woensdag 22 december 2010

Henk


U woont in een straat. Met de meeste van uw straatgenoten kunt u het goed vinden. Op een dag besluit u met vijf van die straatgenoten gezamenlijk een auto te kopen. U bezit nu allemaal een eigen auto, en het is u opgevallen dat er eigenlijk altijd vier stilstaan. En dat is zonde. U kunt net zo goed met z’n vijven één auto delen en daarmee ook de kosten.

U koopt samen een nieuwe auto. Een gele. De auto kost 15.000 euro, en u betaalt ieder 3000. U maakt samen een gebruiksrooster, en u berekent dat de gebruikskosten van de auto 100 euro per persoon per maand zijn. U geeft het beheer van de financiën in handen van overbuurman Henk. Die is handig met dat soort dingen. Henk heeft een eigen auto, doet verder niet mee, en is dus onpartijdig. Iedereen maakt iedere maand 100 euro over aan Henk, en Henk regelt de verzekering, belasting, tankpas en onderhoud. En houdt een kleine vergoeding in voor de moeite.

U maakt in volle tevredenheid gebruik van de regeling, en u geniet alle vijf van dit uitstekende idee.

Op een dag verkoopt Henk de auto, zonder het eerst aan u te vragen. Aan de firma SuperLease. Henk steekt de opbrengst in zijn eigen zak. U bent boos en stapt met uw vijven naar Henk.

Maar Henk roept: ‘Nee nee! Jullie begrijpen het verkeerd! Ik doe dit voor jullie! SuperLease kan het beheer van de auto véél beter en efficiënter dan ik! Zij hebben te maken met schaalvoordelen, en concurrentie en zo – dat is allemaal heel ingewikkeld – maar vertrouw mij maar: jullie zullen een stuk goedkoper uit zijn!’

En inderdaad, de maandkosten zakken direct naar 80 euro. ‘Die Henk! Die is zo gek nog niet!’ roept u in koor. ‘Handige jongen, met geld. Geen wonder dat hij een Mercedes rijdt’.

Maar na een half jaar krijgt u een brief van SuperLease: Vanwege allerlei omstandigheden zijn wij helaas genoodzaakt om het maandbedrag te verhogen naar 100 euro. U baalt. Maar u bent nog steeds niet duurder uit dan voorheen, dus u zeurt niet.

Een half jaar later krijgt u weer een brief van Superlease: Vanwege nog meer allerlei omstandigheden moet u voortaan de eerste 10 liter benzine van iedere tank zelf betalen. Dit heet ‘eigen risico’. U baalt weer en stapt naar Henk.

Henk zegt: ‘Ik kan er ook niks aan doen. Het komt door de vergeling: er komen steeds meer gele auto’s, en daarom is deze maatregel noodzakelijk, want anders wordt het onbetaalbaar!’

Maar ieder half jaar vallen er brieven van SuperLease op de deurmat, en iedere keer moet u meer betalen, en krijgt u minder. U moet nu al de eerste 20 liter zelf betalen, en uw maandbedrag is inmiddels 200 euro en u mag alleen nog tanken bij stations van StupidOil. U hebt er genoeg van, en u besluit dat u ermee wil stoppen. U gaat samen weer naar Henk.

U zegt: ‘Henk, we stoppen ermee. We nemen het verlies wel, maar dit loopt uit de hand. We gaan het wel weer zelf doen.’
Maar Henk zegt: ‘Tja, uhh, dat kan niet…’.
‘Hoezo niet!?’ roept u.
‘Uhm, we hebben een contract. We moeten verplicht tot in lengte van dagen blijven leasen…’.
‘Wat!? Daar kom je nou mee?!’ zegt u verbaasd.
‘Uhm, ja…. Maar niet getreurd! We mogen zo overstappen naar een andere leasemaatschappij! Ik zal alle voorwaarden van alle leaseaanbieders uitzoeken, en morgen laat ik zien wat de beste deal is’. En Henk duikt achter zijn computer.

De volgende dag komt u bij elkaar, en Henk laat alles zien. Offertes van SuperLease, HyperLease, InterLease, YourLease en OurLease. Dat zijn de keuzemogelijkheden. Henk laat de papieren achter zodat u alle voorwaarden op uw gemak kunt bestuderen, en na een middag gezamenlijk puzzelen, komt u er achter dat u overal (op een paar euro na) even duur uit bent. Bij de één zijn de maandkosten lager, maar het eigen risico hoger, bij de ander andersom en de rest zit er tussenin. En dat verbaast u, want Henk had het toch over concurrentie en zo gehad?

Dus gaat u het nu maar zelf uitzoeken. En al snel komt u tot de conclusie dat SuperLease, HyperLease, InterLease, YourLease en OurLease (evenals StupidOil) allemaal deel uitmaken van ÜberHolding NVBVGmbHLtd. Het dringt tot u door dat u geen kant meer op kunt, en dat u voor altijd precies zult moeten betalen wat ÜberHolding u vraagt. U zit vast.

Boos gaat u weer naar Henk. U treft hem aan terwijl hij zijn spullen aan het pakken is. Henk gaat verhuizen. Hij heeft een nieuwe baan. Bij ÜberHolding NVBVGmbHLtd.

donderdag 16 december 2010

Tijd voor iets nieuws


Hoe beter je kijkt, of eigenlijk moet ik zeggen: hoe beter je je best doet om te kijken, hoe meer je waarneemt dat de wereld om ons heen, en de manier waarop wij die wereld ingericht hebben, gebaseerd is op een groot aantal aannames.

Eén van de aannames die zich het meest manifesteert in de inrichting van de mensheid, is de aanname dat ons bestaansrecht bevochten dient te worden. Dat ons individuele bestaansrecht alleen veilig te stellen is door middel van concurrentie. Dat geldt niet alleen in economische zin, maar voor alle aspecten van het bestaan. Dus niet alleen voor het vergaren van geld en bezit, maar bijvoorbeeld ook voor ideeën en gedachten. Ideeën en gedachten die voor ons alleen waarde lijken te krijgen als anderen het met ons eens zijn. Als we “gelijk” krijgen. Dat is de reden waarom mensen elkaar op internetfora de tent uit vechten. Pas wanneer ons eigen denkbeeld de “winnaar” is (wanneer we “gelijk” krijgen), dan pas kunnen we er blijkbaar zelf op vertrouwen.

Concurrentie is de basis waarop onze samenleving gebouwd is. En concurrentie is goed. Tenminste: dat zeggen de economen. En dat kun je die economen natuurlijk niet kwalijk nemen. Ze herhalen gewoon netjes wat ze op school geleerd hebben, en zelfs de routine van het herhalen zelf, hebben ze op school geleerd. En waarom zouden ze het ook niet zeggen: hun visie is de algemeen geaccepteerde visie, en dus hebben ze “gelijk”. En dat gelijk geeft ze een concurrentievoorsprong op de dommertjes die niet gestudeerd hebben, en dus ook nooit gelijk kunnen hebben.

Dus neemt bijna iedereen aan dat concurrentie onvermijdelijk is, en zelfs goed. De economen hebben immers gelijk, en mochten ze geen gelijk hebben, wie zijn wij dan om te zeggen dat wij wel gelijk hebben? En zo blijft alles lekker veilig bij het oude. Zelfs als dat oude niet meer werkt.

De wereld van nu is dus gebaseerd op concurrentie. Op het idee dat iedereen zijn bestaansrecht moet bevechten. En zoals dat gaat met vechten: om te vechten heb je een tegenstander nodig. Wil je door vechten je bestaansrecht winnen, dan zul je een ander moeten verslaan. Jouw bestaansrecht moet je immers van een ander afnemen. Je kunt alleen meer geld en bezit vergaren door sterker, slimmer, intelligenter, doortrapter of handiger te zijn dan een ander. Want die ander wil ook meer geld en bezit. Als jij niet handiger bent dan hij, dan gaat hij ermee vandoor. Doordat jij anderen bevecht, zullen anderen jou bevechten, waardoor jij harder zult moeten vechten, waardoor zij harder zullen vechten, waardoor jij nog harder zult moeten vechten etc. Een mechanisme dat zichzelf aandrijft.

Het gevolg is dan natuurlijk wel dat, wanneer jij succesvol bent en daarmee meer verworvenheden verkregen hebt, dit ten koste gaat van het welzijn van de ander. Het gaat met jou beter, en dus met de ander slechter. En dat het met die ander slechter gaat is jouw schuld. Daar willen we natuurlijk liever niet aan denken, dus zeggen we: dan had hij maar beter zijn best moeten doen, of slimmer moeten zijn. En zo hebben we geen last van schuldgevoelens. Maar, ook al kennen we de benadeelde meestal niet persoonlijk, het blijft jouw schuld. Schuld waarvan de gevolgen door de verliezer gedragen worden.

Ook in economische zin, als het dus om geld gaat, werkt het concurrentiesysteem zo: de één zijn rijkdom, is de ander zijn schuld. Een systeem dat is gebaseerd op concurrentie resulteert in schuld. In iedere zin van het woord. Bovendien staat in zo’n systeem het belang van het individu voorop. Wat er met anderen gebeurt, en dus met het collectief, is ondergeschikt aan het eigen belang. En we denken dat we geen andere keuze hebben, want anders loopt de concurrent ermee weg.

We nemen aan dat het bestaande systeem het enig mogelijke systeem is. En dat doen we omdat we er waarde aan hechten. We denken dat het systeem ons iets oplevert. Zelfs als het systeem veel meer negatieve aspecten met zich meebrengt dan positieve, dan nog willen we er liever geen afstand van doen. We vrezen dat, wanneer we er afstand van zouden doen, de positieve aspecten (ook al zijn het er nog zo weinig) zullen wegvallen, en alleen de negatieve zullen overblijven. Dus zeggen we tegen onszelf: het is inderdaad niet allemaal koek en ei, maar het kan nou eenmaal niet anders.
Maar wat als we ons nou eens (bij wijze van experiment) een voorstelling zouden maken van een ander systeem. Een systeem dat niet gebaseerd is op de noodzaak het eigen bestaansrecht te bevechten, maar op het idee dat het bestaansrecht te verdienen is? Een bestaansrecht dat door anderen verleend wordt op basis van de waardering die zij hebben voor jouw bijdragen, in plaats van bestaansrecht dat door anderen afgenomen wordt door jou te beconcurreren. Een bestaanrecht dat niet gebaseerd is op concurrentie en vijandschap, maar op bijdrage en waardering.

Ik hoor mensen al roepen: ‘daar heb je hem weer met zijn onrealistische, utopische ideeën! Kom toch eens terug van die wolk, en ga met je poten op de grond staan!’

Het punt is: ik sta met mijn poten op de grond. Het enige dat ik wil doen, is het afschudden van een bestaande overtuiging. Een geloof dat net zoveel op illusies gebaseerd is als welke utopie ook. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat dit geloof juist is. We hebben immers nog nooit iets anders serieus overwogen, laat staan dat we het uitgeprobeerd hebben. De waarde die we aan het bestaande systeem hechten is gebaseerd op een illusie. Net zoals de waarde die we aan geld hechten, gebaseerd is op een illusie. Een illusie overigens waarvan dankbaar misbruik gemaakt wordt door enkelen.

Dus, als we de moed zouden hebben om die illusie eens even los te laten, wat zouden we dan voor alternatief kunnen zien?

Wat als we een systeem zouden hebben dat het collectief op de eerste plaats zet, in plaats van het individu? Een systeem dat in de eerste plaats een mooie samenleving oplevert. Een mooie, veilige, welvarende en prettige samenleving waar iedereen profijt van heeft. Een samenleving waarvan iedereen elke dag de voordelen ervaart, en waartoe iedereen dus graag toegang heeft. Toegang die je verkrijgt als je een bijdrage levert aan die samenleving. Een bijdrage die door de anderen gewaardeerd wordt. En waaraan iedereen daarom graag een zinvolle bijdrage zal willen leveren. En zo wordt die samenleving steeds mooier. Waardoor iedereen er nog meer waarde aan hecht.

Denk nou niet dat dit alleen op een andere planeet mogelijk zou zijn. Zulke systemen bestaan namelijk al. Gewoon, hier op aarde. Het is bijvoorbeeld het systeem van de kleine traditionele gemeenschappen. Ik heb in mijn leven veel tijd doorgebracht op de kleine Griekse eilanden. En op die eilanden leven kleine hechte gemeenschappen. Meestal bestaat daar geen enkele vorm van merkbaar gezag; er is geen politie, en er is nauwelijks invloed van de centrale regering. Mensen regelen de dingen zelf.

Iedereen levert daar een bijdrage aan de gemeenschap. En die bijdrage levert waardering op van de anderen. De gemeenschap wordt door iedereen gezien als zeer waardevol, en dat is hij natuurlijk ook want iedereen heeft er voordeel bij. Iemand die heel veel waardering krijgt van de anderen omdat zijn bijdragen zeer waardevol zijn, kan rekenen op veel toegang tot die voordelen. Een hoog gewaardeerd lid van de gemeenschap kan bijvoorbeeld rekenen op hulp en steun van iedereen als hij dat nodig heeft. Bijvoorbeeld als zijn huis afbrandt, dan zal de gehele gemeenschap hem er weer bovenop helpen. Terwijl iemand die de kantjes er vanaf loopt, beduidend minder steun zal ervaren in zo’n situatie. Door de kantjes er vanaf te lopen, draagt hij minder bij aan, én profiteert hij minder van de voordelen van de gemeenschap. Wanneer hij de boel zou verzieken en uit eigenbelang zou frauderen of stelen, dan loopt hij het risico helemaal uitgesloten te worden van de voordelen van het collectief. En dat is een klein voordeel niet waard. Daarom bestaat er in die gemeenschappen geen criminaliteit. En om diezelfde reden is iedereen gemotiveerd om een zinvolle bijdrage te leveren aan die gemeenschap. Daarmee wordt niet alleen het eigen belang gediend, maar door al die zinvolle bijdragen wordt het collectief steeds waardevoller, en daarmee groeit dus ook de mogelijkheid om daarvan te profiteren, en dus ook de motivatie om er nog meer aan bij te dragen etc. Een mechanisme dat zichzelf aandrijft.

Dit systeem is mogelijk omdat iedereen elkaar kent. Omdat iedereen weet welke bijdragen er door iedereen geleverd zijn. Het systeem is gebaseerd op sociale verbondenheid, in plaats van verdeling. Het is gebaseerd op bestaansrecht verdienen, in plaats van bestaansrecht bevechten. Het is gebaseerd op elkaar bestaansrecht geven, in plaats van elkaar bestaansrecht afnemen. Het is gebaseerd op gunnen, in plaats van concurreren. Het is gebaseerd op opgebouwd krediet (in de ruimste zin van het woord), in plaats van opgebouwde schuld (in elke zin van het woord).

En omdat het collectief als geheel op deze manier steeds meer waarde krijgt, en dus krediet opbouwt, staat het in schril contrast tot het concurrentiesysteem waarbij het collectief als geheel juist steeds minder waarde krijgt, en steeds dieper gebukt gaat onder opbouwende schuld. En dat is hier momenteel voor iedereen pijnlijk waarneembaar.

En bovendien: het is een systeem dat zichzelf regelt. Er is geen enkele centrale autoriteit voor nodig om de boel te besturen. Er is geen regering nodig met regels en wetten. Geen politie, want er is geen criminaliteit. Een dief straft zichzelf. Hij zal worden uitgesloten door het collectief, in plaats van ingesloten door de politie. Het systeem werkt zonder gezag. Ook dit in schril contrast tot het concurrentiesysteem van “ieder voor zich”, waarbij een sterk gezag nodig is om alle geschillen te beslechten en om criminaliteit te beperken. Gezag dat door haar macht en de daaruit voortvloeiende dwang, over het algemeen meer bedreiging dan bescherming oplevert.

Nou zou je dus kunnen zeggen dat dit idee utopisch is omdat het alleen werkt in kleine gemeenschappen waar iedereen elkaar kent, en we wonen nou eenmaal niet meer in kleine gemeenschappen. En dat is natuurlijk zo. Maar dan hebben we geen rekening gehouden met het menselijk vernuft. De kleine gemeenschappen zijn verdwenen onder de invloed van de moderne technologie, maar het is juist die technologie die ons momenteel een mogelijkheid biedt om ons weer met elkaar te verbinden. En dat is internet.

Precies op deze manier werkt namelijk een van de meest succesvolle internetgemeenschappen: Ebay*. De Ebay gemeenschap bestaat wereldwijd momenteel uit meer dan 180 miljoen leden die elkaar in de regel niet persoonlijk kennen. Toch kunnen de leden ongelimiteerd met elkaar handelen, zonder dat er sprake is van een sterke centrale autoriteit. En dat komt omdat de leden ervan elkaar letterlijk en figuurlijk waarderen.

Ebay biedt de deelnemers grote voordelen. In veel landen zijn zowel veel particulieren als detaillisten helemaal overgegaan op handelen via Ebay. En dat doen ze omdat het systeem voordelen biedt waar ze graag van profiteren. De leden zijn dus gebaat bij een florerend collectief: Ebay.

Na iedere transactie geven de koper en de verkoper elkaar een waardering: is er netjes op tijd betaald, is er netjes op tijd de afgesproken waar geleverd. Het aantal positieve of negatieve waarderingen dat een verkoper gekregen heeft, is voor iedereen zichtbaar. Verkopers met een hoog percentage positieve waarderingen zijn dus betrouwbaar. En omdat iedereen dat kan zien en omdat iedereen graag van een betrouwbare verkoper koopt, kunnen die betrouwbare verkopers gemakkelijker verkopen. Goed presteren is dus in hun eigen belang, maar daarmee leveren ze ook een bijdrage aan het geheel: de Ebay gemeenschap.

Tegenwoordig hebben vrijwel alle verkopers een score van meer dan 95% positieve waarderingen. En dat is logisch. Mensen met een lagere waardering verkopen niks meer omdat klanten liever kopen bij mensen met een hogere waardering. Slechte verkopers worden zo uitgesloten of worden genoodzaakt om beter hun best te doen, willen ze van het systeem kunnen blijven profiteren. Omdat iedereen daarom beter zijn best doet, krijgt het systeem als geheel steeds meer waarde. En daarom valt er ook steeds meer van te profiteren: mensen ervaren kopen op Ebay steeds meer als prettig en veilig, en daarom komen er steeds meer kopers en dat is dan weer in het voordeel van de verkopers etc. Wie het meest bijdraagt, krijgt de meeste waardering, kan het meest verkopen en profiteert dus het meest. Een mechanisme dat zichzelf aandrijft.

Oplichters ontzeggen zichzelf de toegang tot de voordelen van het systeem, omdat ze zullen worden buitengesloten zodra ze slechte waarderingen krijgen. En zo reguleert een gemeenschap van 180 miljoen mensen (die allemaal iets willen verdienen) zichzelf. Zonder centraal gezag. Het wordt mogelijk omdat mensen elkaar waarderen, in plaats van bevechten.

Als dit met tweedehands spulletjes of handel in kleingoed kan, waarom zou zoiets dan ook niet kunnen met hetgeen waaruit al die artikelen zijn ontstaan: arbeid. Elkaars inspanningen en talenten (waaruit arbeid bestaat), over en weer waarderen op basis van de bijdrage die deze arbeid oplevert. Een bijdrage aan het geheel. Aan de mensheid. En dus aan alle leden ervan. Een mooie inrichting van de mensheid waarvan iedereen profiteert, en waarvan de voordelen, (de arbeid van anderen) meer toegankelijk worden naarmate je zelf meer zinvolle bijdragen levert. Waarvoor iedereen dus zijn best zal doen. Een mensheid en een omgeving die daardoor steeds mooier zal worden, in plaats van steeds lelijker zoals nu. Een omgeving die niet meer geteisterd zal worden door zinloze overproductie en de bijbehorende vervuiling zoals nu. Een omgeving die voor iedereen bestaansrecht zal bieden, simpelweg omdat wij elkaar dat bestaanrecht zullen geven, in plaats van afnemen zoals nu. Een omgeving waarin de bestaande overvloed voor iedereen toegankelijk zal zijn, in plaats van voor enkelen zoals nu.


De technologie is er. Het enige dat we nodig hebben is een handige webdeveloper, en de eerste paar deelnemers. Net zoals Ebay ooit begon met de eerste twee deelnemers: een verkoper en een koper. Ebay waarvan in het begin niemand de voordelen zag (‘dat gaat nooit werken!’), maar dat desondanks in 15 jaar uitgroeide tot wat het nu is.

Wie doet mee?


* Hierop werd ik opmerkzaam gemaakt door Stefan Molyneux. Ziehier wat hij erover te zeggen heeft. De filmpjes op zijn website zijn trouwens allemaal de moeite waard.

dinsdag 7 december 2010

Wikileaks




Ik heb een beetje een verward gevoel bij de hele Wikileaks affaire. Iets zit me niet lekker. Het wringt.

Als ik één ding geleerd heb de afgelopen jaren, dan is het wel dat belangrijke gebeurtenissen in de wereld vrijwel nooit ‘zomaar’ gebeuren. Daarnaast heb ik ook geleerd dat de dingen die het journaal en de kranten (de main stream media dus) ons willen doen geloven, eigenlijk nooit helemaal waar zijn (maar vaak wel helemaal onwaar). En dat is niet onbegrijpelijk. Nieuws vertegenwoordigt een bepaalde kracht, en de mens zou de mens niet zijn als die kracht niet zou worden ingezet voor bepaalde belangen door degenen die de mogelijkheid hebben om dat te doen.

Nou zat ik me dus af te vragen welk belang er achter de berichtgeving over Wikileaks zou kunnen zitten. Voor de duidelijkheid: ik zeg niet dat het zo is, maar ik zeg dat het niet onmogelijk zou zijn dat we hier te maken hebben met een staaltje van manipulatie. Het zou in ieder geval niet de eerste keer, en hoogstwaarschijnlijk ook niet de laatste keer zijn. Sterker nog: het feit dat Wikileaks serieus genomen wordt, betekent op zichzelf al dat de meeste mensen het aannemelijk vinden dat we gemanipuleerd worden. Wikileaks zou immers onthullingen doen over geheimen en verdraaide waarheden of zelfs leugens. Wikileaks zelf gaat over manipulatie. Wil je dus geloven dat Wikileaks echt is, dan moet je eigenlijk ook aannemen dat manipulatie bestaat.

Stel nou, dacht ik, stel nou dat dit hele Wikileaks verhaal een toneelstukje is, een stukje geregisseerd theater, wat zou daarvan de bedoeling kunnen zijn? Welk belang zou daarmee dan behartigd kunnen worden?

Op een gecontroleerde manier de aandacht afleiden van andere klokkenluidersites? Het stroomlijnen en beheersbaar maken van alternatieve nieuwsmedia? Het tot de orde roepen van lagere overheden? Dat zou allemaal kunnen, maar dan ontbreekt er één ding dat in andere manipulaties over het algemeen wel aanwezig is, en dat is dat manipulaties meestal de bedoeling hebben om dingen te veranderen. Om rechtvaardiging te genereren voor een verandering. Verandering waartegen mensen zich, zonder die rechtvaardiging, zouden verzetten. Dus kwam de vraag op, welke verandering zou deze affaire kunnen rechtvaardigen?

Ik besteedde aan deze vraag eerlijk gezegd niet heel veel aandacht, totdat ik vandaag naar het journaal zat te kijken. Zoals iedere dag werd er weer uitgebreid verslag gedaan van de ontwikkelingen rondom Wikileaks. Bovendien werd gemeld dat Wikileaks informatie vrijgegeven had over ‘strategische doelen’. En dat die informatie ‘terroristen’ in de kaart zou kunnen spelen. Ook bij De Wereld Draait Door (ja, ik weet het, ik kijk naar die dingen..) zat oud minister Bertje Koenders. Hij meldde dat hij een groot voorstander was van openheid, maar dat hij het prijsgeven van informatie over ‘strategische doelen’ onverantwoord vond. En toen ging er bij mij een lampje branden.

Stel nou (ik weet het is hypothetisch, maar toch), stel nou eens dat dit inderdaad een stukje theater is. Dat dit een stukje manipulatie is dat de bedoeling heeft om voor eens en voor altijd het internet aan banden te leggen. Dan zou dat een heleboel vragen ophelderen. Dat zou dan ook antwoord geven op mijn vraag welke verandering hiermee gerechtvaardigd dient te worden. Dat zou ook verklaren waarom de media juist Wikileaks zo omarmen. Het zou ook de uitspraak van Koenders verklaren.

Nogmaals, ik zeg niet dat het zo is. Dat kan ik tenslotte (nog) niet weten (ik heb geen glazen bol), maar het zou geen onlogische gedachte zijn om te vermoeden dat deze Wikileaks affaire de rechtvaardiging moet genereren om het vrije internet af te sluiten. Want stel, stel nou eens dat er binnenkort een “aanslag” plaatsvindt. Een aanslag op een strategisch doel dat door Wikileaks “onthuld” is. Wikileaks dat “terroristen” informatie gegeven heeft waardoor die terroristen die aanslag konden plegen. Stel dat zoiets gebeurt, en dat die aanslag veel mensenlevens kost, dan zal er geroepen worden: ‘Dit mag nooit meer gebeuren!’

En dat zou de perfecte rechtvaardiging zijn om het vrije internet af te sluiten. Omdat zoiets, zo’n vreselijke aanslag door terroristen, dat zoiets nooit meer mag gebeuren. Dan zou men kunnen roepen: ‘Zie je wel, internet is levensgevaarlijk!’

Oftewel, zou de Wikileaks affaire misschien de aanloop naar een tweede 9/11 kunnen zijn? Maar dan nu bedoeld om internetvrijheid te beperken of omzeep te helpen?

Ik weet het natuurlijk niet. Maar het zou kunnen. Het zou heel goed kunnen. Maar ik hoop het natuurlijk niet. Maar ik wil het toch gezegd hebben.


Mocht iemand andere suggesties hebben over de werkelijke bedoelingen achter deze Wikileaks affaire, dan hoor ik ze graag.

zaterdag 4 december 2010

Angst


Angst is lenen van ellende. Zoals een geldlening betekent dat je nu geniet van iets dat je later misschien verdient, zo betekent angst dat je nu lijdt onder iets dat later misschien gebeurt.

Mensen zijn alleen bang voor dingen die zouden kunnen gebeuren. Nooit voor dingen die op een moment werkelijk plaatsvinden. Angst gaat nooit over nu, maar altijd over de toekomst. Of die toekomst nou over vijf jaar, vijf minuten of over vijf seconden is, het maakt niet uit, het is altijd angst voor de toekomst.

Angst is een van de belangrijkste drijfveren van mensen. Een groot deel (volgens sommigen zelfs alles) van ons doen en laten is erop gebaseerd. Angst wordt door iedereen ervaren als een nare, negatieve emotie.

Er bestaan twee soorten angst: angst voor concrete zaken zoals oorlog of armoede of misdaad (doodsangst), en angst voor angst: angst voor de onprettige emotie zelf.


Om angst te pareren bestaan er twee mogelijke strategieën:

De eerste mogelijke strategie is bewustwording.

Je kunt jezelf wapenen tegen angst door jezelf bewust te maken van hetgeen er op je af komt. Als je weet wat er op je afkomt en hoe het er ongeveer uit zal zien, dan kun je voorzorgsmaatregelen nemen. Bijvoorbeeld het gevaar afwenden, of je ertegen beschermen. Deze strategie is gebaseerd op angst voor concrete zaken en kan soms inderdaad gevaar afwenden. Angst is daarom niet per definitie iets negatiefs: als de Duitsers in 1933 (toen Hitler aan de macht kwam), geweten hadden wat er op ze afkwam, dan zouden ze terecht bang geweest zijn. Dat was misschien geen fijn gevoel geweest, maar het had ze wel de mogelijkheid gegeven om er iets aan te doen. Met de strategie van bewustwording, wordt angst omgebogen naar handelen.

Het risico van de bewustwordingsstrategie is, dat de mogelijkheid bestaat dat je weliswaar uitvindt wat er op je afkomt, maar dat je tot de conclusie moet komen dat je er niets tegen kunt doen. Dat het gevaar zo groot is dat je jezelf er niet tegen kunt wapenen. Je kunt de angst dan niet ombuigen naar handelen, en die angst blijft dan dus bestaan, of wordt zelfs erger. En dan had je misschien beter kunnen kiezen voor de tweede strategie, maar dan is het te laat.

De tweede strategie is: bewustwording voorkomen.

Verdringing. Het is de bekende struisvogelpolitiek van ‘kop in het zand’. Door niet te willen weten wat er in het verschiet ligt, kun je jezelf wijsmaken dat er geen enkel gevaar dreigt. Het voordeel is dan dat je niet bang hoeft te zijn, en niets hoeft te doen. Je verdringt angst, en je hoeft die angst dus ook niet om te buigen naar handelen. Deze strategie is gebaseerd op angst voor angst; bang om bang te zijn. Het nadeel is, dat je dan geen idee hebt wat er gaat gebeuren, en dat je dus altijd onvoorbereid met problemen geconfronteerd zal worden. Dat terwijl veel van die problemen prima oplosbaar geweest zouden zijn als je vooraf wist dat ze zouden komen en hoe ze eruit zouden zien. Dan had je erop kunnen anticiperen. Maar de struisvogelstrategie blokkeert alle bewustwording, en dus ook bewustwording over hanteerbare problemen. Het is daarom niet mogelijk om eerst strategie 1 (bewustwording) te proberen, en vervolgens (als je erachter komt dat het probleem onoplosbaar is) alsnog te kiezen voor strategie 2 (onbewust blijven). Je kunt dingen namelijk niet ‘onweten’.

Dat is ook de reden waarom mensen die kiezen voor strategie 2 (onbewust blijven), altijd de mensen die kiezen voor bewustwording met alle mogelijke middelen zullen bevechten. De “onbewusten” kunnen hun eigen strategie alleen in de lucht houden door onwetend te blijven, en de groep “bewusten” is wetend, en daarmee besmettelijk. Dit is het mechanisme achter ‘killing the messenger’ en achter het afbranden van klokkenluiders.

Omdat angst voor angst niet om te zetten is naar handelen, maar alleen te hanteren is door verdringing, zal die angst altijd onder het oppervlak blijven bestaan. De energie ervan kan namelijk nergens een uitweg vinden, en wordt daarmee opgeslagen in het onderbewustzijn. Dat maakt mensen die ervoor kiezen zoveel mogelijk onbewust te blijven, zeer gevoelig voor nieuwe angsten. Ze zullen er alles aan doen om die te vermijden. Dat maakt ze extreem voorspelbaar en daarmee manipuleerbaar. Het enige wat daarvoor gedaan moet worden is ze attent maken op een gevaar dat van links komt (echt of onecht – dat maakt niet uit: ze willen het toch niet weten; ze kiezen ervoor onbewust te blijven), en ze zullen direct naar rechts gaan. Of andersom.

Ook de “bewusten” zijn manipuleerbaar: hou ze een bedreiging voor, en ze zullen eraan gaan werken om die bedreiging af te wenden of zich ertegen te beschermen. Door ze een uitgekiend nepgevaar voor te spiegelen, zullen ze reageren door te handelen op de manier die de manipulator wil. Deze groep vereist wel een veel meer geraffineerde politiek omdat ze door hun neiging de dingen uit te zoeken, ook snel achter de waarheid komen. Voordeel voor de manipulator is wel dat ze in dat geval bestreden zullen worden door de “onbewusten” en dat de manipulator dat dus niet zelf hoeft te doen.

Angst blijft daarmee het perfecte gereedschap voor iedereen die anderen wil besturen of overheersen. Angst is het belangrijkste vervoermiddel van macht. Het vervoert macht van de angstigen naar degenen die de angst genereren.

vrijdag 3 december 2010

Zinloos werk


Het grootste gevaar voor de toplaag van een hiërarchisch ingerichte maatschappij is overvloed. Overvloed brengt, in tegenstelling tot schaarste, vrijheid. In een situatie van overvloed, kunnen mensen namelijk doen wat ze zelf willen, zonder dat hun bestaan in gevaar komt. Mensen worden onafhankelijk. En onafhankelijkheid is vrijheid. En dat is precies tegenovergesteld aan de belangen van de machthebbers, omdat hun macht nou juist bestaat uit onze onvrijheid.

Daarom zal iedere machthebber proberen om overvloed te voorkomen om daarmee mensen voortdurend in schaarste te houden waardoor ze permanent moeten werken om het hoofd boven water te houden. Het is les één uit het leerboek voor heersers.

Maar daarmee ontstaat een probleem: als mensen voortdurend werken, produceren ze ook voortdurend dingen. En als ze veel zinvolle dingen zouden produceren, zouden er ook veel zinvolle dingen beschikbaar komen, en dat zou dan weer leiden tot overvloed. En dus tot het verdwijnen van de noodzaak om voortdurend te werken.

In deze tijd wordt de productie van steeds meer zinvolle zaken geautomatiseerd. Dat wil dus zeggen dat daarvoor steeds minder arbeid nodig is. Er zijn daarmee steeds minder mensen nodig om de benodigde hoeveelheid aan zinvolle dingen te produceren. Het gevolg daarvan zou dus ook overvloed zijn, namelijk een overvloed aan tijd. Het wordt overbodig om steeds te blijven werken als er voldoende zinvolle zaken beschikbaar zijn. En die overgebleven tijd kan dan aan andere dingen besteed worden. Aan andere dingen dan werk bijvoorbeeld.

Het is voor het voortbestaan van de hiërarchische machtsstructuur daarom noodzakelijk dat er zoveel mogelijk mensen zinloos werk verrichten. Zinloos werk dat voorkomt dat mensen tijd hebben om zich bezig te houden met zinvolle zaken. Zinvolle zaken die tot overvloed zouden leiden, en daarmee tot het verlies van controle van de machthebbers over het volk.

Maar het is nog niet zo eenvoudig om mensen voortdurend zinloos werk te laten doen. Mensen zijn uit zichzelf namelijk geneigd om hun tijd en energie te besteden aan zaken die ze juist wel zinvol vinden. En daarom wordt er op alle fronten aan gewerkt om dat te voorkomen.

Een van de dingen die daarvoor worden ingezet is propaganda. Bijvoorbeeld propaganda om ook vrouwen zinloos werk te laten doen. Het feminisme is een mooi voorbeeld van een succesvolle campagne. Vanaf de jaren zestig is vrouwen verteld dat het grootbrengen en opvoeden van kinderen een taak is die gebaseerd is op ondergeschiktheid. En dat een zinvolle levensinvulling alleen buitenshuis te vinden is. Een typisch voorbeeld van een Orwelliaanse omkering. Het heeft ervoor gezorgd dat veel vrouwen de zinvolle taak van het grootbrengen en opvoeden van kinderen, inruilden voor zinloos werk buiten de deur. De in de media getoonde rolmodellen waren (en zijn) steeds moeders met interessante banen zoals advocaat, manager of succesvol zakenvrouw, maar in de praktijk kwam het erop neer dat verreweg de meeste vrouwen zinloos repetitief of administratief werk gingen verrichten.

Doordat die vrouwen daarmee ook een bijdrage gingen leveren aan het gezinsinkomen, steeg het gemiddelde gezinsinkomen, en, zoals altijd, stegen de kosten van levensonderhoud evenredig mee. En dat dwong andere vrouwen - vrouwen die zich liever toewijdden aan het grootbrengen van hun kinderen - om ook buitenshuis te gaan werken, en daarmee eveneens hun zinvolle bezigheden thuis, in te ruilen voor zinloze bezigheden buiten de deur. Anders was het leven niet meer betaalbaar.

Een ander speerpunt van de campagne voor zinloosheid is onderwijs. Onderwijs speelt een belangrijke rol in het zinloos werk, omdat goed onderwijs ervoor zou kunnen zorgen dat mensen vaardigheden krijgen. En mensen met vaardigheden zullen die vaardigheden willen gebruiken. Ze zullen die vaardigheden op een zinvolle manier proberen in te zetten. Als er veel mensen zijn met zinvolle vaardigheden, dan zal dat dus leiden tot het tot stand komen van veel zinvolle dingen, en dat zal vervolgens weer leiden tot overvloed. En dat mag dus niet.

Vandaar dat het ongewenst is dat een meerderheid van de mensen zinvolle vaardigheden leert. Sinds enkele jaren is er daarom in het onderwijs sprake van een door de overheid opgelegde methodiek met de naam “competentie-gericht onderwijs”. Competentie wil zeggen vaardigheid. Vaardigheidsgericht onderwijs dus. Ook dit is weer een uitermate cynisch voorbeeld van een Orwelliaanse omkering. Competentie-gericht onderwijs doet namelijk precies het tegenovergestelde van wat de naam suggereert. Binnen competentie gericht onderwijs wordt het docenten lastig gemaakt en soms zelfs ronduit verboden om vakkennis over te dragen. Dit type onderwijs is volledig gericht op verwarring en stuurloosheid door het ontbreken van iedere vorm van logische structuur.

De belangrijkste competentie die de leerling aangeleerd krijgt, is het opvolgen van zinloze opdrachten zonder kritische vragen te stellen, en het omgaan met een omgeving bestaande uit collega’s die zich ook voortdurend bezighouden met zinloze taken. Oftewel het opdoen van de benodigde sociale “vaardigheden” om zonder morren te verblijven in een omgeving van volledige zinloosheid. En om deze manier van leven en bezig zijn te ervaren als volkomen normaal. Dit alles om te voorkomen dat mensen vaardigheden ontwikkelen en die daarom ook zullen gaan gebruiken.

Naarmate er meer overvloed aan zinvolle zaken dreigt te ontstaan (hetgeen als gevolg van de moderne geautomatiseerde productiemethoden momenteel het geval wordt), moet de groep mensen met werkelijke vaardigheden dus steeds kleiner worden. Ook dat is prima terug te zien in het onderwijs.

Zo’n 70% van de jeugd blijft steken bij het steeds verder verschralende VMBO/MBO, een percentage dat groeit. Ze krijgen daar een “opleiding” die ze nergens anders voor klaarstoomt dan het accepteren en opvolgen van zinloze opdrachten en het afzien van het stellen van kritische vragen. Het bereidt ze voor op een levenlang van zinloze bezigheid. Daarnaast rechtvaardigt het lage opleidingsniveau een laag inkomen gedurende hun werkzame leven, en ook dat draagt bij aan de beoogde schaarste. Schaarste die noodzakelijk is om de controle, en daarmee het hiërarchische model in stand te houden.

Schaarste die nog verder versterkt wordt door het opzetten van economische crises, en, als er desondanks een overvloed dreigt te ontstaan, het vernietigen van die overvloed door middel van oorlog. Maar daarover een andere keer.

maandag 29 november 2010

Vrijheid


Wordt vrijheid gevonden in jezelf, in je eigen gedachten en bewustzijn, of is vrijheid iets dat door de buitenwereld of de autoriteiten wordt toegekend of afgenomen? Dat is een steeds terugkerende vraag. Is het mogelijk om autonoom, dus in je eentje, vrij te worden, of moeten daarvoor eerst de bestaande externe machtsstructuren worden veranderd: regeringen omver geworpen, bankiers verjaagd?

Is vrijheid een mentale individuele toestand, of een culturele collectieve toestand?

Ik neig hoe langer hoe meer naar de gedachte dat daartussen geen verschil bestaat.

De macht van iedere heerser bestaat nergens anders uit, dan uit de gehoorzaamheid van anderen. Naarmate mensen meer aan hem gehoorzamen, of er meer mensen aan hem gehoorzamen groeit zijn macht. Macht is immers niks meer dan de mogelijkheid om anderen te laten doen wat de machthebber wil; om anderen te laten gehoorzamen.

En die macht kan hij aanwenden voor het uitoefenen van dwang. Dwang waarvoor hij gehoorzame onderdanen gebruikt om die ten uitvoer te brengen. Die gehoorzaamheid is
essentieel, omdat hij in zijn eentje niet langs alle deuren kan gaan om met zijn pistooltje ieders gedrag af te dwingen.

Zo heeft hij dus de gehoorzaamheid van bijvoorbeeld zijn politie en zijn leger nodig. Wanneer de heerser roept: ‘schiet!’ en de soldaten of de agenten zeggen: ‘nee, doe het zelf maar’, dan kan hij met zijn handen wapperen, en met zijn voeten stampen, of met een rood aangelopen hoofd gaan staan schreeuwen, maar dan heeft hij geen enkele macht. Het is de gehoorzaamheid van die soldaten en agenten die hem zijn dwangmiddelen verschaft, en die hem het gereedschap geeft om anderen (buiten politie, leger, ambtenaren) ook te dwingen om te gehoorzamen, waardoor zijn macht nog verder groeit. Zijn macht bestaat dus uit niets anders dan de gehoorzaamheid van anderen. Al of niet afgedwongen.

En vrijheid is nou juist de mogelijkheid om niet te gehoorzamen.

Kort gezegd: gehoorzamen leidt tot macht, en macht leidt tot afgedwongen gehoorzaamheid en dat leidt weer tot nog meer macht etc. En meer macht voor de één, betekent minder vrijheid voor de anderen.

Er zijn voor mensen twee motieven om te gehoorzamen: ten eerste (zoals hierboven beschreven) vanwege dwang. Maar daarnaast, en nog belangrijker: om geen verantwoordelijkheid te hoeven dragen. Veel mensen geven graag hun verantwoordelijkheid aan een ander, een leider, in de veronderstelling dat deze leider die verantwoordelijkheid voor hen zal dragen. In de veronderstelling dat ze daarmee niet meer zelf verantwoordelijk zijn. Maar dat is een illusie. Een misvatting.

Degene die zijn verantwoordelijkheid denkt in te ruilen voor gehoorzaamheid, is net zo verantwoordelijk voor de inrichting van de wereld als iemand die dat niet doet. Hij is namelijk verantwoordelijk voor het ontstaan van de bestaande hiërarchische structuur. Hij is degene die met zijn gehoorzaamheid de macht van de heerser voedt. Hij is daarmee verantwoordelijk voor de macht van die heerser. En daarmee voor zowel zijn eigen onderdrukking, als die van anderen. Net zoals degene die niet gehoorzaamt, verantwoordelijk is voor de vrijheid van zowel zichzelf als die van anderen. Verantwoordelijkheid voor de vormgeving van het collectief is daarmee nooit af te dragen of te ontlopen. Ook niet door te gehoorzamen want ook dat draagt bij aan de vormgeving van het geheel.

Wat er ontbreekt is dus niet verantwoordelijkheid, maar besef van verantwoordelijkheid.

De inrichting van het collectief bestaat uit het gedrag van alle individuen, en al die individuen zijn er dus verantwoordelijk voor. Willen we dat collectief veranderen (willen we bijvoorbeeld meer vrijheid) dan kan dat alleen in het besef dat wij (alle mensen) daarvoor verantwoordelijk zijn. Zolang we dus naar de machthebbers blijven schreeuwen en verbetering eisen, blijven we in de veronderstelling dat ZIJ verantwoordelijk zijn voor het wel en wee van de wereld. En daarmee blijven we de vergissing ondersteunen dat we zelf geen verantwoordelijkheid dragen, maar dat ZIJ het beter of rechtvaardiger moeten doen. En met die vergissing voeden we hun macht én onze onvrijheid.

Het enige dat er dus nodig is voor vrijheid is: niet gehoorzamen. En de beslissing om dat al of niet te doen, kan pas gemotiveerd worden genomen als het besef doordringt dat iedere beslissing om wel te gehoorzamen zal leiden tot meer macht, en dat die macht zal leiden tot meer dwang om te gehoorzamen, en daarmee dus tot meer onvrijheid. Pas wanneer iedereen beseft dat zijn gehoorzamen direct leidt tot onvrijheid van niet alleen zichzelf, maar ook van anderen, dan kunnen degenen die met hun gehoorzaamheid deze macht voeden, gewezen worden op hun verantwoordelijk zijn voor de onvrijheid van de rest.

Vrijheid kan dus helemaal nooit bestaan zonder besef van verantwoordelijkheid voor het geheel. Vrijheid kan alleen ontstaan als iedereen ervan doordrongen is dat de werkelijke dictator niet bestaat uit de regering, of de bankiers, maar uit degenen die aan hen gehoorzamen. Wil je dus iemand verantwoordelijk houden voor onvrijheid, dan moet je daar niet aankloppen, maar bij degene die daarvoor werkelijk verantwoordelijk is: jijzelf, of je buurman als hij weer eens slaafs gehoorzaamt. Hij is de werkelijke boosdoener. Ook al weet hij het misschien nog niet.

Iedereen is daarmee in precies dezelfde mate verantwoordelijk voor hoe de wereld eruit ziet en dus ook voor de mate van vrijheid. Die wereld IS iedereen.

woensdag 24 november 2010

Over geld, macht, Islam, politiek en oorlog


De huidige machtsverhoudingen in de wereld vinden voor een belangrijk deel hun oorsprong in het oude testament dat voor zowel het Christendom als de Islam en het Jodendom gelijk is.

Hierin staat dat het zondig is om rente te vragen.

Wikipedia zegt hierover:

In veel religies werd het heffen van rente op een lening als een zonde beschouwd. Meestal ging dit uit van twee benaderingen. Volgens de eerste kon geld zich niet zomaar 'uit zichzelf' vermeerderen, omdat alleen God of de goden zaken konden scheppen. De tweede, meer praktische reden om het heffen van rente als zonde aan te merken, was het feit dat woekeraars soms doelbewust dermate hoge percentages rekenden dat de schuldenaar nooit uit de schulden kon komen en al zijn goederen en uiteindelijk zijn vrijheid moest afstaan. Een dergelijke gang van zaken werd gelijkgesteld aan stelen, en was daarmee een zonde.

Om deze reden verbood de katholieke kerk tot in de middeleeuwen het heffen van rente. Joden, daarentegen, interpreteerden de regels van het oude testament anders. Het oude testament verbood het vragen van rente aan broeders, en omdat niet-joden geen broeders waren (zo redeneerde men) was het vragen van rente aan niet-joden toegestaan. Dit is de oorsprong van de prominente aanwezigheid van joden in de bancaire en financiële wereld, tot op de dag van vandaag.

Nogmaals Wikipedia:

In de Middeleeuwen was het christenen verboden rente te heffen, wat leidde tot de positie van joden als bankiers en geldverschaffers. Ook joden zelf was het in principe niet toegestaan rente te heffen, maar dit renteverbod gold niet wanneer zaken werd gedaan met niet-joden.

Uiteraard trokken de enorme winstmogelijkheden later ook niet-joodse zakenlieden aan, maar de internationale bancaire wereld telt nog steeds een onevenredig groot aantal joodse bestuurders en topfunctionarissen. En dat heeft dus helemaal niks met een “joodse volksaard” of zoiets te maken, maar heeft een puur historische oorsprong.

Wel werd al snel duidelijk dat de bijzondere maatschappelijke positie van bankiers enorme privileges met zich meebracht. Buiten private rijkdom, groeide ook de bestuurlijke invloed van de bankiers. En die invloed explodeerde met de introductie van een systeem met de naam fractional reserve banking in de late middeleeuwen.

Het systeem hield in eerste instantie in dat bankiers maar een klein deel (bijv. 10%) van het aan hen toevertrouwde goud in hun kluis hoefden te houden voor het geval een eigenaar het zou komen ophalen. Omdat het nooit voorkwam dat alle eigenaren tegelijkertijd hun goud kwamen ophalen, bleef er altijd een voorraad goud bij de bankiers. En dat goud (dat hun eigendom dus niet was) leenden ze uit tegen rente.

Met komst van waardepapieren (papiergeld) keerden de bankiers dit mechanisme om. Ze konden zelf waardepapier drukken, en met het in bewaring nemen van één goudstuk, kon nu voor tien goudstukken waardepapier worden uitgegeven, en tegen rente worden uitgeleend. De bankiers werden hiermee een vrijwel onuitputtelijke bron van geld (en daarmee schuld), maar die bron bestond feitelijk op basis van valsemunterij. Er werd immers papiergeld in omloop gebracht waar geen goud tegenover stond.

In eerste instantie stuitte dit systeem op weerstand bij de bestaande machthebbers, maar al snel bleek dat de bankiers hiermee ook de constante geldhonger van koningen en staten konden stillen, en zo werden er verbonden gesmeed tussen de bankiers en die machthebbers. In die zin dat deze vorm van valsemunterij door de wetgevers werd gelegaliseerd op voorwaarde dat de staten ervan konden profiteren.

Ook nu nog is vrijwel het gehele wereldwijde bancaire systeem gestoeld op dit mechanisme. En dat heeft er in de loop van de tijd voor gezorgd dat de bancaire wereld geworden is tot een supranationale wereldmacht. Een wereldmacht die zich niets hoeft aan te trekken van grenzen of nationale wetten.
Vrijwel alle overheden en staten zijn volledig afhankelijk geworden van de welwillendheid van de financiers. En dat geeft die financiers macht over de staten en de bestuurders ervan. Politici en bestuurders kunnen zich uitsluitend bewegen binnen de door de bankiers gestelde kaders. En binnen die kaders staat het belang van de financiers voorop. Voldoet een land of een politicus niet aan de eisen, dan wordt de geldkraan simpelweg dichtgedraaid.

Tot het einde van de negentiende eeuw konden de bankiers die macht alleen laten gelden via de gevestigde politiek in de landen die financieel afhankelijk gemaakt waren. Maar dat hield ook een beperking in van hun invloed. En die beperking betekende dat men rekening moest houden met de internationale verhoudingen tussen de verschillende staten. Staten die individueel weliswaar volledig in de financiële houdgreep zaten van de bankiers, maar onderling vaak op gespannen voet stonden. Spanningen overigens waar de bankiers garen bij sponnen omdat oorlogvoeren de belangrijkste oorzaak was van vraag naar kapitaal, en die daarmee de afhankelijkheid van de staten aan de bankiers deed toenemen.

Dit systeem had de internationale bankiers dus enorme macht en invloed gebracht in het grootste gedeelte van de wereld. Ze waren achter de schermen de werkelijk machthebbers geworden die de officiële machthebbers konden besturen met hun controle over geld. Dit gold voor de gehele westerse wereld. De rest van de wereld was of gekoloniseerd door de westerse mogendheden, en vielen dus ook onder de invloed van de bankiers, of oninteressant.

Dat veranderde tegen het einde van de 19e eeuw. Ten eerste werd in 1869 het Suezkanaal geopend. Hierdoor werd de handelsroute naar de oostelijk koloniën met 8000 km bekort, en daarom werden de omringende landen (met name Egypte) van groot strategisch belang. Maar nog belangrijker was de ontdekking van grote olievoorraden in het Midden-Oosten.

Het Midden-Oosten was jarenlang slechts een achtergestelde regio van het Ottomaanse rijk. Met het einde van de negentiende eeuw kwam daar sterke verandering in. Dit had twee oorzaken:
1. De strategische ligging. In 1869 werd in Egypte het Suez-kanaal geopend, wat een uiterst handige handelsroute werd tussen Europa en India. De koning van Egypte, Ismail, wilde Egypte moderniseren en bouwde uiterst moderne, semi-Parijse wijken in Cairo. Dit kostte ontzettend veel geld, en daarom zette de Egyptische koning in 1875 de aandelen van het Suez-kanaal op de markt. Meteen kocht de Britse premier de aandelen, waarmee Groot-Brittannië haar handelsroute met India ruim 8000 km had verkort. Het Suez-kanaal was nu de navelstreng van het Britse rijk geworden. Na hevige rellen in Egypte tegen de Westerse aanwezigheid, werd Egypte een Brits protectoraat.

2. De olie. In het begin van de twintigste eeuw werden enorme olievelden ontdekt in het Midden-Oosten, voornamelijk in de Arabische golf.
Deze twee oorzaken leidden ertoe dat het Midden-Oosten één van de belangrijkste regio's in de wereld werd. De Westerse mogendheden moesten dit zien te besturen.

Het Midden-Oosten werd dus in korte tijd ineens een enorm belangrijke regio. Een regio waarop de bancaire elite dus (kosten wat het kost) haar greep moest krijgen. Door de potentiële enorme inkomsten uit olie, en de controle over westerse handelsroutes, zouden de lokale machthebbers in die regio geduchte concurrenten kunnen worden, en dat kon uiteraard niet worden toegestaan.

Maar hier stuitten de bankiers op een probleem: het Midden-Oosten werd gedomineerd door de islamitische religie, en volgens die religie mocht er geen rente gevraagd of betaald worden. Een religieuze wet die tot op de dag van vandaag nog steeds bestaat in veel islamitische landen. De vertrouwde bankiersstrategie van fractional reserve banking om de macht in handen te krijgen, ging hier niet op. Er moest dus iets anders verzonnen worden.

Ook de invloed op de verschillende westerse naties bood geen uitkomst. Men kon niet één van die naties verplichten om het Midden-Oosten door middel van oorlog te onderwerpen. Dit zou de onderlinge machtverhoudingen tussen de landen scheeftrekken en dat zou leiden tot een internationale oorlog tussen die uitverkoren natie en de andere westerse landen.

De bankiers hadden weliswaar de macht over alle westerse landen afzonderlijk, maar de betrekkingen tussen die landen waren van dien aard dat samenwerking uitgesloten was. Toch was bij gebrek aan bancair/financiële strategieën, oorlog uiteindelijk de enige overgebleven mogelijkheid om het Midden-Oosten te onderwerpen.

Maar om oorlog te kunnen voeren is een aanleiding nodig. Een aanleiding om de steun en de samenwerking te genereren van de landen die deze beoogde oorlog moeten gaan voeren. Het is immers onmogelijk om zomaar en zonder officiële rechtvaardiging een oorlog te starten zonder als agressor aangewezen te worden. Bovendien zou dat de werkelijk drijfveer (totale wereldmacht van de bancaire sector) onthullen.

Meestal wordt de benodigde aanleiding gevonden in het provoceren van de beoogde tegenstander om daarmee een aanval uit te lokken. Maar de landen in het Midden-Oosten hadden geen enkele baat bij een aanval op hun afnemers. Olie was immers vooral gevraagd door de geïndustrialiseerde wereld, de westerse landen dus, en de islamitische landen zouden die westerse landen (hun klanten) dus nooit aanvallen. Er moest een ander plan komen.

Een langetermijnplan dat uiteindelijk zoveel onrust in de regio moest gaan brengen dat de islamitische wereld aangevallen zou kunnen worden met steun van de rest van de wereld. En zo kwam men op het idee van het zionisme. Een supranationale politieke beweging met als doel de stichting van een joodse staat op Palestijns grondgebied, midden in de islamitische wereld. Een politieke beweging die gestoeld is op ideeën over de joodse identiteit en de joodse geschiedenis. Een beweging die nauwelijks gebaseerd is op religieuze gronden, maar die politieke en strategische doeleinden nastreeft.

Rond 1900 bestond er eigenlijk nauwelijks zoiets als een joodse identiteit. Joden waren verspreid over de wereld en de meeste leidden een seculier bestaan. Veel van die joden hadden geprofiteerd van de welvaart die hun historische voorsprong gebracht had. Ze behoorden vaak tot de elite en zagen geen aanleiding om die positie op te geven en te vertrekken naar Palestina. Wel bestond er wereldwijd een groep orthodoxe joden die terugkeer naar Israël nastreefden, maar dan uitsluitend op religieuze gronden, dus na de komst van de Messias, en niet op seculiere basis, zoals het zionisme voorstelt.

Om het plan te laten slagen, moest er dus een strategie gevonden worden die uiteindelijk zou leiden tot de acceptatie van een joodse staat op islamitisch grondgebied. Een staat die gesteund zou worden door de westerse wereld en bestreden door de islamitische wereld. En in dat bestrijden zou een rechtvaardiging voor een aanval gevonden worden.

In 1897 kwam onder leiding van Theodor Herzl het eerste Internationale Zionistische Congres bijeen. Om te kunnen slagen stelde men zich tot doel om te komen tot acceptatie van het idee dat joden een volk zijn. Zowel bij joden zelf als in de westerse opinie.

Daarvoor waren 4 dingen nodig:

1- Zichtbaar maken van joden in de westerse samenlevingen door middel van segregatie. In eerste instantie door het bevoordelen van joden ten opzichte van niet-joden. Dit zou dan zoveel weerstand oproepen bij niet-joden dat er een negatief beeld en een vijandige stemming t.o.v. joden zou ontstaan. De ontstane polarisatie zou zowel de joodse identiteit versterken, als de tegenstand ertegen.

2- Het initiëren en stimuleren van vervolging van joden als gevolg van die negatieve stemming.

3- Het vinden van rechtvaardiging bij westerse naties in het verlenen van steun voor de oprichting van de joodse staat als reactie op die vervolging.

4- Het verbinden van de westerse naties.

De meeste joden woonden in Midden-Europa, met name in Duistland en Oostenrijk. Om de gewenste tegenstellingen te creëren tussen joden en niet-joden, was het noodzakelijk dat dit gebied eerst tot grote armoede gedreven zou worden, en dat joden alle eliteposities zouden innemen. Om die armoede te bewerkstelligen en om de overige landen afhankelijker te maken van de bankiers, moest er een oorlog komen.

De eerste wereldoorlog voldeed prima. Duitsland werd na de oorlog aangewezen als boosdoener, en werd met het verdrag van Versailles gedwongen tot enorme herstelbetalingen. Dit bracht de geplande armoede onder de bevolking. Tegelijkertijd werden joden in topposities geplaatst in de financiële, culturele, economische en politieke wereld, en werden joodse ondernemingen volop gefinancierd. Joden vormden de nieuwe en zeer zichtbare elite in een omgeving van Duitse armoede. En dit bracht de gewenste onvrede met zich mee. Het was nu wachten op de eerste georganiseerde tegenstand.

Die tegenstand werd gevonden in een splinterpartij, de NSDAP, de Nationaal Socialistische (Nazi) partij die zich afzette tegen Versailles en de joodse elite. Een gezicht werd gevonden in een herkenbare figuur (markant uiterlijk, welbespraakt) en er werd een uitgekiende marketing/propagandastrategie ontwikkeld. Bovendien werd deze beweging door de zionistische bankiers rijkelijk gefinancierd. Met dat geld kon Hitler vliegensvlug (tussen 1933 en 1939) de economie herstellen, het sterkste leger van Europa opbouwen en met de eer strijken om zo het Duitse volk achter zich te krijgen.

Voorwaarde van de bankiers was echter dat Hitler de joden zou vervolgen op een historisch ongekend wrede manier. Voorstellen van de nazi’s om de joden te laten emigreren en zo Duitsland van de door hen gehate joden te verlossen, werden door de bankiers dan ook van tafel geveegd. De joodse identiteit werd eerst misbruikt, en de joden werden vervolgens letterlijk opgeofferd om het doel te bereiken.

Na de tweede wereldoorlog werd de holocaust gebruikt als aanleiding om de stichting van Israël te rechtvaardigen. Daarnaast werden de verschrikkingen van die oorlog aangegrepen om de westerse landen te verenigen in de VN en later de Europese landen in de EU. Alles in het kader van: “dit mag nooit meer gebeuren”.

In 1948 werd de staat Israël gesticht op Palestijns grondgebied met medewerking van de westerse landen. De oorspronkelijke islamitische bewoners van Palestina werden verdreven. Een daad die alleen kon worden gerechtvaardigd door de holocaust, waaraan de Palestijnen uiteraard geen enkele schuld hadden. Dit stuitte op grote verontwaardiging in de Arabische wereld en dat bracht de gewenste tweedeling tussen het Westen en het Midden-Oosten.

Maar ondanks een paar militaire strubbelingen en de voortdurende provocaties van Israël en de westerse landen, kozen de meeste islamitische landen toch voor het bewaren van een gespannen vrede. Het grote internationale militaire conflict waarop gehoopt was, bleef grotendeels uit. Er was te weinig aanleiding voor een groot internationaal initiatief om de gehele islamitische wereld aan te vallen en te onderwerpen, wat natuurlijk wel het uiteindelijk doel was/is.

Al snel werd duidelijk dat er nog een andere strategie nodig zou zijn. Een strategie die ertoe moest leiden dat moslims in een kwaad daglicht zouden komen te staan bij de westerse bevolking. Een strategie die de gehele islamitische wereld zou aanwijzen als potentiële bedreiging. En die strategie werd gevonden in twee richtingen: immigratie en terrorisme.

De immigratiestrategie werd gestoeld op de ervaringen die men had met de vooroorlogse joodse segregatie, maar nu andersom. Dat wil zeggen: men stimuleerde decennialang immigratie vanuit islamitische landen, maar de immigranten vormden nu niet de bovenklasse (zoals bij de joden) maar de onderklasse. Met name ongeschoolde en kansarme moslims werden in groten getale naar de westerse landen gelokt. Daar kregen ze in veel gevallen een voorkeursbehandeling als het ging om sociale en financiële ondersteuning. Dat leidde tot veel onvrede bij de oorspronkelijke westerse bewoners. Een onvrede die door academische opiniemakers en politici in de media werd weggezet als racisme en daarom niet mocht worden geuit. De immigratie zorgde met name in de grote steden voor enorme problemen. Problemen die door het bestuur en de politiek vrijwel volledig werden genegeerd, en afgedaan werden als xenofobie en onderbuikgevoelens.

Zo liep de onderhuidse spanning steeds verder op zonder de mogelijkheid van een uitweg. Er ontstond een latente anti-islam stemming die nergens gehoor kreeg, en nergens geuit kon worden zonder in de media geridiculiseerd te worden.

In het begin van de 21e eeuw werd daar de terrorismestrategie aan toegevoegd. Er vond een aantal aanslagen plaats, en die aanlagen werden in de schoenen van moslims of islamitische organisaties geschoven. Tegelijkertijd werd het embargo op kritiek op moslimimmigranten geleidelijk opgeheven. De door de bankiers beheerste media benadrukken voortduren het gevaar van terrorisme en dikken incidenten met immigranten dagelijks aan. Daarnaast krijgen nieuwe politici die een anti-islam agenda voeren in vrijwel alle landen vrij baan. Uiteraard zodanig ingekleed dat de bestaande gevestigde orde zonder gezichtsverlies kan blijven zitten.

Er wordt een gezicht gevonden (markant uiterlijk, welbespraakt) om de plotseling losgelaten emoties te verwoorden, te vertegenwoordigen en aan te wakkeren. De partij van die figuur wordt ook nu weer rijkelijk gefinancierd door de bancaire zionistische elite. Nu wordt de immigratieproblematiek (die al die jaren ontkend is) ineens het hoofdpunt op de agenda van alle politieke partijen en in de media.

Tegelijkertijd wordt er een internationaal propagandaoffensief gestart dat islamitische landen verdacht moet maken. Eerst Irak, dat onder valse voorwendselen aangevallen wordt. En vervolgens worden de pijlen gericht op andere landen in de regio, zoals Syrië en uiteindelijk Iran. Het is de bedoeling dat de internationale anti-islam stemming nu sterk genoeg is om de steun van de bevolking te winnen voor een oorlog tegen een land dat in de geschiedenis van haar bestaan nog nooit een ander land heeft aangevallen, laat staan een westers land.

En als de oorlog tegen Iran eenmaal een feit is (zo is de gedachte), zal dit leiden tot de gewenste wereldoorlog tegen de gehele islamitische wereld. Een oorlog die rechtvaardiging zal vinden in de wereldwijde angst voor islamitisch terrorisme of oorlogsdreiging. Een dreiging waarvan het idee in ruim honderd jaar tijd, stap voor stap, zorgvuldig gecultiveerd is, en die moet leiden tot acceptatie van oorlog tegen, en de onderwerping van het gehele Midden-Oosten aan de westerse mogendheden. En daarmee dus aan de financiers die daar de dienst uitmaken.