sterker nog: ze kosten geld. Het zijn alleen handige gereedschappen. Meer niet. Alleen, je moet je door die gereedschappen niet in je vingers laten snijden. Dat is alles.

Maar jij hebt een enorm voordeel ten opzichte van degenen in de compartimenten onder jou: waar al die compartimenten verantwoording naar boven af moeten leggen, hoef jij dat niet. Er is geen boven. En dat geeft je een stevige positie. Je hoeft maar één kant op te kijken. En daarmee heb je iets gemeen met de onderkant van de piramide: die hoeft ook maar één kant op te kijken. Er bestaat geen laag onder het volk, en het volk hoeft dus alleen naar boven te kijken. En daarmee bestaan er dus maar twee echte machtsblokken: jij, en het volk.

Het belangrijkste verschil is dat jij je macht kent, en het volk haar macht niet kent. En dat wil je vooral zo houden. Want als het volk zich bewust wordt van haar eigen macht en dus de autoriteit van boven niet meer accepteert, dan ben je verloren. Dan heb je niks meer aan je gereedschappen. Dan is het afgelopen met jou en je handlangers.

En dus zul je de hele piramide, met al je banken en je corporaties en je regeringen gebruiken om dat te voorkomen. Je zult voortdurend de indruk moeten wekken dat er voor het volk aan de onderkant van de piramide wel degelijk te vallen is. Dat, als ze niet gehoorzamen, ze naar beneden zullen kieperen. Maar dat kan natuurlijk niet echt, want ze staan al op de bodem.

Maar je gebruikt je banken om dingen te doen die de levensstandaard van het volk verlagen, en je gebruikt je andere speeltje, de regeringen, om de zogenaamde ‘redding’ te brengen. En zo kun je ze laten geloven dat ze wel degelijk kunnen vallen, en dat ze jou nodig hebben. En zo hou je ze in je macht.

Zo simpel is dat.

woensdag 3 maart 2010

Technologie



Je kunt allerlei verdelingen maken binnen de mensheid. De meeste zijn onzinnig en zijn gebaseerd op illusies. Maar de enige werkelijke verdeling is waarschijnlijk die tussen de machtselite en rest van de mensheid.

Vele eeuwen geleden heeft deze elite zich afgesplitst van de rest van de mensheid en vormt sindsdien (in toenemende mate) een subcultuur, of liever een supracultuur met een geheel eigen denkwijze en geheel eigen overtuigingen die van generatie op generatie doorgegeven worden. Een supracultuur waarbinnen men uitsluitend onderling verkeert en die gebaseerd is op de overtuiging van superioriteit ten opzichte van de rest van de mensheid. De mensheid die als hun bezit beschouwd wordt.

Een verdeling dus die al sinds mensenheugenis bestaat, en die, zoals het er nu uitziet, voorlopig niet zal ophouden te bestaan. Het is waarschijnlijk de enige verdeling die geen illusie is, maar die in alle tijden, op alle plaatsen en door alle onderdrukten aan den lijve ondervonden werd en wordt.

Het is een verdeling die gebaseerd is op een elementair verschil in belang. Twee verschillende belangen die haaks op elkaar staan en onverenigbaar zijn.

Het belang van de mensheid is niets anders dan te kunnen leven, en te voorzien in haar behoeften. En het belang van de elite is niets anders dan de rest van de mensheid zoveel mogelijk te exploiteren. Voor haar eigen macht en rijkdom. Om de mensheid zo volledig mogelijk uit te zuigen, zonder ook maar enig mededogen voor die mensheid. Of het nou leidt tot verschrikkingen als oorlog, armoede, verhongering en andere vormen van ellende, of tot massale sterfte: de geschiedenis leert dat het de elite letterlijk niets uitmaakt.

Het gaat maar om één ding: opbrengst.

In alle tijden heeft de elite altijd een maximalisatie van die opbrengst nagestreefd en in de loop der eeuwen is men daar steeds beter in geworden. Voortschrijdend inzicht, overgedragen van vader op zoon, kun je het noemen. Omdat het maximeren van de opbrengst haaks staat op het belang van de bevolking, heeft men altijd systemen nodig gehad om die bevolking te managen. Uit zichzelf zal de bevolking namelijk de vruchten van haar arbeid niet komen aanbieden aan de minieme minderheid waaruit die elite bestaat.

In de loop der tijd heeft men een groot aantal managementtechnieken uitgeprobeerd. Allemaal hadden ze dezelfde doelstelling: hoe kunnen we zo efficiënt mogelijk gebruik maken van de arbeid van de bevolking, en hoe kunnen we ervoor zorgen dat die arbeid ten goede komt aan ons, in plaats van aan de bevolking zelf? En, niet te vergeten: hoe voorkomen we dat de bevolking, die in aantallen veel groter en dus sterker is dan wij, in opstand komt?

Die elite heeft verschillende managementtechnieken uitgeprobeerd. Proefjes gedaan, zeg maar. Vergelijk het met de vroegere melkboer die een trekhond had om zijn melkkar voort te trekken. Die melkboer werd geconfronteerd met de vraag: hoe kan ik die hond zo efficiënt mogelijk laten lopen, zonder dat hij mij bijt? Hij kon er de zweep overheen halen, maar dat kostte hemzelf energie, en bovendien werd de hond vals, of op een moment zodanig murw geslagen dat hij niet meer liep. Vervolgens kwam de melkboer op het idee om de hond een worst voor te houden. Aan een hengel vanaf de kar. En hup, de hond ging lopen. Maar na een tijdje kreeg het beest in de gaten dat hij nooit bij de worst zou komen, en stopte met lopen. Pas toen de melkboer de hond af en toe een stukje worst gaf, bleef de hond lopen. De melkboer moest nu de meest efficiënte verhouding zien te vinden tussen beloning en prestatie. Hoe vaker hij een stukje worst gaf, hoe gemotiveerder de hond, hoe harder hij liep. Maar teveel worst verzadigde de hond, en dan hield hij op met lopen totdat hij weer trek kreeg. Weinig worst was natuurlijk voordeliger, maar hield ook in dat het uitgemergelde beest minder hard liep. En het uitproberen van verschillenden managementtechnieken leidde tot voortschrijdend inzicht, en dat inzicht leidde tot een optimale balans tussen de investering in worst, en de opbrengst van de hond. In alle gevallen echter, bleef de hond de slaaf van de melkboer.

Precies op deze manier heeft de elite steeds verfijndere managementtechnieken op de bevolking losgelaten. En dit alles met hetzelfde doel: een optimale opbrengst, en het beheersbaar houden van onvrede onder de bevolking. Oftewel: rijkdom en macht (controle).

Eerst in de vorm van ouderwetse slavernij. De zweep dus. Deze techniek is een langdurig succesnummer gebleken, totdat het voortschrijdend inzicht leidde tot een meer efficiënte techniek.

Zoals aan ieder managementsysteem, kleefde er aan ouderwetse slavernij een nadeel: de slaven waren eigendom, moesten dus gekocht worden, en daarom ook onderhouden worden. Anders gingen ze dood en verloor de slavenbezitter zijn investering. Bovendien werkten slaven niet erg efficiënt. Ze werden uitsluitend gedreven door de angst voor de zweep. Toen men dit nadeel begon in te zien, kwam men tot een meer efficiënt systeem: laat de slaven ‘vrij’ en laat ze voor zichzelf zorgen.

Om in hun levensonderhoud te voorzien waren de voormalige slaven verplicht om te gaan werken voor hun vroegere slavendrijvers. Elders was geen werk en viel er dus niks te verdienen. En van het geld dat ze verdienden, moesten ze nu hun eigen huisjes bouwen en hun eigen voedsel kopen. De voormalige slavendrijver merkte dat de voormalige slaven nu vanzelf harder gingen werken als hij ze minder betaalde. Ze moesten wel. En de oude slavendrijver was nu minder geld kwijt aan loon, dan hij vroeger kwijt was aan voedsel en onderdak voor zijn slaven. Bovendien was de opbrengst per slaaf nu veel groter dan voorheen, omdat de werknemers nu net zo hard werkten als nodig was om in hun eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Hoe minder hij ze betaalde, hoe harder ze moesten werken. Voortschrijdend inzicht. Managementtechniek.

Deze managementtechniek leidde tot de machtsverhouding werkgever/werknemer en dat resulteerde in de industriële revolutie. Die industriële revolutie leidde tot enorme armoede, honger en andere misstanden onder de bevolking. En tot gigantische rijkdom van de elite. Maar omdat de voormalige slaven iets meer vrijheid hadden dan ze hadden toen ze nog letterlijk slaaf waren, leidde dit tot opstanden en stakingen. Ze hadden dan weliswaar iets meer bewegingsvrijheid dan vroeger, maar ze wisten zelf verdomd goed dat ze niet vrij waren. Ze waren voor hun bestaan volledig overgeleverd aan de elite. Deze onvrede leidde tot risico’s en bovendien kostte het de elite veel energie en investeringen om het volk in bedwang te houden.

Dus probeerde men iets nieuws. Net zoals de melkboer met zijn hond, kwam de elite tot een inzicht: als we gewenst gedrag belonen met een groter deel van de worst, dan zal het volk zich zo gedragen als wij willen. En als we het volk laten geloven dat ze de vrijheid hebben om zichzelf te kunnen opwerken, en als we daarvoor extra beloning in het vooruitzicht stellen, dan gaat dat volk vanzelf harder werken. En hoewel het een investering vraagt, zal het uiteindelijk leiden tot een grotere opbrengst. Bovendien kunnen we het verkopen als een humanitaire omwenteling, en daarmee ons imago (want dat was nogal negatief) oppoetsen, en dat leidt weer tot minder problemen. Maar deze nieuwe managementtechniek was wel relatief duur. Om het volk rustig en gemotiveerd te houden, moest een relatief groot gedeelte van de winst geïnvesteerd worden in de bevolking. In de vorm van beloning.

Maar het enige criterium was en bleef het optimaliseren van de opbrengst van de arbeid van het volk. Opbrengst die uiteindelijk ten goede moest komen aan de elite. Net als bij een boer die merkt dat zijn vee meer opbrengt als hij het meer ruimte laat. En dat hij een hogere prijs krijgt voor sociaal acceptabel vlees. Maar het gaat uiteindelijk om de opbrengst. In honderd jaar tijd waren de geketende slaven van weleer, geworden tot ‘scharrelslaven’. Er was een balans gevonden tussen investering en opbrengst.

Maar de elite zou de elite niet zijn als ze hiermee genoegen nam. Ook nu was er sprake van voortschrijdend inzicht. Men kwam tot het inzicht dat mensen altijd zullen streven naar het voldoen aan hun behoeften. Daar is niets aan te doen. Die behoeften zijn niet weg te nemen of te beheersen. Dat inzicht leidde tot een nieuwe managementtechniek. En deze keer was de managementtechniek gebaseerd op technologie.
Men had al geleerd dat de behoeften van mensen weliswaar niet te veranderen zijn, maar dat het plaatsen van een managementtechniek tussen de mensen en hun behoeften zeer efficiënt werkte. Men had dat geleerd door ervaring met de meest efficiënte managementtechniek aller tijden: geld.

Voorheen waren kleine gemeenschappen volledig zelfvoorzienend. Binnen de gemeenschap werd alles geproduceerd dat nodig was. Via ruilen kon vrijwel iedereen aan zijn behoeften voldoen. Door het plaatsen van de technologie geld tussen de mensen en hun behoeften, kreeg de elite veel meer controle over het volk. De behoeften waren weliswaar niet te beheersen, maar de tussenstap geld was wel beheersbaar. En daarmee was het volk prima te sturen.

Daarnaast werd binnen de traditionele gemeenschap ook voorzien in niet-materiële behoeften. De behoefte aan menselijk contact en communicatie bijvoorbeeld. Aan familiebanden en banden met vrienden. En door dat directe menselijk contact werd ook voorzien in de behoefte aan informatie en kennis.

Gesterkt door haar ervaring met het managementgereedschap geld, besloot de elite dat het zinvol was om op zoveel mogelijk gebieden een technologische tussenstap te plaatsen tussen de mensen en hun behoeften. Een technologische tussenstap die door de elite beheerst zou worden en daarmee een gereedschap zou vormen om de bevolking te sturen, zonder al die dure investeringen in beloning en (relatieve) vrijheid voor het volk. Volk dat als eigendom van de elite beschouwd werd en wordt.

Het ontwikkelen van deze technologieën zou men overlaten aan het bedrijfsleven. En daarvoor was kapitaal nodig. Het kwam daarom goed uit dat de elite de volledige beheersing had over de kapitaalmarkt. Zo kon men beslissen over welke nieuwe technologie gefinancierd zou worden en welke niet, en daarmee over welke technologie ontwikkeld zou worden en welke niet. En uiteraard werden uitsluitend die technologieën gefinancierd die zouden leiden tot meer controle over de bevolking.

Natuurlijk zouden die nieuwe technologieën omarmd (en betaald) moeten worden door de bevolking. Het volk zou van elke nieuwe technologie het ‘voordeel’ moeten ervaren. En dat was niet moeilijk omdat het steeds ging om technologie die het voldoen aan menselijke behoeften gemakkelijker toegankelijk maakte. Maar het volk had niet in de gaten dat diezelfde technologieën beheerst werden door de elite en dat het volk daarmee de toegang tot het voldoen aan hun behoeften uit handen gaf aan die elite. En dat dit de werkelijke reden was van het beschikbaar komen van die technologieën.

Eén van die technologieën waarin geïnvesteerd werd was de telefoon. Toen de radio, de bioscoop, de televisie, de auto, voedseldistributie via gemotoriseerd verkeer, het internet etc.

Het was voor mensen niet langer noodzakelijk om in gemeenschappen bij elkaar te wonen om aan hun behoefte aan voedsel, contact en communicatie te voldoen. Of om zelfvoorzienend te zijn. En de maatschappij werd daarnaar ingericht. Wonen en werken werden uit elkaar gehaald: de technologie auto werd er tussen geplaatst.  Sociale contacten en informatievoorziening verliepen steeds meer op afstand: de technologie elektronische communicatie werd ertussen geplaatst. Gebieden en landen werden economische monoculturen: de technologie distributie werd er tussen geplaatst. Enzovoort.

En om in de dagelijkse behoeften te voorzien werd het volk afhankelijk van die technologieën. Distributie en vervoer, televisie, telefoon en internet werden noodzakelijk. Tussen de mensen en vrijwel iedere menselijke behoefte was nu een door de elite beheerste technologie geplaatst.

En nu het plan klaar is, en de hele maatschappij ernaar ingericht is, kan men via de gecontroleerde technologieën de toegang tot het voldoen aan menselijke behoeften gaan rantsoeneren en daarmee gedrag afdwingen. En op die manier kan men de bevolking volledig op afstand besturen.

Door het beheersen van de verkeersstromen kan men vervoer rantsoeneren. Door het beheersen van distributie kan men voedselvoorziening rantsoeneren. Door het beheersen van de mediakanalen kan men informatie rantsoeneren. Door het beheersen van telecommunicatie kan men onderling contact rantsoeneren, of, als dat uitkomt, onmogelijk maken. Door het beheersen van de internetinfrastructuur kan men kennis censureren. Zodra het de elite uitkomt. Zodra de tijd rijp is.

De laatste en beslissende stap, zal volledig elektronisch geld zijn. Daarmee kan het koopgedrag (en dus de toegang tot levensbehoeften) van iedereen op individueel niveau gereguleerd worden. Wie niet feilloos gehoorzaamt, wordt uitgesloten.

De hele samenleving is gebaseerd op elektronische communicatie en andere technologie. En omdat het volk daarvan afhankelijk geworden is en in fysieke verdeeldheid leeft, kan met één druk op de knop het risico op verbondenheid en opstanden geminimaliseerd worden, en kan met één druk op de knop de toegang tot de basisbehoeften (individueel of collectief) gedirigeerd, geminimaliseerd of uitgesloten worden.

Maar daartoe zal pas besloten worden als het technologisch managementsysteem compleet is. En daaraan wordt gewerkt. Pas wanneer de elektronische dictatuur volledig waterdicht is, kan de knop om. Als iedere slaaf voortdurend en volledig geautomatiseerd kan worden gevolgd, en als ieders gedrag volledig in kaart gebracht is - als de technologische gevangenis geheel voltooid is - kan al die technologie, die door het volk in de loop der tijd omarmd is en waar het niet meer zonder kan, gebruikt worden waarvoor het is bedoeld: totale, risicoloze controle. Zonder enige inbreng van de bevolking. Met een computersysteem kan immers niet gediscussieerd worden. En pas dan zullen de investeringen worden terugverdiend.

Want dan is er geen enkele noodzaak meer om het volk te laten meedelen in de worst en komt alles ten goede aan de elite. Precies zoals altijd de bedoeling was.

donderdag 25 februari 2010

De smid, de koning en de hofman




Geen sprookje.



Er was eens een land, lang, lang geleden.
De mensen woonden er en ze werkten er om te kunnen leven. De één verbouwde graan, de ander aardappelen, een derde maakte dakpannen. Of iets anders. Zo deed iedereen wat hij het beste kon.
Maar soms wilde de aardappelboer wel eens wat anders eten dan aardappelen. Altijd aardappelen werd maar saai. Dus ruilde hij dan een zak aardappelen voor graan. Om brood te maken. En andersom ruilde de graanboer soms een zak graan voor aardappelen.
Op een dag liep de aardappelboer met een zak piepers op zijn schouder naar de graanboer om een nieuwe voorraad in te slaan. Maar de graanboer zei: “Sorry hoor, maar ik stik zowat in de aardappelen, ik heb er echt geen meer nodig”.
Waarop de aardappelboer geschrokken zei: “Maar ik heb wel echt graan nodig!”
“Heb je dan niks anders dan, waar ik iets aan heb”? zei de graanboer.
De aardappelboer dacht na en zei:“Nou, misschien heb je iets aan wat stukjes goud, daar heb ik er wel een paar van”.
En zo werd de aardappelboer alsnog eigenaar van het graan.
De graanboer, op zijn beurt, ruilde de stukjes goud voor een stapeltje dakpannen om zijn dak te reparen na de laatste storm. En de dakpannenboer ruilde ze voor een nieuwe jas. En zo gingen de stukjes goud van hand tot hand.
Al snel begreep iedereen die wat goud had liggen, dat je het kon ruilen tegen wat je maar wilde. Het werd een soort van rage. En het duurde niet lang voordat iedereen goud wilde hebben. Zo ruilde de kleermaker maar al te graag zijn kleding voor goud, en ook de slager ruilde zijn vlees voor goud. En op hun beurt ruilden ze het goud weer voor datgene waar ze behoefte aan hadden, of zelfs maar zin in hadden. Goud gaf ze vrijheid. Vrijheid om te kiezen. Iedereen was blij.

In het zuiden van het land woonde een jongeman. Zijn vader was aardappelboer. Maar het boerenleven trok hem niet. Dat geploeter en gewroet in de klei. Niks voor hem.
Op een dag hoorde hij dat er in het noorden veel minder aardappelen groeiden dan in het zuiden, waar hij woonde. Daar in het noorden groeide voornamelijk graan. Maar de mensen in het noorden aten wel graag aardappelen. Hij hoorde dat de mensen daar wel twee stukjes goud over hadden voor een zak aardappelen. Terwijl een zak hier in het zuiden maar één stukje goud kostte.
Slim als hij was, kocht hij van zijn vader twee zakken aardappelen, samen voor twee stukjes goud. En hij reisde af naar het noorden. Daar verkocht hij de zakken voor samen vier stukjes goud. Toen hij in het noorden was, merkte hij dat daar een zak graan maar één stukje goud kostte, terwijl dat in het zuiden (waar voornamelijk aardappelen groeiden) twee stukjes opbracht. Dus ruilde hij zijn vier stukjes goud voor vier zakken graan en keerde terug naar het zuiden. Daar verkocht hij het graan voor twee stukjes per zak. Nu had hij dus 8 stukjes goud. Omdat hij met twee stukjes begonnen was, had hij dus zes stukjes gewonnen. Alleen maar door een keer op en neer te reizen. Zonder geploeter en gewroet in de klei. Dus reisde hij nog eens. En nog eens, en nog eens. Hij noemde zich nu ”handelaar”.
Maar na verloop van tijd werd de handelaar het voortdurend op en neer reizen een beetje moe. Bovendien begon de voorraad goud, die hij onder zijn matras verstopte, steeds verder te groeien. Iedere keer als hij op reis ging, werd hij banger dat iemand het in zijn afwezigheid zou stelen, en als hij thuis was lag hij niet lekker in zijn bed vanwege die bult onder het matras. Nadenkend over dit probleem kwam hij op een idee.
Hij had een buurjongen, een slungelig typ dat de hele dag weinig uitvrat maar wel graag goud uitgaf aan allerlei onzinnige dingen. Dus vroeg hij aan die buurjongen of hij misschien wat goud wilde verdienen. Nou, dat wilde hij wel. En hij stuurde die buurjongen op reis. Voor iedere reis betaalde hij hem een stukje goud. Omdat iedere reis zes stukjes opleverde, werd de handelaar per reis van de buurjongen 5 stukjes rijker. “Ik ben slim!” dacht de handelaar.
Al snel belden er allerlei jongens aan bij de handelaar. Of ze ook voor hem mochten reizen. Ook zij wilden wel wat goud verdienen. En binnen de kortste keren had de handelaar een hele groep jongens en soms ook meisjes voor hem werken. En zijn berg goud groeide. Maar ook zijn angst dat het gestolen zou worden evenals zijn rugpijn van het slapen op die bult goud.

Ook nu kreeg de handelaar een idee. Daar was hij altijd al goed in geweest. De volgende ochtend stond hij vroeg op en liep naar de smid. Hij legde het probleem uit en vroeg aan de smid: “Kun je voor mij een kast maken die niemand open kan maken, behalve ik, en die te zwaar is om mee te nemen”?
“Natuurlijk, zei de smid. “Maar waarom zou ik? Ik heb zo’n kast hier al staan. Die heb ik gemaakt voor de burgemeester. Voor allerlei belangrijke papieren. Documenten en zo. Ik heb er geen verstand van, maar de burgemeester vindt ze nogal belangrijk, heb ik begrepen. Je kunt je goud er, wat mij betreft, zo bijleggen. Dan komt niemand er meer aan”.
De handelaar vond het een uitstekend idee. Zo was zijn goud veilig en de bult onder zijn matras verdwenen zodat hij eindelijk weer eens lekker kon slapen, in beide betekenissen van het woord. Hij ging naar huis, haalde al zijn goud op (wel duizend stukken) en gaf ze in bewaring aan de smid. De smid schreef een brief waarin hij plechtig verklaarde dat de handelaar duizend stukken goud tegoed had.

Korte tijd later besloot de handelaar dat het tijd werd voor een nieuwe jas. Een mooie jas en een dure jas. Hij bezat nu veel goud en dat mochten de andere mensen best zien. Dus liep hij naar de smid om tien stukken goud op te halen. De smid gaf hem de tien stukken, verscheurde de plechtige brief waarop stond dat de handelaar duizend stukken goud tegoed had en schreef een nieuwe waarop stond dat hij negenhonderdnegentig stukken tegoed had. En zo ging dat door. Iedere keer kwam de handelaar wat goud halen of brengen en iedere keer schreef de smid een nieuwe brief. Bovendien kwamen er steeds meer mensen die hun goud in bewaring gaven aan de smid. En het schrijven van brieven nam steeds meer tijd in beslag.

De smid, die de beroerdste niet was en het goud als vriendendienst in bewaring nam, vond dat hij een gemakkelijkere manier moest verzinnen. Al dat geschrijf kostte hem teveel tijd. En hij kwam op een idee. Als ik nou eens losse tegoedbonnen maak. Voor ieder stukje goud een tegoedbonnetje. Dan geef ik voor ieder gebracht stukje goud een bonnetje en voor ieder gehaald stukje goud vraag ik het tegoedbonnetje terug. Dan hoef ik niet meer te schrijven. En zo schreef hij net zoveel tegoedbonnen als hij goudstukken in zijn kluis had. En als de handelaar weer wat goud verdiend had en het inleverde, gaf de smid hem net zoveel tegoedbonnen als het aantal goudstukken dat de handelaar bracht, en als de handelaar een andere jas wilde, of wat dan ook, ging hij naar de smid en ruilde hij een stapeltje tegoedbonnen tegen een stapeltje goudstukjes, en betaalde daarmee zijn nieuwe jas, of wat dan ook.

Op een dag ging de handelaar op pad om wijn te kopen voor zijn verjaardagsfeest. Hij zocht bij de wijnboer een vat prima wijn uit en vroeg hoeveel hij ervoor wilde hebben. “Tien goudstukken”, zei de wijnboer. “Dat is goed”, zei de handelaar die niet op een kleintje hoefde te kijken. “Ik ga meteen naar de smid om tien goudstukken te halen”.
“Ach, zei de wijnboer, laat maar. Geef mij maar gewoon tien tegoedbonnen. Dan ga ik zelf wel naar de smid als ik volgende week in het dorp ben, en dan haal ik het wel op. Dat scheelt weer een keer lopen”. Een goed idee, vond de handelaar.

Maar de wijnboer bracht de tegoedbonnen niet naar de smid. Diezelfde dag moest de wijnboer naar de slager, om vlees te kopen. Hij kocht voor 5 goudstukken vlees, en zei te slager: “Hier heb je vijf tegoedbonnen. Ga zelf maar naar de smid om ze op te halen”. En hij ging naar de bakker om brood te kopen. Daar deed hij hetzelfde. En de slager en de bakker deden ook weer hetzelfde bij de melkboer en de kolenboer.
En zo kwamen er steeds minder mensen bij de smid om goud op te halen. Mensen betaalden elkaar gewoon met tegoedbonnen, die in de volksmond al snel “bonnen” werden genoemd.

Op een dag ging de smid voor zijn wekelijkse klaverjasavond naar het plaatselijke café. Eén van zijn klaverjasvrienden was een graanboer. Het weer was dat jaar nogal onstuimig geweest en de boer had zijn hele oogst in het water zien vallen. Hij klaagde steen en been. Hoe moesten hij en zijn gezin in godsnaam de winter doorkomen?
De smid had met zijn vriend te doen. En hij kreeg een idee. Hij zei: “Ik heb een heleboel goud in mijn kluis liggen. Vrijwel al het goud van het land, behalve het goud van de koning. Al dat goud is niet van mij, maar de eigenaren komen het toch nooit ophalen. Bijna iedereen betaalt elkaar met bonnen, dus dat goud ligt er maar. Ik kan je wel wat goud geven. Voldoende om de winter door te komen. Maar nogmaals: dat goud is niet van mij, dus je moet het wel teruggeven als je oogst volgend jaar weer normaal is”! De graanboer sprong een gat in de lucht, bedankte de smid duizendmaal, beloofde met zijn hand op zijn hart dat hij het volgend jaar zou teruggeven en rende uitzinnig van blijdschap naar huis om het goede nieuws aan vrouw en kinderen te melden. De smid was tevreden dat hij met zo’n klein gebaar iemand zo blij kon maken.

Maar binnen de kortste keren stonden er tientallen boeren op zijn stoep bij wie de oogst ook mislukt was. Die ook allemaal dringend behoefte hadden aan wat goud om de winter door te komen. De smid krabde zich achter zijn oor. Dat was nou ook weer niet de bedoeling. Voor een vriend wilde hij dat best doen, maar voor lui die hij helemaal niet kende…. Dus zei hij: “Goed. Jullie kunnen allemaal wat goud hebben, maar ten eerste moet ik het volgend jaar allemaal terughebben, want het is mijn goud niet. En bovendien wil ik een vergoeding hebben. Ik ben tenslotte gekke henkie niet. Voor iedere tien goudstukken wil ik een vergoeding van één goudstuk per jaar”.
En de boeren riepen in koor: “Geen probleem, als we onze families maar te eten kunnen geven. Volgend jaar krijg je alles terug, inclusief je vergoeding”!

Zo gezegd, zo gedaan. En hij gaf de boeren de goudstukken die ze nodig hadden. Maar de boeren leverden het goud direct weer in bij de smid voor bonnen. “Niemand accepteert tegenwoordig nog goudstukken. Iedereen wil bonnen”! riepen ze. Dus schreef de smid nieuwe bonnen uit.
Toch maakte de smid zich een beetje zorgen. Er waren nu meer bonnen in omloop dan hij goudstukken in zijn kluis had. Maar hij wuifde zijn zorgen snel weer weg. Hij zou de bonnen volgend jaar weer allemaal terugkrijgen en zo zou er geen haan naar kraaien. Bovendien zou hij volgend jaar de vergoedingen incasseren, en dat was ook wel eens lekker. Hij mocht best wel eens een beetje profiteren van alle hulp die hij gaf, en buiten de paar bonnen die hij zelf verdiende met het maken van hoefijzers en tuinhekken, eens een extraatje hebben.

En de boeren werkten dat jaar harder dan ooit. En de meeste boeren kwamen hun verplichting keurig na. Ze ruilden hun nieuwe oogst voor bonnen en gaven terug aan de smid wat die gegeven had. En natuurlijk de vergoeding. Dus kreeg de smid nu ook zelf steeds meer bonnen in zijn bezit, vanwege die vergoeding. En er bleven maar boeren komen die geholpen wilden worden. En iedere keer gaf de smid de benodigde bonnen en kreeg het volgende jaar voor iedere tien bonnen die hij uitleende, elf bonnen terug.
Maar de hoeveelheid goud in de kluis van de smid bleef hetzelfde. Hij begon zich langzaamaan meer zorgen te maken. Hij had nu al twee keer zoveel bonnen uitgeschreven als er goudstukken in zijn kluis waren. En alleen al vanwege de vergoeding, moesten er elk jaar tien extra bonnen worden teruggegeven voor elke honderd die hij had uitgeschreven. Waar moesten die vandaan komen? Hij was tenslotte de enige die bonnen kon uitschrijven. Maar de hoeveelheid goud bleef hetzelfde. Maar hij troostte zich met de gedachte dat toch nooit iemand zijn goud kwam ophalen. En als iemand dat toch eens zou doen, dan zouden ze het toch zeker niet allemaal tegelijk doen. En zo kwamen er steeds meer bonnen in omloop.

En de mensen raakten gewend aan de bonnen. Sprongen ze vroeger een gat in de lucht als ze een goudstuk zagen, nu waren de bonnen zo gewoon en overal aanwezig dat het enthousiasme langzaamaan minder werd. Wilde de aardappelboer vroeger voor een zak piepers één goudstuk, nu wilde hij al twee bonnen. En hetzelfde gold voor de graanboer, en de slager, de bakker en de dakpannenmaker. Voor iedereen. Het werd voor iedereen steeds moeilijker om eten te kopen, en ook nog de vergoeding te betalen aan de smid. Dus stonden er weer meer mensen op de stoep bij de smid voor nog meer bonnen. En de smid had op een gegeven moment niet alleen al het goud van het land in zijn kluis, maar ook de meeste bonnen van iedereen. Het wordt tijd dat ik er eens iets leuks mee ga doen, dacht hij. En hij liet een huis bouwen en stopte met het maken van hoefijzers en tuinhekken.

In het land was ook een koning. De koning bezat een hele berg goud. Hij had dat goud gestolen van de boeren. Toen hij jong was ging hij met zijn vader, die ook koning was, op strooptocht langs de boeren om hun goud te stelen, precies zoals zijn vader dat gedaan had toen hij jong was, met zijn vader, de opa van de huidige koning. De koning was onmetelijk rijk.
De koning had zijn goud opgeslagen in zijn schatkist, en liet deze bewaken door een paar potige kerels. Als vergoeding gaf hij ze soms een goudstuk. Op een dag begonnen de potige kerels te klagen. De koning riep ze bij zich en vroeg wat er aan de hand was. De potige kerels zeiden dat ze geen goudstukken meer wilden hebben.
“Wat is er mis met goudstukken”?! riep de koning.
“Met alle respect, zei één van de potige kerels, maar u bent niet meer helemaal van deze tijd. Niemand wil meer goudstukken. Iedereen wil bonnen”.
“Bonnen? zei de koning, ik heb helemaal geen bonnen”!
En de mannen legden uit dat hij goud naar de smid moest brengen in ruil voor bonnen.

Korte tijd later werd de smid op het paleis ontboden.
“Leg mij eens uit hoe dat zit met die bonnen!” riep de koning bars. En de smid legde het uit. En de koning luisterde geboeid. En aan het eind van het verhaal zei de koning: “Doe mij maar een stapel van die bonnen. Hoeveel goud moet je hebben”?
“Ik heb een beter idee, zei de smid. Waarom ruilt u niet gewoon al uw goud tegen bonnen? Niemand accepteert nog goud en bovendien hebt u dan al die potige kerels niet meer nodig om uw schatkist te bewaken”!
“Verdomd! riep de koning. Jij bent een man naar mijn hart”. En hij gaf al zijn goud aan de smid en de smid schreef de bonnen. En zo kwamen er nog meer bonnen in omloop.

Maar de bonnen leken steeds minder waard te worden. Vroeger kocht je voor twee bonnen een hele zak aardappelen. Nu kostte diezelfde zak al acht bonnen. Het volk moest steeds harder werken om eten te kopen en om de vergoeding te kunnen betalen aan de smid. En ook de koning zag zijn voorraad bonnen al snel slinken. Dus riep hij de smid weer bij zich.

“Ja, luister eens, zei de smid, daar heb ik allemaal geen tijd voor hoor! Kom jij (want waarom zou hij nog “u” zeggen) maar naar mij”!
En dus kwam de koning uit zijn paleis en ging naar de smid.
“Mijn bonnen raken op en bovendien worden ze steeds minder waard,” klaagde de koning.
“Dat is jouw probleem, zei de smid. Jij wilde bonnen”!
“Maar hoe kan ik nou koning zijn zonder rijkdom? De mensen zullen me niet meer serieus nemen”!
“Dat is óók jouw probleem, zei de smid. Maar jij kon toch zo goed goud stelen, vroeger? En jij had vroeger toch een paar potige kerels in dienst? Ik heb gehoord dat die dringend om een baantje verlegen zitten”!

Dus verzon de koning een plan. En de volgende dag schreef hij een wet. En hij liet de nieuwe wet op alle hoeken van alle straten spijkeren:

Voortaan moet iedereen van iedere tien bonnen die hij verdient, één bon afstaan aan de koning. Deze maatregel heet: “Contributie”.

En het volk was niet blij. De mensen hadden het al zo moeilijk. De bonnen werden als maar minder waard en ze moesten ook al vergoeding betalen aan de smid. En er leken altijd minder bonnen te zijn dan ze moesten terugbetalen, inclusief de vergoeding. En nou dit weer!
Sommige mensen kwamen in opstand, maar de potige kerels sloegen de opstandelingen in elkaar en de mensen bogen hun hoofd en gingen nog harder werken.

Maar de Contributie werd al snel twee bonnen op tien. En toen drie. En toen vier. Het volk werd steeds onrustiger en op een dag trok een grote groep naar het paleis om beklag te doen. “Wij pikken het niet langer”! riepen ze.
En de koning kwam op het bordes en zei: “Ho ho, jullie denken toch niet dat ik die bonnen inpik?! Jullie wilden toch een brug, over de rivier? Ik ga die bonnen gebruiken om jullie wensen in te willigen. Wacht maar af. Jullie zullen me dankbaar zijn! En bovendien: als jullie je niet koest houden stuur ik een leger potige kerels op je af en dan zul je wel anders piepen”!

Dus het volk droop af. En de koning liet een brug bouwen. Maar het volk was niet tevreden. Sommige mensen wilden helemaal geen brug, maar een weg. Anderen hadden liever een ziekenhuis en sommige meer lichtzinnige inwoners hadden liever een circus. Het bleef maar gezeur, vond de koning. En dus riep hij tien van zijn vrienden bijeen. Hij zei tegen die vrienden: “Jullie hebben allemaal andere ideeën over wat er in dit land moet gebeuren. Wat ik doe is toch nooit goed, volgens de mensen, dus laat ze maar kiezen wie van jullie volgens hen de beste ideeën heeft. Dan mag degene die gekozen wordt zijn plannen uitvoeren en dan ben ik van het gezeur af. ”

En zo ging het. Het volk werd opgetrommeld. De tien kandidaten werden voorgesteld en ze mochten allemaal ombeurten vertellen wat hun plannen waren. En het volk koos, en de meeste stemmen golden en één van de tien kandidaten kreeg de titel “Hofman”; omdat hij een man was, en omdat hij zou gaan werken in het gebouw dat speciaal daarvoor in het hof van de koning gebouwd was. Binnen in het hof. Maar “Binnenhofman” was zo’n mond vol.
En natuurlijk omdat hij de meeste stemmen kreeg.

De hofman ging direct aan de slag om zijn plannen uit te voeren. En soms was het volk het met de uitvoering eens, maar vaak ook niet. En iedere keer als de mensen weer begonnen te morren dan riep de koning tegen het volk: “Jullie moeten niet bij mij zijn! Het is jullie eigen schuld! JULLIE hebben toch gekozen”!?

Maar ook de koning werd niet vrolijker. Ondanks alle inkomsten uit de contributie, slonk zijn rijkdom. Hij moest nu betalen voor alle bruggen, wegen, ziekenhuizen en alle andere zaken die de hofman verzon. En hij moest de hofman zelf betalen. Die kon er natuurlijk niet als een arme sloeber bijlopen. In zo iemand zou het volk al snel geen vertrouwen meer hebben. Dus streek de hofman een riante vergoeding op, die de koning moest betalen. En bovendien werden de bonnen van de koning steeds minder waard waardoor hij steeds meer bonnen kwijt was aan de vergoeding voor de hofman, maar vooral aan het uitvoeren van al diens plannen. Dus zei hij tegen zijn hofman: “Verhoog de contributie”! En de hofman deed dat. En het volk morde nog meer, maar nu binnensmonds want het kon niet anders dan bekennen dat het inderdaad in alle vrijheid had gekozen voor de hofman. En de mensen gingen nog harder werken om de contributie te kunnen betalen, en de vergoeding aan de smid en - als dat nog lukte - om eten te kopen. Maar ze voelden zich wel vrij. Of eigenlijk voelden ze zich helemaal niet vrij. Ze zeiden alleen tegen zichzelf: “We zijn vrij, want we kunnen kiezen”. Maar het voelde niet vrij, en ze wisten niet waarom.

En ondanks die steeds hogere contributie-inkomsten kwam op een dag de bodem van de schatkist van de koning in zicht. En voor een tweede keer reisde de koning af naar de smid. Aangekomen bij het nieuwe huis van de smid, moest de koning vol verbazing vaststellen dat het huis van de smid nog wel groter leek dan zijn eigen paleis, en minstens zo luxueus. De koning moest nogal lang wachten in de grote hal voordat de smid eindelijk even tijd voor hem had, en tijdens het wachten keek hij zijn ogen uit naar al het marmer, kristal en goud. Vooral veel goud.
Toen de smid uiteindelijk vanuit zijn werkkamer “binnen!” riep, en de koning inderdaad naar binnen ging, zag hij nog meer marmer, kristal en goud. Vooral erg veel goud.
En de koning vroeg: “Hoe kom jij aan zoveel goud?”
De smid antwoordde:”Heel eenvoudig. Ik had al het goud van het land in mijn kluis”.
“Maar dat goud is toch niet van jou!?” riep de koning verontwaardigd.
“Nu wel, zei de smid. “De mensen moeten mij nog zoveel bonnen terugbetalen en nog zoveel vergoeding, dat ik nog veel meer van ze tegoed heb dan alleen dat zielige hoopje goud”!
Het begon de koning een beetje te duizelen. Hij dacht even na, kwam tot zijn positieven en vroeg: “Is dat wel eerlijk”?
“Natuurlijk is dat eerlijk!!” schreeuwde de smid. “IK kwam toch niet zeuren om bonnen? Dat deden ze zelf! Wat kan IK daaraan doen? Als ze me niet terugbetalen, dan is het goud van mij. Simpel. En zelfs als ik ze daarvoor waarschuw, in al mijn goedheid, en ze betalen me, dan heb ik nog steeds veel tegoed, want ze betalen nooit alles terug, alleen kleine beetjes elke keer. Je moest eens weten hoeveel ik nog tegoed heb! Rotvolk is het! Je hebt er niks aan. Je maakt een simpele afspraak met ze, en ze komen hem niet na. En dan gaan ze lopen zeuren als ik wat van het goud neem, ter compensatie van mijn verlies. Omdat ze hun eigen afspraken niet nakomen! Het is een onbetrouwbaar zootje. Dat is het!” en hij zakte achterover in zijn luxueuze fauteuil.
“Maar waar kom je voor”? bromde hij. “Ik heb niet veel tijd”.

De koning slikte een paar keer en zei: “Ik heb een probleem. De bodem van mijn schatkist komt in zicht. En wat ik ook doe, hoeveel contributie ik ook vraag, mijn rijkdom wordt steeds minder. Sterker nog: mijn rijkdom is zowat verdwenen”.
“En wat heb ik daarmee te schaften?” zei de smid.
“Nou, eh, ik dacht eh, misschien kun je me helpen.” zei de koning.
“Nee nou wordt ie fraai”!! brieste de smid. “Ik jou helpen!? Ik heb alleen maar last van jou! Met je contributie! Door dat gegraai van jou, gaan de mensen mij alleen maar nog slechter terugbetalen! Weet je wel hoeveel ik nog tegoed heb van dat rapaille? Door jou zit ik in die problemen! Rot eens gauw op zeg!”
En de koning droop af. Maar de volgende dag werd er een bericht bezorgd op het paleis. Of de koning onmiddellijk naar de smid wilde komen. En als hij niet wilde, dan moest hij ook onmiddellijk komen.

Aangekomen bij het mooie huis belde de koning aan en de smid deed zelf open. “Kom binnen waarde vriend”, zei de smid. “kom binnen”. En enigszins verbaasd over het contrast met het gedrag van de smid van de vorige dag, stapte de koning over de drempel.
“Neem een sigaar” zei de smid, en nam er zelf ook een. “Ik heb er eens over nagedacht, en zoals altijd kwam ik met een geniaal plan. Moet je horen: Ik stel jou alle bonnen beschikbaar die je hebben wil. Jij kunt weer gewoon koning zijn, en rijk, en van die dingen allemaal. Je hoeft me niets terug te betalen, behalve de vergoeding dan, maar wat is dat nou helemaal? Maar één bon per jaar op elke tien of vijftig of zo bonnen die ik je beschikbaar stel, dat varieert dus, maar dat is aan mij, dus daarover geen gezeur”.

Het hart van de koning sloeg over en hij stamelde: “Wuwuwat? Zomaar?”
“Ja, zomaar”! riep de smid. “Alleen, je moet me helpen met één ding. Je moet me helpen met dat stomme volk van je. Hoe jij dat uithoudt met die idioten is mij een raadsel, maar goed, ieder zijn vak zal ik maar zeggen. Dus dat moet voor jou een makkie zijn, met die potige kerels van je en zo, en dat hoftype of hoe je die gast ook noemt - wat kan mij het verdommen. Ik heb daar allemaal geen tijd voor. Maar goed, ik begin onderhand te begrijpen dat ze me nooit meer alles gaan terugbetalen wat ik van ze tegoed heb. Maar ik ben gekke henkie niet! Dat heb ik al lang geleden geleerd! Dus ik laat ze niet over mijn rug een beetje doen wat ze willen - god bewaar me - dus ik zat te denken, als ze nou eens voor mij zouden gaan werken, in plaats van mijn bonnen terug te betalen. En de vergoeding niet te vergeten! Ik stik toch al zowat in die achterlijke bonnen. Wat moet ik ermee? Tellen? Ik heb wel wat beters te doen! Nee, dan heb ik veel liever dat ze wat zinnigs doen. Ik heb dringend van alles nodig, dus dat kunnen ze mooi voor me maken allemaal en zo, en van die dingen. Nou zou je misschien zeggen: waarom heb ik jou dan nodig? Nou simpel: ik heb geen zin in gezeur. Ik heb al genoeg aan mijn kop. Leer mij dat gepeupel kennen. Echt afschuwelijk! En jij bent goed met die types. Ik bedoel: het is tenslotte je vak om die idioten een beetje in het gareel te houden. Dus het is eigenlijk heel simpel: ik zeg wat ze moeten doen, en jij zorgt ervoor dat ze het ook daadwerkelijk doen. En jij hebt alle bonnen die je nodig hebt. Begrepen? Capiche? Briljant gewoon, al zeg ik het zelf. Hoe noemen ze zoiets ook alweer? Een win-win situatie geloof ik, of zoiets. Ach, wat kan mij het ook verdommen”.
De koning knikte.
“Mooi zo! Opzouten dan”! zei de smid. En de koning draaide zich om en wilde gaan.
“Wacht even”! riep de smid, “Nog één ding. Ik wil wel dat je me precies gaat vertellen hoe je het gaat aanpakken. Ik verwacht voor het eind van de week je plan. En zorg dat het goed is, want anders kun je fluiten naar je bonnen”.
En de koning droop af.


Na een slapeloze nacht riep de koning de hofman bij zich.
“Hofman”, zei hij “hoe kunnen we het volk laten doen wat wij willen”?
En de hofman zei: “Wat willen we dan dat ze doen”?
“Dat is mijn zorg”! riep de koning. “En dat vraag ik je niet! Ik vraag je HOE we ze kunnen laten doen wat wij willen. WAT wij willen bepaal ik wel.”
“Okay”, zei de hofman, die tenslotte een man van de wereld was. ”Wat altijd werkt is bang maken”.
“Bang maken? Bang waarvoor?”
“Dat is het mooie” zei de hofman, “dat maakt niet uit”!
“Jonge jonge, jij met je idiote raadsels altijd! Praat toch eens een keer normaal man! Ik heb spijt dat ik ooit aan je begonnen ben. Wat nou, maakt niet uit? Ik kan ze overal wel bang voor maken. Ik ben de koning, weet je nog? Bang voor die idioten uit dat andere land, hoe heten ze ook alweer, of voor regen of onweer of droogte of overstroming. Zelfs voor hun eigen gewoonten kan ik ze bang maken. Ik kan ze bang maken voor alles dat ik wil. Ik ben de koning, ja! Maar wat heb IK daaraan?”
“Nou, simpel” zei de hofman, “als je ze bang maakt, wáár dan ook voor, dan komen ze bij jou voor een oplossing”, en hij zette zijn slimste blik op.
“En dan?” zei de koning, die duidelijk meer verstand had van goud stelen dan van politiek. Vroeger tenminste.
“Dan gééf je ze die oplossing”!! riep de hofman triomfantelijk.
“IK? Oplossingen geven? Volgens mij ben jij echt helemaal simpel geworden! Oplossingen geven zegt hij. Alsof ik daar tijd voor heb! Tjongejonge….. En stel, dan gééf ik een oplossing, wat dan!?”
“Dat is nou net het mooie!” zei de hofman, “de oplossing is ALTIJD dat ze precies moeten doen wat jij zegt! Dus dat ze niet meer bang hoeven zijn als ze precies doen wat jij zegt! En dan doen ze niet meer wat ze zelf willen. Maar dan doen ze wat jij wil! En als jij zegt dat ze hun bonnen aan je moeten overhandigen, om ze te beschermen tegen wat dan ook, dan doen ze dat ook! En dan hebben ze nog minder bonnen en dus moeten ze dan nog harder werken - voor jou! - om te kunnen eten en zo! ”
De koning leunde achterover, krabde op zijn achterhoofd, en nog eens.
“Dus…. als ik het goed begrijp: ik maak ze eerst bang voor een probleem dat ik zelf verzin. En dan komen ze om een oplossing vragen. En de oplossing is altijd dat ze gaan doen wat ik zeg….”, murmelde de koning voor zich uit.
“Verdomd”! riep de koning, “jij bent een man naar mijn hart”!

De volgende dag, dus ruim voor het einde van de week, gingen de koning en de hofman naar de smid en legden het plan uit.
“Briljant!” riep de smid. “Ik had het zelf kunnen verzinnen. Maar dan beter, uiteraard. Maar goed, we gaan het ermee doen.”
“Prima,” zei de hofman, “Zeg maar wat de mensen moeten doen, en dan zorgen wij ervoor”.
“Ik wil dat ze voor mij gaan werken”, zei de smid, “Maar niet echt voor mij, maar eigenlijk juist weer wel”.
De koning en de hofman keken elkaar verbaasd aan.
“Ze moeten natuurlijk precies doen wat ik zeg, dat sowieso, maar ik wil niet dat ze weten dat ze doen wat ze doen omdat ik het zeg. Ze moeten niet het gevoel hebben dat ze voor mij werken. Als er dan iets is komen ze bij mij zeuren en ik heb al genoeg gezeur aan mijn hoofd. Nee, ze moeten denken dat ze werken omdat ze dat zelf willen!”
“Hoe wil je dat doen?” zei de hofman die er zo intelligent mogelijk bij keek maar duidelijk geen idee had.
“Kennen jullie mij nou nog niet!?” riep de smid, “gewoon, door een geniaal plan, net als altijd! Luister: de mensen willen bonnen. Daar doen ze alles voor. Nou heb ik een paar kennissen en die hebben fabrieken waar van alles gemaakt wordt. Allemaal zinnige dingen, zeker als ik het voor het zeggen heb. En dat heb ik, want die kennissen moeten mij nog ik-weet-niet-hoeveel bonnen terugbetalen. Dus het plan is dit: die kennissen laten de mensen in hun fabrieken werken. Om te maken wat ik wil. En daar krijgen die mensen bonnen voor. En vervolgens pakken jullie de meeste bonnen van die mensen af. En die geef je aan mij. Ik heb tenslotte inmiddels ik-weet-niet-hoeveel vergoeding van je tegoed. Dus dan denken ze dat ze werken om bonnen te krijgen, en dat ze werken voor een fabriek, maar eigenlijk werken ze voor mij. Maar dan zonder het gezeur. Zo zie je: voor plannen moet je bij mij zijn, ik schud ze zo uit mijn mouw.”
“En als ze er nou achter komen?” zei de hofman.
“Daar komen ze niet achter” zei de smid, “want voortaan laten jullie elke dag, in iedere straat, een omroeper vertellen wat er in het land gebeurt. Niet echt natuurlijk, maar wat wij willen dat de mensen denken dat er gebeurt. Dus de omroeper moet zeggen dat werken in de fabriek goed is, en fijn. Dat het een voorrecht is. En iedere dag moet de omroeper er ook bijzeggen dat de mensen vrij zijn. Dat is heel belangrijk, anders gaan ze zeuren. En na een tijdje gelooft iedereen dat. Als je het maar vaak genoeg zegt. En zelfs al heeft een of andere slimmerik het door, dan zullen de mensen hem eerder uitlachen dan hem geloven. De omroeper heeft immers altijd gezegd dat ze vrij zijn!”
“Dus aan de slag jullie! En bovendien, schiet me nu te binnen, kunnen jullie die omroeper ook mooi gebruiken voor jullie plan om de mensen bang te maken, zodat ze zich een beetje gedragen zoals wij willen. Of zoals ik wil, eigenlijk. Wat is dat toch mooi: samenwerken! Zeker als ik alles bepaal. Dus waar wachten jullie op? Aan het werk!”

En samen met de hofman ging de koning aan het werk. En de mensen werden bang gemaakt voor de gekste dingen. En ze werden bang! En ze vroegen om oplossingen en de koning en de hofman gaven oplossingen. En de mensen deden precies wat de koning en de hofman - maar eigenlijk de smid - wilden. En ze gingen werken in de fabrieken, en ze kregen bonnen. En ze gaven de meeste bonnen aan de koning, omdat ze bang waren en omdat de omroeper zei dat het nodig was. En de koning gaf ze aan de smid. En de mensen gingen steeds harder werken. Precies zoals de hofman had voorspeld.

Van tijd tot tijd gingen de koning of de hofman, of allebei, naar de smid voor overleg. En de smid was tevreden. En hoewel de hoeveelheid vergoeding die de koning aan de smid moest betalen gestaag opliep, was de koning ook niet ontevreden. Hij voelde zich weer een echte koning.
De smid werd als maar rijker en rijker, en de koning werd maar langzaam een beetje armer. Maar dat had hij zelf niet in de gaten, want de smid stelde hem altijd bonnen ter beschikking. Zelfs de bonnen die de koning nodig had om vergoeding aan de smid te betalen.
Op een dag zei de smid tegen de koning: “Je doet het leuk. Maar we hebben nu zowat alle mensen voor ons aan het werk die we voor ons aan het werk kunnen krijgen. Dat bevalt me wel. Maar er zijn er ook nog een heleboel die doen wat ze zelf willen! Dat zijn die lui die steeds gewoon hun bonnen terugbetalen, inclusief vergoeding. Hoe ze het doen weet ik niet. Ze zullen zich kapot moeten werken - ik moet er niet aan denken - maar goed, ze doen het. Op zich is dat natuurlijk wel aardig, maar wat heb ik er eraan? Ik heb gemerkt dat het veel prettiger is als ze doen wat ik wil, dan dat ze mij die bonnen terugbetalen. Ik stik in die dingen. Anders zou ik ze jou niet geven. En bovendien, als ze steeds maar doen wat ze zelf willen, dan kunnen ze nog wel eens lastig worden. Bij alles wat ik doe moet ik daarmee rekening houden. Dat wordt mij onderhand een beetje te vermoeiend. Dus ik heb weer eens een geniaal plan, zoals gewoonlijk”.
“Vertel”! zei de koning.
“Nou, ik dacht zo” zei de smid, “als we er nou eens voor zorgen dat die braveriken hun bonnen en hun vergoeding niet meer kunnen betalen. Dan moeten ze ook doen wat wij willen en dan vormen ze ook geen gevaar meer voor ons”.
“Hoe wil je dat doen?” zei de koning. “Als ze keurig betalen, dan kun je niks doen”.
“Simpel” zei de smid, “de meeste mensen heb ik bonnen gegeven omdat ze een huis wilden kopen. Daarvoor hebben ze altijd meer bonnen nodig dan ze hebben, en dus komen ze dan naar mij. Of naar mijn concurrenten. Want ja, ik heb inmiddels wat concurrentie gekregen. Of nou ja, concurrentie kun je het eigenlijk niet noemen, maar er zijn hier en daar mensen die ook wat in bonnen handelen. Daar zijn ze bedrijfjes in begonnen. Ze kunnen natuurlijk zelf geen bonnen uitschrijven, dat kan alleen ik, maar toch, ze hebben wat bonnen in bewaring en die geven ze aan mensen die daarom vragen en die moeten ze terugbetalen met vergoeding. Dus een beetje concurrentie is het. En eigenlijk zit me dat ook niet helemaal lekker”, zei de smid en nam een slok van zijn buitenlandse prikwijn die er duur uitzag en duur smaakte..
”Maar goed”, zei de smid, “Nou staan er ook steeds van die sloebers op de stoep die een huis willen kopen maar waarvan je op een kilometer afstand kunt zien dat ze het niet kunnen betalen. Tot nu toe heb ik er de hond op afgestuurd. En ik heb erop toegezien dat die concurrenten ook geen bonnen geven aan die lui. Ik moet niks hebben van dat geteisem. Maar ik dacht: als ik dat uitschot nou toch eens bonnen geef, wat dan? Dan gaan ze die niet terugbetalen. Ze kunnen niet eens de vergoeding betalen! Dus dan moeten jullie ze uit hun huizen schoppen”!
“Maar dan ben jij je bonnen toch kwijt?” zei de hofman.
“Dat lijkt maar zo”, zei de smid “dat huis moet dan worden verkocht en daar zorgen jullie voor. Natuurlijk brengt het dan veel minder op dan wat ze ervoor betaald hebben, dus moeten die lui mij nog een hele berg bonnen terugbetalen, ook al hebben ze geen huis meer. Zoveel bonnen dat ze de rest van hun leven voor mij moeten werken, om mij terug te betalen!” zei de smid met een brede grijns op zijn gezicht.
“Maar als de mensen dan in de gaten krijgen dat je bonnen aan armoedzaaiers geeft, dan denken de mensen dat jij dom bent, en dan verliezen ze hun vertrouwen in de bonnen die jij uitgeeft”, zei de hofman, die er duidelijk over nagedacht had.
“Inderdaad, maar nou komt het mooie: ik dacht dus: als ik die concurrenten nou eens die bonnen aan de armoedzaaiers laat geven. Tot nu toe mochten ze dat van mij niet. Maar als ik nou eens mijn toezicht wat laat verslappen. En jullie moedigen ze een beetje aan. Dan gaan ze vanzelf meer risico nemen. Want dan denken ze dat ze flink veel vergoeding zullen vangen, zeker als je zorgt dat ze iedere keer als ze zo’n sloeber in de val gelokt hebben een flinke bonus krijgen. Dan zijn ze niet te houden! En dan gaat het vanzelf mis. En dan geven we die bedrijfjes de schuld. En dan zeggen jullie: Dat is slecht voor het land! En dan nemen jullie die bedrijfjes in beslag. En dan geven jullie ze aan mij.”
“Wauw”, zei de hofman, vol ontzag. De koning was de draad allang kwijt en stond zich weer eens aan zijn kop te krabben.
“We zijn er nog niet”! riep de smid. “Omdat al die luizige types uit hun huizen geschopt worden, die dus eigenlijk dan mijn huizen zijn, moeten al die huizen worden verkocht. En omdat er dan veel meer huizen te koop staan dan er kopers zijn, worden die huizen steeds minder waard. Daar schrikken mensen van en dus gaan ze de die paar bonnen die ze overhouden van het werken in de fabriek voorlopig niet uitgeven. Die bewaren ze, omdat ze bang zijn. Dus dan kan diezelfde fabriek minder spullen verkopen, en dus kan die fabriek minder spullen maken, en dus kunnen er minder mensen werken. En als ze niet werken krijgen ze geen bonnen!” De smid keek verwachtingsvol in de ogen van de hofman.
“Verdomd,” zei de hofman, die het begon te begrijpen, “en als ze geen bonnen hebben, dan kunnen ze hun vergoeding niet betalen, en als ze geen vergoeding betalen, dan worden ze ook hun huizen uitgeschopt, net als de arme sloebers. En dat worden dan natuurlijk ook jouw huizen.”
“Precies!!” kraaide de smid. “En dan hebben ze ook geen huis meer, maar moeten ze mij nog wel een hele berg bonnen teruggeven! En vergoeding natuurlijk. Dus dan moeten ze de rest van hun leven ook doen wat wij zeggen! Of meer specifiek: wat IK zeg!”
“Wonderbaarlijk” stamelde de hofman. “Maar waar moeten al die mensen dan wonen?”
“Het leven is zo eenvoudig!!” jubelde de smid, “ik koop al die huizen voor bijna niks, want niemand kan ze meer betalen en dus wil niemand ze hebben en dus kosten ze bijna niks. En dan laat ik de mensen er wonen. Daarvoor moeten ze mij natuurlijk wel bonnen betalen. Naast de bonnen die ze me nog moeten teruggeven. En de vergoeding daarvoor natuurlijk”!
De hofman trok bleek weg.
“Het zal allemaal wel” zei de koning, “ik snap er niks meer van, maar ik laat het graag aan jullie over. Zolang ik maar koning ben.”

En zo gebeurde het dat bijna alle mensen uit hun huizen geschopt werden, en dat ze de rest van hun leven moesten werken voor de smid. En de mensen hoefden niet meer bang gemaakt te worden om ze te laten doen wat de smid wilde. Want dat moesten ze toch wel. En er was ook geen omroeper meer nodig om de mensen te laten denken dat ze vrij waren. Want dat ze niet vrij waren, wisten ze nu zelf ook wel. Het enige dat ze nog moesten doen was werken voor de smid en vooral precies doen wat de smid zei. En de smid kon eindelijk uitrusten. En de hofman kwam in dienst van de smid en zijn enige taak was het om de mensen in bedwang te houden, en er werd nooit meer een nieuwe hofman gekozen. Als de smid er zin in had, gooide hij de ene hofman eruit en nam hij een andere van zijn keuze.

En de koning zat voortaan altijd binnen in zijn paleis. En ook hij moest precies dan wat de smid zei. Net als alle mensen. En net als alle mensen huilde de koning elke nacht.



En ze leefden nog lang en ongelukkig.


























vrijdag 12 februari 2010

Geld en het nieuwe machtmanagement


De mondiale machtselite heeft de wereldbevolking door de eeuwen heen niet veel goeds gebracht. Sterker nog: men heeft het leven voor enorme aantallen mensen onmogelijk gemaakt. Maar één ding maken ze wel mogelijk, en dat is: in de toekomst kijken. Als je de agenda van de elite eenmaal kent, dan zie je ook de werkwijze. En dat maakt het voorspellen van de nabije toekomst gemakkelijk. Bijvoorbeeld het voorspellen van de toekomst van geld.

Geld is in feite een verzamelnaam voor een reeks begrippen. Geld is ruilmiddel en spaarmiddel. Geld is een gereedschap voor waardebepaling en waardevergelijking. En voor beloning van arbeid. Maar geld is in het huidige monetaire systeem eerst en vooral een machtsmiddel. En als zodanig is het ontworpen.

Machtsmiddelen zijn niets meer of minder dan managementtechnieken. Technieken voor systemen die het mogelijk maken om de massa te managen. Machthebbers hebben altijd gebruik gemaakt van managementtechnieken. En dat hebben ze gedaan omdat die technieken noodzakelijk zijn voor het voortbestaan of het uitbreiden van hun macht. De noodzaak voor het gebruik van die technieken komt voort uit het simpele feit dat macht altijd in handen is van een minderheid. Het is voor die minderheid onmogelijk om de meerderheid op fysieke wijze te overheersen, en daarom is een managementtechniek noodzakelijk.

En met die technieken is het in de loop van de geschiedenis precies zo gegaan als met iedere andere techniek. Het voortschrijdend inzicht laat die technieken steeds verder verfijnen en daarmee steeds efficiënter worden.

Bediende de machthebber zich een paar eeuwen geleden nog van simpele technieken als rechtstreekse terreur en angst; nu bedient men zich vooral van mind-control (media) en geld.

De moderne managementtechniek die het monetaire systeem genoemd wordt, is een van de meest efficiënte aller tijden gebleken. De machtselite heeft het voor elkaar gekregen om geld niet alleen aantrekkelijk te laten zijn (dat was het altijd al), maar ook om het onmisbaar te laten worden. Men heeft het voor elkaar gekregen om geld tot eerste levensbehoefte laten worden.

Daarnaast is door het perverse systeem van centraal bankieren en fractionele reserve de wereld tot over de oren in de schuld gebracht. Het is een systeem dat onderpand vereist voor geld dat (zonder enige inspanning van de banken) uit niets gecreëerd wordt, en daarover ook nog rente verlangt. Een systeem dat er uiteindelijk toe geleid heeft dat de tegoeden van de banken groter zijn geworden dan alle onderpand ter wereld kan compenseren. Als alle claims zouden worden ingelost, zou alles van waarde dat er op de wereld bestaat, in handen van de banken zijn. En aangezien alles van (geldelijke) waarde, gemaakt is door mensen, zijn de banken op papier eigenaar geworden van alle arbeid ter wereld.

Maar ook deze techniek kent (zoals alle technieken) zijn zwakke punt. En het zwakke punt van dit systeem is bezit. Om het systeem te kunnen laten werken, om iedereen mee te laten doen, moest het aantrekkelijk zijn. En de aantrekkingskracht van dit systeem zit hem in de mogelijkheid van bezit. Dat is wat iedereen wil. Zo krijg je iedereen mee.

Het probleem daarbij is echter dat de bezittende klasse maar beperkt te sturen is met het huidige monetaire systeem. Het is vooral de klasse zonder bezit die in de schuld staat, maar daar is niks meer te halen. En de schuld is ook niet op te halen bij de bezittende klasse omdat die simpelweg geen schuld heeft. De bezittende klasse bestaat natuurlijk uit de elite, maar vooral uit de westerse middenklasse. En die klasse is in de westerse wereld (in aantal) nog steeds de grootste.

De middenklasse is door het bewust opzetten van crises en het laten stijgen van de kosten van levensonderhoud steeds verder teruggedrongen maar is, ondanks dat, nog steeds substantieel.
Al met al is daarmee het huidige systeem aan de grenzen van haar mogelijkheden gekomen. Het systeem is als het ware uitgemolken.

Ieder managementsysteem kent een levenscyclus, en de cyclus voor het huidige geldsysteem loopt momenteel op zijn eind. Er zullen lezers zijn die dit toejuichen, maar vergeet niet: er moet (en zal) iets anders voor in de plaats komen. En dat is precies waaraan op dit moment gewerkt wordt. Een nieuwe managementtechniek. Een nieuw systeem dat de plaats moet innemen van het huidige monetaire systeem en dat (buiten de elite) iedereen, inclusief de (straks voormalige) middenklasse totaal beheersbaar en overheersbaar maakt.

Het voortschrijdend inzicht, in combinatie met de vindingrijkheid van de machtselite, heeft geleid tot een nieuw concept. Een concept dat een nieuw en efficiënt systeem moet opleveren dat het bestaande geldsysteem moet gaan vervangen. Een systeem dat nog wel de naam ‘geld’ zal dragen, maar het niet meer is. Een volledig elektronisch puntensysteem dat niet meer gebaseerd is op economie, arbeid en schuld, maar volledig gebaseerd is op GEDRAG. Een systeem van beloning en bestraffing voor respectievelijk gewenst en ongewenst gedrag, dat alle details van ieders leven zal beheersen. Dus ook dat van de (tot nu toe) moeilijk bedwingbare groep.

Om dit systeem te kunnen implementeren gelden er twee voorwaarden:

1- Een werkende infrastructuur die totale controle mogelijk maakt. Aan deze infrastructuur wordt gewerkt en die infrastructuur is al gedeeltelijk klaar.

Om een beloning/bestraffingssysteem te kunnen laten werken, is het noodzakelijk dat ieders gedrag tot in detail gevolgd kan worden. Zodat geen enkel relevant gedrag aan de aandacht kan ontsnappen. Iedere vorm van gedrag kan dan individueel beloond of bestraft worden.

Bij het huidige monetaire machtssysteem is individuele controle veel minder goed mogelijk omdat het beïnvloeden van koopkracht het enige dwangmiddel is. Hierdoor zijn bevolkingsgroepen wel te sturen, maar op individueel niveau is het systeem weinig verfijnd. Het laat ruimte voor inventiviteit en creativiteit aan de bevolking omdat het enige mate van individuele vrijheid biedt.

Het nieuwe systeem zal een veel meer specifieke sturing mogelijk maken. Individuele sturing op basis van beloning/bestraffing voor gewenst of ongewenst gedrag, en dat tot in de kleinste details.

Het nieuwe systeem zal ook koopkracht als basis hebben, maar nu kan er niet alleen gestuurd worden hoeveel er gekocht wordt, maar ook afgedwongen worden wat er gekocht wordt en wanneer. Of wat juist niet. Daarnaast wordt het gemakkelijk om ongewenst gedrag onmogelijk te maken. Mensen kunnen individueel worden uitgesloten van toegang tot privileges of levensbenodigdheden. Hiervoor is het noodzakelijk dat contant geld verdwijnt. Ook dit proces loopt volgens schema.

Daarnaast zal beloning en bestraffing mogelijk worden voor:

Communicatiegedrag: alle communicatie moet worden gevolgd via een werkende en gecontroleerde infrastructuur. Glasvezelkabel bijvoorbeeld, of beheersbare draadloze netwerken. Elke vorm van communicatie zal elektronisch moeten worden om dit mogelijk te maken. Informatie zal gepersonaliseerd worden; op de persoon gerichte selectieve informatie. Oftewel individuele censuur. TV, telefoon, internet, e-mail: alles via één beheersbare infrastructuur. Momenteel steekt de EU voor miljarden aan subsidies in de aanleg hiervan in de landen die op dit gebied achterlopen.

Gezondheidsgedrag: het verplichten van zorgverzekering en een centrale administratie (EPD) die op individueel niveau het gezondheidsgedrag monitoren, het verplicht maken van vaccinaties etc.

Reisgedrag: iedere beweging moet in kaart gebracht worden. Zowel gewenst als ongewenst reisgedrag kan daarmee gestuurd worden. Voorbeelden hiervan: de OV-chipkaart, overal camera's met kentekenherkenning, toegang tot databases met alle persoonlijke gegevens op luchthavens. Dit om ongecontroleerde samenscholing en persoonlijke communicatie onmogelijk te maken of te kunnen bestraffen.

Opvoeding en onderwijs: controlesystemen voor de ouderlijke invloed op kinderen. Het zoveel mogelijk beperken van de ouderlijke invloed op de opvoeding. Het veranderen van onderwijs in een  vrijwel permanente, van bovenaf gecontroleerde kinderopvang.

Ongetwijfeld zijn er meer voorbeelden te vinden. De realiteit zal het voorstellingsvermogen te boven gaan.

Deze infrastructuren moeten volledig in werking zijn voordat de overgang van het oude naar het nieuwe systeem doorgang kan vinden. Pas wanneer er voor iedereen een persoonlijk elektronisch gedragsprofiel bestaat, en elk relevant gedrag (volledig geautomatiseerd) gevolgd kan worden, kan dat gedrag beloond of bestraft worden, en kan er met het nieuwe puntensysteem gedrag worden afgedwongen.


2- Het laten omvallen van het huidige monetaire systeem. Ook hieraan wordt gewerkt en ook dit is al gedeeltelijk klaar.

Om de bevolking gevangen te houden in het monetaire systeem is er een eeuw lang intensieve propaganda gevoerd. Propaganda die de bevolking moest overtuigen van de waarde van het geld. Een perceptie van waarde gebaseerd op het vergaren van geld en vooral ook op het uitgeven ervan: consumentisme. Deze propaganda is zodanig succesvol geweest dat er inderdaad een ijzersterke waardeperceptie is ontstaan. Mensen zijn waarde gaan hechten aan het systeem dat ze gevangen houdt.

Daarom kan het huidige systeem niet zomaar ontmanteld worden. Dat zou voor veel teveel onrust zorgen. Het publiek moet langzaam gewend worden aan zwakheden van het systeem en de mogelijkheid van het omvallen ervan. Dat gebeurt door gecontroleerde crises op te zetten. Zo ontstaat de perceptie van zwakte van het systeem.

Pas wanneer dit voldoende doorgedrongen is, wordt het tijd voor een beslissende blitz-crisis die de bestaande systemen volledig zal omgooien. Deze crisis zal zich zodanig snel voltrekken dat de bevolking geen tijd heeft om te beseffen wat er gaande is, en tijdelijk voor enorme armoede en ellende zorgen.  Men zal aanvoeren dat er sprake is van "overmacht", en dit gebruiken als rechtvaardiging voor het implementeren van een nieuw systeem.

De blitz-crisis zal elke vorm van bezit (buiten de elite) wegvagen, en dat is nodig omdat het nieuwe systeem niet meer gebaseerd zal zijn op bezit, maar op gedrag.

Waar in het huidige systeem werk de belangrijkste manier is om geld te verdienen, zal in het nieuwe systeem elke vorm van gewenst gedrag beloond kunnen worden, en elke vorm van ongewenst gedrag bestraft of onmogelijk gemaakt kunnen worden. Hierdoor zullen gedifferentieerde privilegeniveaus mogelijk worden. Bijvoorbeeld punten voor goed of slecht communicatiegedrag. Bij goed gedrag kan een hoger privilegeniveau bereikt worden. Een niveau dat bijvoorbeeld toegang biedt tot meer uitgebreide communicatie. Bij slecht gedrag kunnen privileges weer ingenomen worden. Zo kan op elk denkbaar terrein het individuele gedrag volledig gestuurd worden.

Het systeem zal aan de bevolking verkocht worden als het nieuwe wereldwijde "geld". Maar dat is het niet. Het is niets meer dan een nieuwe managementtechniek. Een nieuwe ‘state of the art’ managementtechniek die de volgende grote stap zal betekenen in de totale controle van de machtselite over de wereld.