dinsdag 7 december 2010

Wikileaks




Ik heb een beetje een verward gevoel bij de hele Wikileaks affaire. Iets zit me niet lekker. Het wringt.

Als ik één ding geleerd heb de afgelopen jaren, dan is het wel dat belangrijke gebeurtenissen in de wereld vrijwel nooit ‘zomaar’ gebeuren. Daarnaast heb ik ook geleerd dat de dingen die het journaal en de kranten (de main stream media dus) ons willen doen geloven, eigenlijk nooit helemaal waar zijn (maar vaak wel helemaal onwaar). En dat is niet onbegrijpelijk. Nieuws vertegenwoordigt een bepaalde kracht, en de mens zou de mens niet zijn als die kracht niet zou worden ingezet voor bepaalde belangen door degenen die de mogelijkheid hebben om dat te doen.

Nou zat ik me dus af te vragen welk belang er achter de berichtgeving over Wikileaks zou kunnen zitten. Voor de duidelijkheid: ik zeg niet dat het zo is, maar ik zeg dat het niet onmogelijk zou zijn dat we hier te maken hebben met een staaltje van manipulatie. Het zou in ieder geval niet de eerste keer, en hoogstwaarschijnlijk ook niet de laatste keer zijn. Sterker nog: het feit dat Wikileaks serieus genomen wordt, betekent op zichzelf al dat de meeste mensen het aannemelijk vinden dat we gemanipuleerd worden. Wikileaks zou immers onthullingen doen over geheimen en verdraaide waarheden of zelfs leugens. Wikileaks zelf gaat over manipulatie. Wil je dus geloven dat Wikileaks echt is, dan moet je eigenlijk ook aannemen dat manipulatie bestaat.

Stel nou, dacht ik, stel nou dat dit hele Wikileaks verhaal een toneelstukje is, een stukje geregisseerd theater, wat zou daarvan de bedoeling kunnen zijn? Welk belang zou daarmee dan behartigd kunnen worden?

Op een gecontroleerde manier de aandacht afleiden van andere klokkenluidersites? Het stroomlijnen en beheersbaar maken van alternatieve nieuwsmedia? Het tot de orde roepen van lagere overheden? Dat zou allemaal kunnen, maar dan ontbreekt er één ding dat in andere manipulaties over het algemeen wel aanwezig is, en dat is dat manipulaties meestal de bedoeling hebben om dingen te veranderen. Om rechtvaardiging te genereren voor een verandering. Verandering waartegen mensen zich, zonder die rechtvaardiging, zouden verzetten. Dus kwam de vraag op, welke verandering zou deze affaire kunnen rechtvaardigen?

Ik besteedde aan deze vraag eerlijk gezegd niet heel veel aandacht, totdat ik vandaag naar het journaal zat te kijken. Zoals iedere dag werd er weer uitgebreid verslag gedaan van de ontwikkelingen rondom Wikileaks. Bovendien werd gemeld dat Wikileaks informatie vrijgegeven had over ‘strategische doelen’. En dat die informatie ‘terroristen’ in de kaart zou kunnen spelen. Ook bij De Wereld Draait Door (ja, ik weet het, ik kijk naar die dingen..) zat oud minister Bertje Koenders. Hij meldde dat hij een groot voorstander was van openheid, maar dat hij het prijsgeven van informatie over ‘strategische doelen’ onverantwoord vond. En toen ging er bij mij een lampje branden.

Stel nou (ik weet het is hypothetisch, maar toch), stel nou eens dat dit inderdaad een stukje theater is. Dat dit een stukje manipulatie is dat de bedoeling heeft om voor eens en voor altijd het internet aan banden te leggen. Dan zou dat een heleboel vragen ophelderen. Dat zou dan ook antwoord geven op mijn vraag welke verandering hiermee gerechtvaardigd dient te worden. Dat zou ook verklaren waarom de media juist Wikileaks zo omarmen. Het zou ook de uitspraak van Koenders verklaren.

Nogmaals, ik zeg niet dat het zo is. Dat kan ik tenslotte (nog) niet weten (ik heb geen glazen bol), maar het zou geen onlogische gedachte zijn om te vermoeden dat deze Wikileaks affaire de rechtvaardiging moet genereren om het vrije internet af te sluiten. Want stel, stel nou eens dat er binnenkort een “aanslag” plaatsvindt. Een aanslag op een strategisch doel dat door Wikileaks “onthuld” is. Wikileaks dat “terroristen” informatie gegeven heeft waardoor die terroristen die aanslag konden plegen. Stel dat zoiets gebeurt, en dat die aanslag veel mensenlevens kost, dan zal er geroepen worden: ‘Dit mag nooit meer gebeuren!’

En dat zou de perfecte rechtvaardiging zijn om het vrije internet af te sluiten. Omdat zoiets, zo’n vreselijke aanslag door terroristen, dat zoiets nooit meer mag gebeuren. Dan zou men kunnen roepen: ‘Zie je wel, internet is levensgevaarlijk!’

Oftewel, zou de Wikileaks affaire misschien de aanloop naar een tweede 9/11 kunnen zijn? Maar dan nu bedoeld om internetvrijheid te beperken of omzeep te helpen?

Ik weet het natuurlijk niet. Maar het zou kunnen. Het zou heel goed kunnen. Maar ik hoop het natuurlijk niet. Maar ik wil het toch gezegd hebben.


Mocht iemand andere suggesties hebben over de werkelijke bedoelingen achter deze Wikileaks affaire, dan hoor ik ze graag.

zaterdag 4 december 2010

Angst


Angst is lenen van ellende. Zoals een geldlening betekent dat je nu geniet van iets dat je later misschien verdient, zo betekent angst dat je nu lijdt onder iets dat later misschien gebeurt.

Mensen zijn alleen bang voor dingen die zouden kunnen gebeuren. Nooit voor dingen die op een moment werkelijk plaatsvinden. Angst gaat nooit over nu, maar altijd over de toekomst. Of die toekomst nou over vijf jaar, vijf minuten of over vijf seconden is, het maakt niet uit, het is altijd angst voor de toekomst.

Angst is een van de belangrijkste drijfveren van mensen. Een groot deel (volgens sommigen zelfs alles) van ons doen en laten is erop gebaseerd. Angst wordt door iedereen ervaren als een nare, negatieve emotie.

Er bestaan twee soorten angst: angst voor concrete zaken zoals oorlog of armoede of misdaad (doodsangst), en angst voor angst: angst voor de onprettige emotie zelf.


Om angst te pareren bestaan er twee mogelijke strategieën:

De eerste mogelijke strategie is bewustwording.

Je kunt jezelf wapenen tegen angst door jezelf bewust te maken van hetgeen er op je af komt. Als je weet wat er op je afkomt en hoe het er ongeveer uit zal zien, dan kun je voorzorgsmaatregelen nemen. Bijvoorbeeld het gevaar afwenden, of je ertegen beschermen. Deze strategie is gebaseerd op angst voor concrete zaken en kan soms inderdaad gevaar afwenden. Angst is daarom niet per definitie iets negatiefs: als de Duitsers in 1933 (toen Hitler aan de macht kwam), geweten hadden wat er op ze afkwam, dan zouden ze terecht bang geweest zijn. Dat was misschien geen fijn gevoel geweest, maar het had ze wel de mogelijkheid gegeven om er iets aan te doen. Met de strategie van bewustwording, wordt angst omgebogen naar handelen.

Het risico van de bewustwordingsstrategie is, dat de mogelijkheid bestaat dat je weliswaar uitvindt wat er op je afkomt, maar dat je tot de conclusie moet komen dat je er niets tegen kunt doen. Dat het gevaar zo groot is dat je jezelf er niet tegen kunt wapenen. Je kunt de angst dan niet ombuigen naar handelen, en die angst blijft dan dus bestaan, of wordt zelfs erger. En dan had je misschien beter kunnen kiezen voor de tweede strategie, maar dan is het te laat.

De tweede strategie is: bewustwording voorkomen.

Verdringing. Het is de bekende struisvogelpolitiek van ‘kop in het zand’. Door niet te willen weten wat er in het verschiet ligt, kun je jezelf wijsmaken dat er geen enkel gevaar dreigt. Het voordeel is dan dat je niet bang hoeft te zijn, en niets hoeft te doen. Je verdringt angst, en je hoeft die angst dus ook niet om te buigen naar handelen. Deze strategie is gebaseerd op angst voor angst; bang om bang te zijn. Het nadeel is, dat je dan geen idee hebt wat er gaat gebeuren, en dat je dus altijd onvoorbereid met problemen geconfronteerd zal worden. Dat terwijl veel van die problemen prima oplosbaar geweest zouden zijn als je vooraf wist dat ze zouden komen en hoe ze eruit zouden zien. Dan had je erop kunnen anticiperen. Maar de struisvogelstrategie blokkeert alle bewustwording, en dus ook bewustwording over hanteerbare problemen. Het is daarom niet mogelijk om eerst strategie 1 (bewustwording) te proberen, en vervolgens (als je erachter komt dat het probleem onoplosbaar is) alsnog te kiezen voor strategie 2 (onbewust blijven). Je kunt dingen namelijk niet ‘onweten’.

Dat is ook de reden waarom mensen die kiezen voor strategie 2 (onbewust blijven), altijd de mensen die kiezen voor bewustwording met alle mogelijke middelen zullen bevechten. De “onbewusten” kunnen hun eigen strategie alleen in de lucht houden door onwetend te blijven, en de groep “bewusten” is wetend, en daarmee besmettelijk. Dit is het mechanisme achter ‘killing the messenger’ en achter het afbranden van klokkenluiders.

Omdat angst voor angst niet om te zetten is naar handelen, maar alleen te hanteren is door verdringing, zal die angst altijd onder het oppervlak blijven bestaan. De energie ervan kan namelijk nergens een uitweg vinden, en wordt daarmee opgeslagen in het onderbewustzijn. Dat maakt mensen die ervoor kiezen zoveel mogelijk onbewust te blijven, zeer gevoelig voor nieuwe angsten. Ze zullen er alles aan doen om die te vermijden. Dat maakt ze extreem voorspelbaar en daarmee manipuleerbaar. Het enige wat daarvoor gedaan moet worden is ze attent maken op een gevaar dat van links komt (echt of onecht – dat maakt niet uit: ze willen het toch niet weten; ze kiezen ervoor onbewust te blijven), en ze zullen direct naar rechts gaan. Of andersom.

Ook de “bewusten” zijn manipuleerbaar: hou ze een bedreiging voor, en ze zullen eraan gaan werken om die bedreiging af te wenden of zich ertegen te beschermen. Door ze een uitgekiend nepgevaar voor te spiegelen, zullen ze reageren door te handelen op de manier die de manipulator wil. Deze groep vereist wel een veel meer geraffineerde politiek omdat ze door hun neiging de dingen uit te zoeken, ook snel achter de waarheid komen. Voordeel voor de manipulator is wel dat ze in dat geval bestreden zullen worden door de “onbewusten” en dat de manipulator dat dus niet zelf hoeft te doen.

Angst blijft daarmee het perfecte gereedschap voor iedereen die anderen wil besturen of overheersen. Angst is het belangrijkste vervoermiddel van macht. Het vervoert macht van de angstigen naar degenen die de angst genereren.

vrijdag 3 december 2010

Zinloos werk


Het grootste gevaar voor de toplaag van een hiërarchisch ingerichte maatschappij is overvloed. Overvloed brengt, in tegenstelling tot schaarste, vrijheid. In een situatie van overvloed, kunnen mensen namelijk doen wat ze zelf willen, zonder dat hun bestaan in gevaar komt. Mensen worden onafhankelijk. En onafhankelijkheid is vrijheid. En dat is precies tegenovergesteld aan de belangen van de machthebbers, omdat hun macht nou juist bestaat uit onze onvrijheid.

Daarom zal iedere machthebber proberen om overvloed te voorkomen om daarmee mensen voortdurend in schaarste te houden waardoor ze permanent moeten werken om het hoofd boven water te houden. Het is les één uit het leerboek voor heersers.

Maar daarmee ontstaat een probleem: als mensen voortdurend werken, produceren ze ook voortdurend dingen. En als ze veel zinvolle dingen zouden produceren, zouden er ook veel zinvolle dingen beschikbaar komen, en dat zou dan weer leiden tot overvloed. En dus tot het verdwijnen van de noodzaak om voortdurend te werken.

In deze tijd wordt de productie van steeds meer zinvolle zaken geautomatiseerd. Dat wil dus zeggen dat daarvoor steeds minder arbeid nodig is. Er zijn daarmee steeds minder mensen nodig om de benodigde hoeveelheid aan zinvolle dingen te produceren. Het gevolg daarvan zou dus ook overvloed zijn, namelijk een overvloed aan tijd. Het wordt overbodig om steeds te blijven werken als er voldoende zinvolle zaken beschikbaar zijn. En die overgebleven tijd kan dan aan andere dingen besteed worden. Aan andere dingen dan werk bijvoorbeeld.

Het is voor het voortbestaan van de hiërarchische machtsstructuur daarom noodzakelijk dat er zoveel mogelijk mensen zinloos werk verrichten. Zinloos werk dat voorkomt dat mensen tijd hebben om zich bezig te houden met zinvolle zaken. Zinvolle zaken die tot overvloed zouden leiden, en daarmee tot het verlies van controle van de machthebbers over het volk.

Maar het is nog niet zo eenvoudig om mensen voortdurend zinloos werk te laten doen. Mensen zijn uit zichzelf namelijk geneigd om hun tijd en energie te besteden aan zaken die ze juist wel zinvol vinden. En daarom wordt er op alle fronten aan gewerkt om dat te voorkomen.

Een van de dingen die daarvoor worden ingezet is propaganda. Bijvoorbeeld propaganda om ook vrouwen zinloos werk te laten doen. Het feminisme is een mooi voorbeeld van een succesvolle campagne. Vanaf de jaren zestig is vrouwen verteld dat het grootbrengen en opvoeden van kinderen een taak is die gebaseerd is op ondergeschiktheid. En dat een zinvolle levensinvulling alleen buitenshuis te vinden is. Een typisch voorbeeld van een Orwelliaanse omkering. Het heeft ervoor gezorgd dat veel vrouwen de zinvolle taak van het grootbrengen en opvoeden van kinderen, inruilden voor zinloos werk buiten de deur. De in de media getoonde rolmodellen waren (en zijn) steeds moeders met interessante banen zoals advocaat, manager of succesvol zakenvrouw, maar in de praktijk kwam het erop neer dat verreweg de meeste vrouwen zinloos repetitief of administratief werk gingen verrichten.

Doordat die vrouwen daarmee ook een bijdrage gingen leveren aan het gezinsinkomen, steeg het gemiddelde gezinsinkomen, en, zoals altijd, stegen de kosten van levensonderhoud evenredig mee. En dat dwong andere vrouwen - vrouwen die zich liever toewijdden aan het grootbrengen van hun kinderen - om ook buitenshuis te gaan werken, en daarmee eveneens hun zinvolle bezigheden thuis, in te ruilen voor zinloze bezigheden buiten de deur. Anders was het leven niet meer betaalbaar.

Een ander speerpunt van de campagne voor zinloosheid is onderwijs. Onderwijs speelt een belangrijke rol in het zinloos werk, omdat goed onderwijs ervoor zou kunnen zorgen dat mensen vaardigheden krijgen. En mensen met vaardigheden zullen die vaardigheden willen gebruiken. Ze zullen die vaardigheden op een zinvolle manier proberen in te zetten. Als er veel mensen zijn met zinvolle vaardigheden, dan zal dat dus leiden tot het tot stand komen van veel zinvolle dingen, en dat zal vervolgens weer leiden tot overvloed. En dat mag dus niet.

Vandaar dat het ongewenst is dat een meerderheid van de mensen zinvolle vaardigheden leert. Sinds enkele jaren is er daarom in het onderwijs sprake van een door de overheid opgelegde methodiek met de naam “competentie-gericht onderwijs”. Competentie wil zeggen vaardigheid. Vaardigheidsgericht onderwijs dus. Ook dit is weer een uitermate cynisch voorbeeld van een Orwelliaanse omkering. Competentie-gericht onderwijs doet namelijk precies het tegenovergestelde van wat de naam suggereert. Binnen competentie gericht onderwijs wordt het docenten lastig gemaakt en soms zelfs ronduit verboden om vakkennis over te dragen. Dit type onderwijs is volledig gericht op verwarring en stuurloosheid door het ontbreken van iedere vorm van logische structuur.

De belangrijkste competentie die de leerling aangeleerd krijgt, is het opvolgen van zinloze opdrachten zonder kritische vragen te stellen, en het omgaan met een omgeving bestaande uit collega’s die zich ook voortdurend bezighouden met zinloze taken. Oftewel het opdoen van de benodigde sociale “vaardigheden” om zonder morren te verblijven in een omgeving van volledige zinloosheid. En om deze manier van leven en bezig zijn te ervaren als volkomen normaal. Dit alles om te voorkomen dat mensen vaardigheden ontwikkelen en die daarom ook zullen gaan gebruiken.

Naarmate er meer overvloed aan zinvolle zaken dreigt te ontstaan (hetgeen als gevolg van de moderne geautomatiseerde productiemethoden momenteel het geval wordt), moet de groep mensen met werkelijke vaardigheden dus steeds kleiner worden. Ook dat is prima terug te zien in het onderwijs.

Zo’n 70% van de jeugd blijft steken bij het steeds verder verschralende VMBO/MBO, een percentage dat groeit. Ze krijgen daar een “opleiding” die ze nergens anders voor klaarstoomt dan het accepteren en opvolgen van zinloze opdrachten en het afzien van het stellen van kritische vragen. Het bereidt ze voor op een levenlang van zinloze bezigheid. Daarnaast rechtvaardigt het lage opleidingsniveau een laag inkomen gedurende hun werkzame leven, en ook dat draagt bij aan de beoogde schaarste. Schaarste die noodzakelijk is om de controle, en daarmee het hiërarchische model in stand te houden.

Schaarste die nog verder versterkt wordt door het opzetten van economische crises, en, als er desondanks een overvloed dreigt te ontstaan, het vernietigen van die overvloed door middel van oorlog. Maar daarover een andere keer.

maandag 29 november 2010

Vrijheid


Wordt vrijheid gevonden in jezelf, in je eigen gedachten en bewustzijn, of is vrijheid iets dat door de buitenwereld of de autoriteiten wordt toegekend of afgenomen? Dat is een steeds terugkerende vraag. Is het mogelijk om autonoom, dus in je eentje, vrij te worden, of moeten daarvoor eerst de bestaande externe machtsstructuren worden veranderd: regeringen omver geworpen, bankiers verjaagd?

Is vrijheid een mentale individuele toestand, of een culturele collectieve toestand?

Ik neig hoe langer hoe meer naar de gedachte dat daartussen geen verschil bestaat.

De macht van iedere heerser bestaat nergens anders uit, dan uit de gehoorzaamheid van anderen. Naarmate mensen meer aan hem gehoorzamen, of er meer mensen aan hem gehoorzamen groeit zijn macht. Macht is immers niks meer dan de mogelijkheid om anderen te laten doen wat de machthebber wil; om anderen te laten gehoorzamen.

En die macht kan hij aanwenden voor het uitoefenen van dwang. Dwang waarvoor hij gehoorzame onderdanen gebruikt om die ten uitvoer te brengen. Die gehoorzaamheid is
essentieel, omdat hij in zijn eentje niet langs alle deuren kan gaan om met zijn pistooltje ieders gedrag af te dwingen.

Zo heeft hij dus de gehoorzaamheid van bijvoorbeeld zijn politie en zijn leger nodig. Wanneer de heerser roept: ‘schiet!’ en de soldaten of de agenten zeggen: ‘nee, doe het zelf maar’, dan kan hij met zijn handen wapperen, en met zijn voeten stampen, of met een rood aangelopen hoofd gaan staan schreeuwen, maar dan heeft hij geen enkele macht. Het is de gehoorzaamheid van die soldaten en agenten die hem zijn dwangmiddelen verschaft, en die hem het gereedschap geeft om anderen (buiten politie, leger, ambtenaren) ook te dwingen om te gehoorzamen, waardoor zijn macht nog verder groeit. Zijn macht bestaat dus uit niets anders dan de gehoorzaamheid van anderen. Al of niet afgedwongen.

En vrijheid is nou juist de mogelijkheid om niet te gehoorzamen.

Kort gezegd: gehoorzamen leidt tot macht, en macht leidt tot afgedwongen gehoorzaamheid en dat leidt weer tot nog meer macht etc. En meer macht voor de één, betekent minder vrijheid voor de anderen.

Er zijn voor mensen twee motieven om te gehoorzamen: ten eerste (zoals hierboven beschreven) vanwege dwang. Maar daarnaast, en nog belangrijker: om geen verantwoordelijkheid te hoeven dragen. Veel mensen geven graag hun verantwoordelijkheid aan een ander, een leider, in de veronderstelling dat deze leider die verantwoordelijkheid voor hen zal dragen. In de veronderstelling dat ze daarmee niet meer zelf verantwoordelijk zijn. Maar dat is een illusie. Een misvatting.

Degene die zijn verantwoordelijkheid denkt in te ruilen voor gehoorzaamheid, is net zo verantwoordelijk voor de inrichting van de wereld als iemand die dat niet doet. Hij is namelijk verantwoordelijk voor het ontstaan van de bestaande hiërarchische structuur. Hij is degene die met zijn gehoorzaamheid de macht van de heerser voedt. Hij is daarmee verantwoordelijk voor de macht van die heerser. En daarmee voor zowel zijn eigen onderdrukking, als die van anderen. Net zoals degene die niet gehoorzaamt, verantwoordelijk is voor de vrijheid van zowel zichzelf als die van anderen. Verantwoordelijkheid voor de vormgeving van het collectief is daarmee nooit af te dragen of te ontlopen. Ook niet door te gehoorzamen want ook dat draagt bij aan de vormgeving van het geheel.

Wat er ontbreekt is dus niet verantwoordelijkheid, maar besef van verantwoordelijkheid.

De inrichting van het collectief bestaat uit het gedrag van alle individuen, en al die individuen zijn er dus verantwoordelijk voor. Willen we dat collectief veranderen (willen we bijvoorbeeld meer vrijheid) dan kan dat alleen in het besef dat wij (alle mensen) daarvoor verantwoordelijk zijn. Zolang we dus naar de machthebbers blijven schreeuwen en verbetering eisen, blijven we in de veronderstelling dat ZIJ verantwoordelijk zijn voor het wel en wee van de wereld. En daarmee blijven we de vergissing ondersteunen dat we zelf geen verantwoordelijkheid dragen, maar dat ZIJ het beter of rechtvaardiger moeten doen. En met die vergissing voeden we hun macht én onze onvrijheid.

Het enige dat er dus nodig is voor vrijheid is: niet gehoorzamen. En de beslissing om dat al of niet te doen, kan pas gemotiveerd worden genomen als het besef doordringt dat iedere beslissing om wel te gehoorzamen zal leiden tot meer macht, en dat die macht zal leiden tot meer dwang om te gehoorzamen, en daarmee dus tot meer onvrijheid. Pas wanneer iedereen beseft dat zijn gehoorzamen direct leidt tot onvrijheid van niet alleen zichzelf, maar ook van anderen, dan kunnen degenen die met hun gehoorzaamheid deze macht voeden, gewezen worden op hun verantwoordelijk zijn voor de onvrijheid van de rest.

Vrijheid kan dus helemaal nooit bestaan zonder besef van verantwoordelijkheid voor het geheel. Vrijheid kan alleen ontstaan als iedereen ervan doordrongen is dat de werkelijke dictator niet bestaat uit de regering, of de bankiers, maar uit degenen die aan hen gehoorzamen. Wil je dus iemand verantwoordelijk houden voor onvrijheid, dan moet je daar niet aankloppen, maar bij degene die daarvoor werkelijk verantwoordelijk is: jijzelf, of je buurman als hij weer eens slaafs gehoorzaamt. Hij is de werkelijke boosdoener. Ook al weet hij het misschien nog niet.

Iedereen is daarmee in precies dezelfde mate verantwoordelijk voor hoe de wereld eruit ziet en dus ook voor de mate van vrijheid. Die wereld IS iedereen.

woensdag 24 november 2010

Over geld, macht, Islam, politiek en oorlog


De huidige machtsverhoudingen in de wereld vinden voor een belangrijk deel hun oorsprong in het oude testament dat voor zowel het Christendom als de Islam en het Jodendom gelijk is.

Hierin staat dat het zondig is om rente te vragen.

Wikipedia zegt hierover:

In veel religies werd het heffen van rente op een lening als een zonde beschouwd. Meestal ging dit uit van twee benaderingen. Volgens de eerste kon geld zich niet zomaar 'uit zichzelf' vermeerderen, omdat alleen God of de goden zaken konden scheppen. De tweede, meer praktische reden om het heffen van rente als zonde aan te merken, was het feit dat woekeraars soms doelbewust dermate hoge percentages rekenden dat de schuldenaar nooit uit de schulden kon komen en al zijn goederen en uiteindelijk zijn vrijheid moest afstaan. Een dergelijke gang van zaken werd gelijkgesteld aan stelen, en was daarmee een zonde.

Om deze reden verbood de katholieke kerk tot in de middeleeuwen het heffen van rente. Joden, daarentegen, interpreteerden de regels van het oude testament anders. Het oude testament verbood het vragen van rente aan broeders, en omdat niet-joden geen broeders waren (zo redeneerde men) was het vragen van rente aan niet-joden toegestaan. Dit is de oorsprong van de prominente aanwezigheid van joden in de bancaire en financiële wereld, tot op de dag van vandaag.

Nogmaals Wikipedia:

In de Middeleeuwen was het christenen verboden rente te heffen, wat leidde tot de positie van joden als bankiers en geldverschaffers. Ook joden zelf was het in principe niet toegestaan rente te heffen, maar dit renteverbod gold niet wanneer zaken werd gedaan met niet-joden.

Uiteraard trokken de enorme winstmogelijkheden later ook niet-joodse zakenlieden aan, maar de internationale bancaire wereld telt nog steeds een onevenredig groot aantal joodse bestuurders en topfunctionarissen. En dat heeft dus helemaal niks met een “joodse volksaard” of zoiets te maken, maar heeft een puur historische oorsprong.

Wel werd al snel duidelijk dat de bijzondere maatschappelijke positie van bankiers enorme privileges met zich meebracht. Buiten private rijkdom, groeide ook de bestuurlijke invloed van de bankiers. En die invloed explodeerde met de introductie van een systeem met de naam fractional reserve banking in de late middeleeuwen.

Het systeem hield in eerste instantie in dat bankiers maar een klein deel (bijv. 10%) van het aan hen toevertrouwde goud in hun kluis hoefden te houden voor het geval een eigenaar het zou komen ophalen. Omdat het nooit voorkwam dat alle eigenaren tegelijkertijd hun goud kwamen ophalen, bleef er altijd een voorraad goud bij de bankiers. En dat goud (dat hun eigendom dus niet was) leenden ze uit tegen rente.

Met komst van waardepapieren (papiergeld) keerden de bankiers dit mechanisme om. Ze konden zelf waardepapier drukken, en met het in bewaring nemen van één goudstuk, kon nu voor tien goudstukken waardepapier worden uitgegeven, en tegen rente worden uitgeleend. De bankiers werden hiermee een vrijwel onuitputtelijke bron van geld (en daarmee schuld), maar die bron bestond feitelijk op basis van valsemunterij. Er werd immers papiergeld in omloop gebracht waar geen goud tegenover stond.

In eerste instantie stuitte dit systeem op weerstand bij de bestaande machthebbers, maar al snel bleek dat de bankiers hiermee ook de constante geldhonger van koningen en staten konden stillen, en zo werden er verbonden gesmeed tussen de bankiers en die machthebbers. In die zin dat deze vorm van valsemunterij door de wetgevers werd gelegaliseerd op voorwaarde dat de staten ervan konden profiteren.

Ook nu nog is vrijwel het gehele wereldwijde bancaire systeem gestoeld op dit mechanisme. En dat heeft er in de loop van de tijd voor gezorgd dat de bancaire wereld geworden is tot een supranationale wereldmacht. Een wereldmacht die zich niets hoeft aan te trekken van grenzen of nationale wetten.
Vrijwel alle overheden en staten zijn volledig afhankelijk geworden van de welwillendheid van de financiers. En dat geeft die financiers macht over de staten en de bestuurders ervan. Politici en bestuurders kunnen zich uitsluitend bewegen binnen de door de bankiers gestelde kaders. En binnen die kaders staat het belang van de financiers voorop. Voldoet een land of een politicus niet aan de eisen, dan wordt de geldkraan simpelweg dichtgedraaid.

Tot het einde van de negentiende eeuw konden de bankiers die macht alleen laten gelden via de gevestigde politiek in de landen die financieel afhankelijk gemaakt waren. Maar dat hield ook een beperking in van hun invloed. En die beperking betekende dat men rekening moest houden met de internationale verhoudingen tussen de verschillende staten. Staten die individueel weliswaar volledig in de financiële houdgreep zaten van de bankiers, maar onderling vaak op gespannen voet stonden. Spanningen overigens waar de bankiers garen bij sponnen omdat oorlogvoeren de belangrijkste oorzaak was van vraag naar kapitaal, en die daarmee de afhankelijkheid van de staten aan de bankiers deed toenemen.

Dit systeem had de internationale bankiers dus enorme macht en invloed gebracht in het grootste gedeelte van de wereld. Ze waren achter de schermen de werkelijk machthebbers geworden die de officiële machthebbers konden besturen met hun controle over geld. Dit gold voor de gehele westerse wereld. De rest van de wereld was of gekoloniseerd door de westerse mogendheden, en vielen dus ook onder de invloed van de bankiers, of oninteressant.

Dat veranderde tegen het einde van de 19e eeuw. Ten eerste werd in 1869 het Suezkanaal geopend. Hierdoor werd de handelsroute naar de oostelijk koloniën met 8000 km bekort, en daarom werden de omringende landen (met name Egypte) van groot strategisch belang. Maar nog belangrijker was de ontdekking van grote olievoorraden in het Midden-Oosten.

Het Midden-Oosten was jarenlang slechts een achtergestelde regio van het Ottomaanse rijk. Met het einde van de negentiende eeuw kwam daar sterke verandering in. Dit had twee oorzaken:
1. De strategische ligging. In 1869 werd in Egypte het Suez-kanaal geopend, wat een uiterst handige handelsroute werd tussen Europa en India. De koning van Egypte, Ismail, wilde Egypte moderniseren en bouwde uiterst moderne, semi-Parijse wijken in Cairo. Dit kostte ontzettend veel geld, en daarom zette de Egyptische koning in 1875 de aandelen van het Suez-kanaal op de markt. Meteen kocht de Britse premier de aandelen, waarmee Groot-Brittannië haar handelsroute met India ruim 8000 km had verkort. Het Suez-kanaal was nu de navelstreng van het Britse rijk geworden. Na hevige rellen in Egypte tegen de Westerse aanwezigheid, werd Egypte een Brits protectoraat.

2. De olie. In het begin van de twintigste eeuw werden enorme olievelden ontdekt in het Midden-Oosten, voornamelijk in de Arabische golf.
Deze twee oorzaken leidden ertoe dat het Midden-Oosten één van de belangrijkste regio's in de wereld werd. De Westerse mogendheden moesten dit zien te besturen.

Het Midden-Oosten werd dus in korte tijd ineens een enorm belangrijke regio. Een regio waarop de bancaire elite dus (kosten wat het kost) haar greep moest krijgen. Door de potentiële enorme inkomsten uit olie, en de controle over westerse handelsroutes, zouden de lokale machthebbers in die regio geduchte concurrenten kunnen worden, en dat kon uiteraard niet worden toegestaan.

Maar hier stuitten de bankiers op een probleem: het Midden-Oosten werd gedomineerd door de islamitische religie, en volgens die religie mocht er geen rente gevraagd of betaald worden. Een religieuze wet die tot op de dag van vandaag nog steeds bestaat in veel islamitische landen. De vertrouwde bankiersstrategie van fractional reserve banking om de macht in handen te krijgen, ging hier niet op. Er moest dus iets anders verzonnen worden.

Ook de invloed op de verschillende westerse naties bood geen uitkomst. Men kon niet één van die naties verplichten om het Midden-Oosten door middel van oorlog te onderwerpen. Dit zou de onderlinge machtverhoudingen tussen de landen scheeftrekken en dat zou leiden tot een internationale oorlog tussen die uitverkoren natie en de andere westerse landen.

De bankiers hadden weliswaar de macht over alle westerse landen afzonderlijk, maar de betrekkingen tussen die landen waren van dien aard dat samenwerking uitgesloten was. Toch was bij gebrek aan bancair/financiële strategieën, oorlog uiteindelijk de enige overgebleven mogelijkheid om het Midden-Oosten te onderwerpen.

Maar om oorlog te kunnen voeren is een aanleiding nodig. Een aanleiding om de steun en de samenwerking te genereren van de landen die deze beoogde oorlog moeten gaan voeren. Het is immers onmogelijk om zomaar en zonder officiële rechtvaardiging een oorlog te starten zonder als agressor aangewezen te worden. Bovendien zou dat de werkelijk drijfveer (totale wereldmacht van de bancaire sector) onthullen.

Meestal wordt de benodigde aanleiding gevonden in het provoceren van de beoogde tegenstander om daarmee een aanval uit te lokken. Maar de landen in het Midden-Oosten hadden geen enkele baat bij een aanval op hun afnemers. Olie was immers vooral gevraagd door de geïndustrialiseerde wereld, de westerse landen dus, en de islamitische landen zouden die westerse landen (hun klanten) dus nooit aanvallen. Er moest een ander plan komen.

Een langetermijnplan dat uiteindelijk zoveel onrust in de regio moest gaan brengen dat de islamitische wereld aangevallen zou kunnen worden met steun van de rest van de wereld. En zo kwam men op het idee van het zionisme. Een supranationale politieke beweging met als doel de stichting van een joodse staat op Palestijns grondgebied, midden in de islamitische wereld. Een politieke beweging die gestoeld is op ideeën over de joodse identiteit en de joodse geschiedenis. Een beweging die nauwelijks gebaseerd is op religieuze gronden, maar die politieke en strategische doeleinden nastreeft.

Rond 1900 bestond er eigenlijk nauwelijks zoiets als een joodse identiteit. Joden waren verspreid over de wereld en de meeste leidden een seculier bestaan. Veel van die joden hadden geprofiteerd van de welvaart die hun historische voorsprong gebracht had. Ze behoorden vaak tot de elite en zagen geen aanleiding om die positie op te geven en te vertrekken naar Palestina. Wel bestond er wereldwijd een groep orthodoxe joden die terugkeer naar Israël nastreefden, maar dan uitsluitend op religieuze gronden, dus na de komst van de Messias, en niet op seculiere basis, zoals het zionisme voorstelt.

Om het plan te laten slagen, moest er dus een strategie gevonden worden die uiteindelijk zou leiden tot de acceptatie van een joodse staat op islamitisch grondgebied. Een staat die gesteund zou worden door de westerse wereld en bestreden door de islamitische wereld. En in dat bestrijden zou een rechtvaardiging voor een aanval gevonden worden.

In 1897 kwam onder leiding van Theodor Herzl het eerste Internationale Zionistische Congres bijeen. Om te kunnen slagen stelde men zich tot doel om te komen tot acceptatie van het idee dat joden een volk zijn. Zowel bij joden zelf als in de westerse opinie.

Daarvoor waren 4 dingen nodig:

1- Zichtbaar maken van joden in de westerse samenlevingen door middel van segregatie. In eerste instantie door het bevoordelen van joden ten opzichte van niet-joden. Dit zou dan zoveel weerstand oproepen bij niet-joden dat er een negatief beeld en een vijandige stemming t.o.v. joden zou ontstaan. De ontstane polarisatie zou zowel de joodse identiteit versterken, als de tegenstand ertegen.

2- Het initiëren en stimuleren van vervolging van joden als gevolg van die negatieve stemming.

3- Het vinden van rechtvaardiging bij westerse naties in het verlenen van steun voor de oprichting van de joodse staat als reactie op die vervolging.

4- Het verbinden van de westerse naties.

De meeste joden woonden in Midden-Europa, met name in Duistland en Oostenrijk. Om de gewenste tegenstellingen te creëren tussen joden en niet-joden, was het noodzakelijk dat dit gebied eerst tot grote armoede gedreven zou worden, en dat joden alle eliteposities zouden innemen. Om die armoede te bewerkstelligen en om de overige landen afhankelijker te maken van de bankiers, moest er een oorlog komen.

De eerste wereldoorlog voldeed prima. Duitsland werd na de oorlog aangewezen als boosdoener, en werd met het verdrag van Versailles gedwongen tot enorme herstelbetalingen. Dit bracht de geplande armoede onder de bevolking. Tegelijkertijd werden joden in topposities geplaatst in de financiële, culturele, economische en politieke wereld, en werden joodse ondernemingen volop gefinancierd. Joden vormden de nieuwe en zeer zichtbare elite in een omgeving van Duitse armoede. En dit bracht de gewenste onvrede met zich mee. Het was nu wachten op de eerste georganiseerde tegenstand.

Die tegenstand werd gevonden in een splinterpartij, de NSDAP, de Nationaal Socialistische (Nazi) partij die zich afzette tegen Versailles en de joodse elite. Een gezicht werd gevonden in een herkenbare figuur (markant uiterlijk, welbespraakt) en er werd een uitgekiende marketing/propagandastrategie ontwikkeld. Bovendien werd deze beweging door de zionistische bankiers rijkelijk gefinancierd. Met dat geld kon Hitler vliegensvlug (tussen 1933 en 1939) de economie herstellen, het sterkste leger van Europa opbouwen en met de eer strijken om zo het Duitse volk achter zich te krijgen.

Voorwaarde van de bankiers was echter dat Hitler de joden zou vervolgen op een historisch ongekend wrede manier. Voorstellen van de nazi’s om de joden te laten emigreren en zo Duitsland van de door hen gehate joden te verlossen, werden door de bankiers dan ook van tafel geveegd. De joodse identiteit werd eerst misbruikt, en de joden werden vervolgens letterlijk opgeofferd om het doel te bereiken.

Na de tweede wereldoorlog werd de holocaust gebruikt als aanleiding om de stichting van Israël te rechtvaardigen. Daarnaast werden de verschrikkingen van die oorlog aangegrepen om de westerse landen te verenigen in de VN en later de Europese landen in de EU. Alles in het kader van: “dit mag nooit meer gebeuren”.

In 1948 werd de staat Israël gesticht op Palestijns grondgebied met medewerking van de westerse landen. De oorspronkelijke islamitische bewoners van Palestina werden verdreven. Een daad die alleen kon worden gerechtvaardigd door de holocaust, waaraan de Palestijnen uiteraard geen enkele schuld hadden. Dit stuitte op grote verontwaardiging in de Arabische wereld en dat bracht de gewenste tweedeling tussen het Westen en het Midden-Oosten.

Maar ondanks een paar militaire strubbelingen en de voortdurende provocaties van Israël en de westerse landen, kozen de meeste islamitische landen toch voor het bewaren van een gespannen vrede. Het grote internationale militaire conflict waarop gehoopt was, bleef grotendeels uit. Er was te weinig aanleiding voor een groot internationaal initiatief om de gehele islamitische wereld aan te vallen en te onderwerpen, wat natuurlijk wel het uiteindelijk doel was/is.

Al snel werd duidelijk dat er nog een andere strategie nodig zou zijn. Een strategie die ertoe moest leiden dat moslims in een kwaad daglicht zouden komen te staan bij de westerse bevolking. Een strategie die de gehele islamitische wereld zou aanwijzen als potentiële bedreiging. En die strategie werd gevonden in twee richtingen: immigratie en terrorisme.

De immigratiestrategie werd gestoeld op de ervaringen die men had met de vooroorlogse joodse segregatie, maar nu andersom. Dat wil zeggen: men stimuleerde decennialang immigratie vanuit islamitische landen, maar de immigranten vormden nu niet de bovenklasse (zoals bij de joden) maar de onderklasse. Met name ongeschoolde en kansarme moslims werden in groten getale naar de westerse landen gelokt. Daar kregen ze in veel gevallen een voorkeursbehandeling als het ging om sociale en financiële ondersteuning. Dat leidde tot veel onvrede bij de oorspronkelijke westerse bewoners. Een onvrede die door academische opiniemakers en politici in de media werd weggezet als racisme en daarom niet mocht worden geuit. De immigratie zorgde met name in de grote steden voor enorme problemen. Problemen die door het bestuur en de politiek vrijwel volledig werden genegeerd, en afgedaan werden als xenofobie en onderbuikgevoelens.

Zo liep de onderhuidse spanning steeds verder op zonder de mogelijkheid van een uitweg. Er ontstond een latente anti-islam stemming die nergens gehoor kreeg, en nergens geuit kon worden zonder in de media geridiculiseerd te worden.

In het begin van de 21e eeuw werd daar de terrorismestrategie aan toegevoegd. Er vond een aantal aanslagen plaats, en die aanlagen werden in de schoenen van moslims of islamitische organisaties geschoven. Tegelijkertijd werd het embargo op kritiek op moslimimmigranten geleidelijk opgeheven. De door de bankiers beheerste media benadrukken voortduren het gevaar van terrorisme en dikken incidenten met immigranten dagelijks aan. Daarnaast krijgen nieuwe politici die een anti-islam agenda voeren in vrijwel alle landen vrij baan. Uiteraard zodanig ingekleed dat de bestaande gevestigde orde zonder gezichtsverlies kan blijven zitten.

Er wordt een gezicht gevonden (markant uiterlijk, welbespraakt) om de plotseling losgelaten emoties te verwoorden, te vertegenwoordigen en aan te wakkeren. De partij van die figuur wordt ook nu weer rijkelijk gefinancierd door de bancaire zionistische elite. Nu wordt de immigratieproblematiek (die al die jaren ontkend is) ineens het hoofdpunt op de agenda van alle politieke partijen en in de media.

Tegelijkertijd wordt er een internationaal propagandaoffensief gestart dat islamitische landen verdacht moet maken. Eerst Irak, dat onder valse voorwendselen aangevallen wordt. En vervolgens worden de pijlen gericht op andere landen in de regio, zoals Syrië en uiteindelijk Iran. Het is de bedoeling dat de internationale anti-islam stemming nu sterk genoeg is om de steun van de bevolking te winnen voor een oorlog tegen een land dat in de geschiedenis van haar bestaan nog nooit een ander land heeft aangevallen, laat staan een westers land.

En als de oorlog tegen Iran eenmaal een feit is (zo is de gedachte), zal dit leiden tot de gewenste wereldoorlog tegen de gehele islamitische wereld. Een oorlog die rechtvaardiging zal vinden in de wereldwijde angst voor islamitisch terrorisme of oorlogsdreiging. Een dreiging waarvan het idee in ruim honderd jaar tijd, stap voor stap, zorgvuldig gecultiveerd is, en die moet leiden tot acceptatie van oorlog tegen, en de onderwerping van het gehele Midden-Oosten aan de westerse mogendheden. En daarmee dus aan de financiers die daar de dienst uitmaken.


woensdag 3 november 2010

Vrije markt


Regelmatig krijg ik tegengas van mensen als ik het heb over corporate macht. De macht van het bedrijfsleven dus. Vooral de libertariërs onder ons hebben daar moeite mee. Volgens de libertariër bestaat er maar één soort macht en dat is overheidsmacht.

Nou heb ik de onderstaande definitie van macht al vaker gebruikt, maar ik herhaal hem nog maar eens:

Macht is het vermogen om anderen te laten doen wat jij wil.

En daarmee kunnen die anderen dus niet meer doen wat ze zelf willen. Macht van de één, bestaat dus uit de onvrijheid van de anderen.

De libertarische gedachte gaat er vanuit dat als overheidsmacht niet meer zou bestaan, iedereen kan doen wat hij zelf wil, vrij zal zijn, en macht dus verleden tijd zal zijn.

Daarom propageert de libertariër dan ook de ‘vrije markt’. Een vrije markt, zonder enige overheidsbemoeienis garandeert dezelfde mogelijkheden voor iedereen, en het hangt dus van de kwaliteiten en inspanningen van ieder individu zelf af in hoeverre men succesvol is.

In een vrije markt kan iedereen zonder obstakels ondernemen, en de gegenereerde winst is volledig voor de succesvolle ondernemer. En natuurlijk zal de ene ondernemer succesvoller zijn dan de andere.

Een succesvolle ondernemer zal een goed gevoel hebben voor de bestaande behoeften, en daarop inspelen. Of nieuwe latente behoeften ontdekken. En vervolgens datgene aanbieden wat die behoeften bevredigt. Dit mechanisme ligt aan de basis van de moderne economische theorieën.

Om succesvol te zijn, moet een ondernemer niet alleen rekening houden met de behoeften van het publiek, maar ook met zijn concurrenten. Want hij is niet de enige die graag een succesvol ondernemer wil zijn. De concurrent is uit op zijn marktaandeel, en dus zijn winst. De concurrent is de vijand, en de vijand dient bestreden te worden. Dat kan in binnen de libertarische gedachte maar op één manier: zorg dat je een beter product biedt tegen een lagere prijs dan je concurrent dat doet. Dan krijg je het grootste marktaandeel en dan versla je de concurrent. En dat is ook goed voor de consument.

Naarmate de ondernemer groter wordt, verstevigt zijn positie. Het wordt nu makkelijker om minder stevig in het zadel zittende ondernemers uit de markt te drukken. En hoe meer concurrenten hij uit de markt drukt, hoe sterker zijn concurrentiepositie, en hoe makkelijker het wordt om nog meer concurrenten uit de markt te drukken: hoe groter hij wordt, hoe makkelijker het wordt om nog groter te worden. Dat heet het "hefboomeffect".

Het wordt voor succesvolle bedrijven dus steeds gemakkelijker om nog succesvoller te worden. En succesvolle bedrijven trekken financiers aan, in de vorm van aandeelhouders die een graantje (of een zak graan) van het succes willen meepikken. En daardoor wordt het bedrijf nog sterker. Als dit mechanisme ongehinderd kan doordraaien, leidt het tot er een punt waarop er binnen een branche nog maar één overlevende is: de sterkste. Of dat alle succesvolle bedrijven in handen zijn van dezelfde financiers. En dat heet dan een monopolie.

Van de twee regulerende factoren: behoefte (vraag) en concurrentie, is er dan dus nog maar één over: behoefte. De macht van het bedrijf hoeft nu niet meer aangewend te worden om de concurrentie uit te schakelen, of om de gunst van de klant te bedingen, maar kan geheel gericht worden op de behoefte van de consument. Een behoefte die de enig overgebleven ondernemer (of club van aandeelhouders) nu naar keuze meer of minder kan bevredigen. Hij krijgt totale controle over een andere belangrijke factor binnen de economische theorie: schaarste.

Het economisch mechanisme wil dat schaarste (naast concurrentie, maar die is inmiddels uitgeschakeld) bepalend is voor de prijs van een product. Hoe schaarser iets is, hoe meer je ervoor kunt vragen. En omdat er niemand anders meer is die een vergelijkbaar product kan leveren, kan de monopolist zijn product zo schaars maken, of laten lijken, als hij zelf wil. En dus de prijs vragen die hij zelf wil, en dus zoveel winst maken als hij zelf wil. Tenminste, zolang de behoefte blijft bestaan.

Het mooiste zou het natuurlijk zijn als je monopolist bent die een behoefte bevredigt die altijd blijft bestaan. Een behoefte die altijd blijft bestaan omdat het een levensbehoefte is. Zoals bijvoorbeeld energie, of voedsel, of gezondheidszorg, of huisvesting, of geld. Dat mensen simpelweg niet (meer) zonder jouw product kunnen leven.

Als je daar eenmaal beland bent, dan heb je het als ondernemer in de vrije markt helemaal gemaakt. Dan heb je de macht over leven en dood van je afnemers, en je kunt vragen wat je wil, zolang het geen volksopstand oproept. Je hebt nu macht over het volk.

Je hebt van de vrijheid die de vrije markt biedt, gebruik gemaakt om macht te genereren en dus vrijheid van anderen af te nemen. Je bent de baas. Ten koste van de vrijheid van alle anderen.

Nou lukt het bedrijven niet vaak om een volledig monopolie te bereiken. Er zijn bijna altijd wel andere bedrijven die ook groot en succesvol zijn, en dus concurrenten blijven, net zoals jij een concurrent bent voor die andere bedrijven. En dat houdt dus in dat niemand kan heersen over de behoeften van het volk, en dat dus niemand de macht van het monopolie heeft.

Nou kun je van succesvolle ondernemers van alles zeggen, maar niet dat ze dom zijn. Wanneer een markt verdeeld wordt door bijvoorbeeld vijf grote concurrenten, dan zal het niet lang duren tot het doordringt dat je de monopolistische macht beter met zijn vijven kunt delen, dan er helemaal geen gebruik van maken. Als je de handen ineenslaat, en stiekem afspreekt elkaar niet meer te beconcurreren, dan ben je samen een monopolist, en dan heb je ieder een vijfde deel van de monopoliemacht. In plaats van niks.

Dat heet dan een kartel. En dat mag niet van de wet. Het zou de consumenten namelijk geheel uitleveren aan de macht van de corporaties. Je zou het ook openlijk kunnen doen en officieel samengegaan, fuseren dus, tot je monopolist bent. En dat mag (on dezelfde reden) ook niet van de wet.

Die wet wordt gemaakt door overheden. Overheden die volgens de libertarische gedachte niet mogen bestaan. Als die overheid en dus die wet niet bestaat, is de weg naar het monopolie (al of niet in kartelvorm) vrij. In dat geval is de macht dus van de overheid in zijn geheel overgegaan naar de corporatie(s). Het effect voor het volk is hetzelfde: het is onvrij.


Zowel corporaties als overheden willen dus macht. Macht over het volk. En overheden en corporaties beconcurreren elkaar daar ook in. De overheid krijgt macht van het volk toegewezen om dat volk te beschermen d.m.v. wetgeving. Bijvoorbeeld tegen de macht van corporaties. Corporaties proberen macht naar zich toe te trekken door de vrije markt te propageren (en dus de macht van de wetgever te beperken) en zich op te voeren als brengers van welvaart en economische groei. Maar, ze willen allebei meer macht. En ze beconcurreren elkaar daarom.

Maar ook hier geldt: als de concurrentie wegvalt, dan ontstaat er een monopolie. En één monopolie heeft veel meer macht dan twee elkaar beconcurrerende concurrenten. Een monopolie hoeft immers niet meer te dingen naar de gunst van het volk. Een monopolie heeft de macht over het volk.
Het ligt dus voor de hand dat het ook voor corporaties en overheden aantrekkelijk is om samen te gaan. Om samen een kartel te vormen, en de monopoliemacht die dat oplevert, te delen. En dat is dan ook precies wat er gebeurt.
Als overheden dan bijvoorbeeld de macht om geld te creëren aan private banken gunnen, of aandringen op privatisering van ziektekostenverzekering of energiebedrijven, dan betekent dat niet dat de macht over die activiteiten wordt opgegeven, maar dat er binnen het kartel mee wordt geschoven. In dit geval met de bedoeling dat de overheid niet meer verantwoordelijk kan worden gehouden voor de geleverde kwaliteit en de prijs. Maar de macht blijft gewoon binnen het kartel en daar profiteren beide partijen van.

Als duidelijk wordt dat er sprake is van misbruik van een monopoliepositie, dan kan het volk in opstand komen. En dat wil de monopolist niet, dus het is beter om de schijn op te houden dat er helemaal geen sprake is van een monopolie of een kartel, en dus te doen alsof er wel degelijk sprake is van concurrentie. Het bedrijfsleven zal dan ook nooit toegeven dat het beleid dicteert aan de overheden. En overheden zullen nooit toegeven dat ze een kartel zijn aangegaan met het bedrijfsleven en wetgeving ombuigen in het voordeel van corporaties. Ze zijn stiekeme partners en zullen elkaar de hand boven het hoofd houden.

Het heeft in deze situatie dan ook geen enkele zin om de schuld aan één van beide partijen te geven, en die partij uit te schakelen. Als je binnen dit kartel de corporaties elimineert, dan komt alle monopolistische macht bij de overheid terecht (zoals bij communisme). Als je de overheid elimineert, komt alle monopolistische macht bij de corporaties terecht (zoals bij extreem kapitalisme). Het maakt voor de burgers niets uit. Ze zijn in alle gevallen volledig onderworpen aan die macht en dus volledig onvrij.

Zowel in de linkse als in de libertarisch/kapitalistische gedachte wordt ervan uitgegaan dat er maar twee machtsblokken bestaan, en dat het volk altijd is onderworpen aan de één of de ander, of een mengvorm daarvan. Maar dan wordt voorbijgegaan aan een derde machtsblok. Het blok dat zowel het onderwerp als de leverancier is van alle macht, en dat is het volk. Het is het volk dat, door haar vrijheid in te leveren, de enige voedingsbron is voor welke macht dan ook.

Maar waarom zou het volk als leverancier van alle macht, die macht altijd weg moeten geven? Pas wanneer die macht niet weggegeven wordt, is er sprake van vrijheid. Als het volk zich zodanig zou organiseren dat grote machtsblokken onmogelijk kunnen bestaan, dan hoeft het haar macht niet weg te geven, en dan zal het de vrijheid dus kunnen behouden.

Aangezien centralisering van macht precies hetzelfde is als toename van macht, is decentralisering de enige bescherming tegen grootschalig machtsmisbruik. Dat geldt zowel voor overheidsmacht als voor corporate macht, als voor een kartel van beide.

Dus een sterk gedecentraliseerd en slank bestuur, met daarop een zeer directe controle door de burgers die zeggenschap aan het bestuur verlenen. Het is dan aan die burgers zelf om in de gaten te houden of dat bestuur nog wel werkelijk de belangen van het volk beschermt. En zo niet, dat bestuur te vervangen.

Dat vraagt van die burgers dus het nemen van verantwoordelijkheid voor zichzelf. Dit in tegenstelling tot de huidige situatie waarbij burgers die verantwoordelijkheid vrijwel volledig bij het steeds verder centraliserende bestuur (of het bedrijfsleven) leggen, en klagen als dat bestuur (of die corporatie) die verantwoordelijkheid misbruikt.

Wanneer burgers werkelijk verantwoordelijkheid voor zichzelf nemen, dan hoeven ze hun vrijheid niet in te leveren. Niet aan een libertarische, door het bedrijfleven gedomineerde wereld, en niet aan een ‘linkse’, door een grote overheid gedomineerde wereld. En al helemaal niet aan het huidige allesoverheersende kartel van die twee.








dinsdag 2 november 2010

Privatisering


"Er komt geen tol op bestaande wegen." Dat heeft minister Schultz van Haegen (Infrastructuur) maandag laten weten.

Volgens de minister kan van tol op het gewone wegennet geen sprake zijn. "De automobilist betaalt voldoende belastingen, daarvoor moet hij vlot kunnen doorrijden over onze wegen. Tol kan alleen maar van toepassing zijn op bijzondere extra wegen." Daarbij doelt ze op alternatieve trajecten die met privaat geld worden aangelegd.

Dit bericht trof ik vandaag aan op de website van de Telegraaf. Te zien aan de reacties kon het op de goedkeuring rekenen van de meeste lezers. Ik vrees dat die lezers de laatste (door mij vet aangegeven) regels niet gelezen, of in ieder geval niet begrepen hebben.

Wat de minister hier tussen neus en lippen zegt, is dat er mogelijkheden komen voor private wegen. Wegen die eigendom zullen zijn van de financiers die de wegen betalen, aanleggen en beheren. Ze opent daarmee de mogelijkheid om een begin te maken met de privatisering van het wegennet, dat vervolgens stap voor stap richting volledige privatisering kan groeien. En waaraan op termijn natuurlijk ook de ‘bestaande wegen’ zullen moeten geloven. Altijd gerechtvaardigd door het argument van ‘onbetaalbaarheid’ van de huidige situatie. Net als bij alle voorgaande privatiseringen.

Het is een volgende stap in de wereldwijde tendens naar privatisering van primaire dienstverlening en infrastructuren. Een tendens die vaart op het steeds terugkerende argument van de ‘marktwerking’. Marktwerking die uiteindelijk concurrentievoordeel zou moeten opleveren voor de ‘consument’. Maar dat in de praktijk nooit doet. Sterker nog: het heeft de ‘consument’ volledig overgeleverd aan de financiers.

De golf van privatiseringen is niets meer of minder dan een wereldwijde machtsgreep van de internationale financiers. Van de geldelite die hiermee de macht in de wereld in een recordtempo en met medewerking van de ook door hen gefinancierde overheden naar zich toetrekt. Wat de minister hier dus doet, is het keurig uitvoeren van de bevelen die ze van haar broodheren krijgt.

De nieuwe eigenaren van alle noodzakelijke dienstverlening en infrastructuren, zijn dezelfden als de eigenaren van het gehele monetaire systeem. Uiteindelijk zal het tot niets anders leiden dan tot totale horigheid en slavernij van de bevolking.

Privatisering is niets meer dan het verkopen van publieke instellingen en systemen (die dus eigendom zijn van het volk) aan particulieren. Om die instellingen en systemen te kunnen kopen, moet er geld zijn. En daarvoor zijn financiers nodig. En die financiers zijn bankiers.

Het zijn de bankiers die al het bestaande geld in omloop brengen via de door hen gecontroleerde centrale banken. De bankiers die de financiële middelen ter beschikking hebben om al deze, voor ons onmisbare, zaken op te kopen. Bankiers die dat geld uit niets creëren, en het tegen rente in omloop brengen. Geld dat vervolgens door de bevolking moet worden verdiend door ervoor te werken.

Het is het kartel van financiers dat de macht krijgt over de beprijzing van alle noodzakelijke diensten en systemen, en daarmee de zeggenschap krijgt over de hoeveelheid arbeid die wij moeten leveren om toegang te krijgen of te houden tot die diensten en systemen.

We moeten werken om geld te verdienen. Een groot gedeelte van het verdiende geld moet direct worden afgestaan aan de door de bankiers gefinancierde overheden. Om de rente over de overheidsschuld te betalen aan die financiers. Vervolgens maken diezelfde financiers uit hoeveel ze van het overgebleven geld vorderen in ruil voor toegang tot onze levensbehoeften.

Zij bepalen de prijs voor de geprivatiseerde gezondheidszorg, voor de geprivatiseerde energievoorziening, voor de geprivatiseerde watervoorziening (reken er maar vast op), voor wonen (zij zijn het die onze woningen financieren, of we nou kopen of huren), voor geprivatiseerd openbaar vervoer, voor de geprivatiseerde communicatiekanalen, en straks dus ook voor de geprivatiseerde wegen.

Zij zijn het die bepalen hoeveel we ervoor moeten betalen, en dus hoeveel we ervoor moeten werken. En wie er wel of geen toegang toe krijgt. Uiteindelijk zal het leiden tot een situatie waarin alles wat we met werken verdienen, direct wordt teruggevorderd door degenen die heersen over alles wat we nodig hebben om te kunnen leven.

Het zal leiden tot een volledige horigheid aan de financiers, die ons daarmee in al ons doen en laten kunnen besturen, en alle opbrengsten van onze arbeid via het omweggetje dat geld heet (een omweggetje dat diezelfde financiers volledig controleren) beheersen en erop parasiteren.