woensdag 24 november 2010

Over geld, macht, Islam, politiek en oorlog


De huidige machtsverhoudingen in de wereld vinden voor een belangrijk deel hun oorsprong in het oude testament dat voor zowel het Christendom als de Islam en het Jodendom gelijk is.

Hierin staat dat het zondig is om rente te vragen.

Wikipedia zegt hierover:

In veel religies werd het heffen van rente op een lening als een zonde beschouwd. Meestal ging dit uit van twee benaderingen. Volgens de eerste kon geld zich niet zomaar 'uit zichzelf' vermeerderen, omdat alleen God of de goden zaken konden scheppen. De tweede, meer praktische reden om het heffen van rente als zonde aan te merken, was het feit dat woekeraars soms doelbewust dermate hoge percentages rekenden dat de schuldenaar nooit uit de schulden kon komen en al zijn goederen en uiteindelijk zijn vrijheid moest afstaan. Een dergelijke gang van zaken werd gelijkgesteld aan stelen, en was daarmee een zonde.

Om deze reden verbood de katholieke kerk tot in de middeleeuwen het heffen van rente. Joden, daarentegen, interpreteerden de regels van het oude testament anders. Het oude testament verbood het vragen van rente aan broeders, en omdat niet-joden geen broeders waren (zo redeneerde men) was het vragen van rente aan niet-joden toegestaan. Dit is de oorsprong van de prominente aanwezigheid van joden in de bancaire en financiële wereld, tot op de dag van vandaag.

Nogmaals Wikipedia:

In de Middeleeuwen was het christenen verboden rente te heffen, wat leidde tot de positie van joden als bankiers en geldverschaffers. Ook joden zelf was het in principe niet toegestaan rente te heffen, maar dit renteverbod gold niet wanneer zaken werd gedaan met niet-joden.

Uiteraard trokken de enorme winstmogelijkheden later ook niet-joodse zakenlieden aan, maar de internationale bancaire wereld telt nog steeds een onevenredig groot aantal joodse bestuurders en topfunctionarissen. En dat heeft dus helemaal niks met een “joodse volksaard” of zoiets te maken, maar heeft een puur historische oorsprong.

Wel werd al snel duidelijk dat de bijzondere maatschappelijke positie van bankiers enorme privileges met zich meebracht. Buiten private rijkdom, groeide ook de bestuurlijke invloed van de bankiers. En die invloed explodeerde met de introductie van een systeem met de naam fractional reserve banking in de late middeleeuwen.

Het systeem hield in eerste instantie in dat bankiers maar een klein deel (bijv. 10%) van het aan hen toevertrouwde goud in hun kluis hoefden te houden voor het geval een eigenaar het zou komen ophalen. Omdat het nooit voorkwam dat alle eigenaren tegelijkertijd hun goud kwamen ophalen, bleef er altijd een voorraad goud bij de bankiers. En dat goud (dat hun eigendom dus niet was) leenden ze uit tegen rente.

Met komst van waardepapieren (papiergeld) keerden de bankiers dit mechanisme om. Ze konden zelf waardepapier drukken, en met het in bewaring nemen van één goudstuk, kon nu voor tien goudstukken waardepapier worden uitgegeven, en tegen rente worden uitgeleend. De bankiers werden hiermee een vrijwel onuitputtelijke bron van geld (en daarmee schuld), maar die bron bestond feitelijk op basis van valsemunterij. Er werd immers papiergeld in omloop gebracht waar geen goud tegenover stond.

In eerste instantie stuitte dit systeem op weerstand bij de bestaande machthebbers, maar al snel bleek dat de bankiers hiermee ook de constante geldhonger van koningen en staten konden stillen, en zo werden er verbonden gesmeed tussen de bankiers en die machthebbers. In die zin dat deze vorm van valsemunterij door de wetgevers werd gelegaliseerd op voorwaarde dat de staten ervan konden profiteren.

Ook nu nog is vrijwel het gehele wereldwijde bancaire systeem gestoeld op dit mechanisme. En dat heeft er in de loop van de tijd voor gezorgd dat de bancaire wereld geworden is tot een supranationale wereldmacht. Een wereldmacht die zich niets hoeft aan te trekken van grenzen of nationale wetten.
Vrijwel alle overheden en staten zijn volledig afhankelijk geworden van de welwillendheid van de financiers. En dat geeft die financiers macht over de staten en de bestuurders ervan. Politici en bestuurders kunnen zich uitsluitend bewegen binnen de door de bankiers gestelde kaders. En binnen die kaders staat het belang van de financiers voorop. Voldoet een land of een politicus niet aan de eisen, dan wordt de geldkraan simpelweg dichtgedraaid.

Tot het einde van de negentiende eeuw konden de bankiers die macht alleen laten gelden via de gevestigde politiek in de landen die financieel afhankelijk gemaakt waren. Maar dat hield ook een beperking in van hun invloed. En die beperking betekende dat men rekening moest houden met de internationale verhoudingen tussen de verschillende staten. Staten die individueel weliswaar volledig in de financiële houdgreep zaten van de bankiers, maar onderling vaak op gespannen voet stonden. Spanningen overigens waar de bankiers garen bij sponnen omdat oorlogvoeren de belangrijkste oorzaak was van vraag naar kapitaal, en die daarmee de afhankelijkheid van de staten aan de bankiers deed toenemen.

Dit systeem had de internationale bankiers dus enorme macht en invloed gebracht in het grootste gedeelte van de wereld. Ze waren achter de schermen de werkelijk machthebbers geworden die de officiële machthebbers konden besturen met hun controle over geld. Dit gold voor de gehele westerse wereld. De rest van de wereld was of gekoloniseerd door de westerse mogendheden, en vielen dus ook onder de invloed van de bankiers, of oninteressant.

Dat veranderde tegen het einde van de 19e eeuw. Ten eerste werd in 1869 het Suezkanaal geopend. Hierdoor werd de handelsroute naar de oostelijk koloniën met 8000 km bekort, en daarom werden de omringende landen (met name Egypte) van groot strategisch belang. Maar nog belangrijker was de ontdekking van grote olievoorraden in het Midden-Oosten.

Het Midden-Oosten was jarenlang slechts een achtergestelde regio van het Ottomaanse rijk. Met het einde van de negentiende eeuw kwam daar sterke verandering in. Dit had twee oorzaken:
1. De strategische ligging. In 1869 werd in Egypte het Suez-kanaal geopend, wat een uiterst handige handelsroute werd tussen Europa en India. De koning van Egypte, Ismail, wilde Egypte moderniseren en bouwde uiterst moderne, semi-Parijse wijken in Cairo. Dit kostte ontzettend veel geld, en daarom zette de Egyptische koning in 1875 de aandelen van het Suez-kanaal op de markt. Meteen kocht de Britse premier de aandelen, waarmee Groot-Brittannië haar handelsroute met India ruim 8000 km had verkort. Het Suez-kanaal was nu de navelstreng van het Britse rijk geworden. Na hevige rellen in Egypte tegen de Westerse aanwezigheid, werd Egypte een Brits protectoraat.

2. De olie. In het begin van de twintigste eeuw werden enorme olievelden ontdekt in het Midden-Oosten, voornamelijk in de Arabische golf.
Deze twee oorzaken leidden ertoe dat het Midden-Oosten één van de belangrijkste regio's in de wereld werd. De Westerse mogendheden moesten dit zien te besturen.

Het Midden-Oosten werd dus in korte tijd ineens een enorm belangrijke regio. Een regio waarop de bancaire elite dus (kosten wat het kost) haar greep moest krijgen. Door de potentiële enorme inkomsten uit olie, en de controle over westerse handelsroutes, zouden de lokale machthebbers in die regio geduchte concurrenten kunnen worden, en dat kon uiteraard niet worden toegestaan.

Maar hier stuitten de bankiers op een probleem: het Midden-Oosten werd gedomineerd door de islamitische religie, en volgens die religie mocht er geen rente gevraagd of betaald worden. Een religieuze wet die tot op de dag van vandaag nog steeds bestaat in veel islamitische landen. De vertrouwde bankiersstrategie van fractional reserve banking om de macht in handen te krijgen, ging hier niet op. Er moest dus iets anders verzonnen worden.

Ook de invloed op de verschillende westerse naties bood geen uitkomst. Men kon niet één van die naties verplichten om het Midden-Oosten door middel van oorlog te onderwerpen. Dit zou de onderlinge machtverhoudingen tussen de landen scheeftrekken en dat zou leiden tot een internationale oorlog tussen die uitverkoren natie en de andere westerse landen.

De bankiers hadden weliswaar de macht over alle westerse landen afzonderlijk, maar de betrekkingen tussen die landen waren van dien aard dat samenwerking uitgesloten was. Toch was bij gebrek aan bancair/financiële strategieën, oorlog uiteindelijk de enige overgebleven mogelijkheid om het Midden-Oosten te onderwerpen.

Maar om oorlog te kunnen voeren is een aanleiding nodig. Een aanleiding om de steun en de samenwerking te genereren van de landen die deze beoogde oorlog moeten gaan voeren. Het is immers onmogelijk om zomaar en zonder officiële rechtvaardiging een oorlog te starten zonder als agressor aangewezen te worden. Bovendien zou dat de werkelijk drijfveer (totale wereldmacht van de bancaire sector) onthullen.

Meestal wordt de benodigde aanleiding gevonden in het provoceren van de beoogde tegenstander om daarmee een aanval uit te lokken. Maar de landen in het Midden-Oosten hadden geen enkele baat bij een aanval op hun afnemers. Olie was immers vooral gevraagd door de geïndustrialiseerde wereld, de westerse landen dus, en de islamitische landen zouden die westerse landen (hun klanten) dus nooit aanvallen. Er moest een ander plan komen.

Een langetermijnplan dat uiteindelijk zoveel onrust in de regio moest gaan brengen dat de islamitische wereld aangevallen zou kunnen worden met steun van de rest van de wereld. En zo kwam men op het idee van het zionisme. Een supranationale politieke beweging met als doel de stichting van een joodse staat op Palestijns grondgebied, midden in de islamitische wereld. Een politieke beweging die gestoeld is op ideeën over de joodse identiteit en de joodse geschiedenis. Een beweging die nauwelijks gebaseerd is op religieuze gronden, maar die politieke en strategische doeleinden nastreeft.

Rond 1900 bestond er eigenlijk nauwelijks zoiets als een joodse identiteit. Joden waren verspreid over de wereld en de meeste leidden een seculier bestaan. Veel van die joden hadden geprofiteerd van de welvaart die hun historische voorsprong gebracht had. Ze behoorden vaak tot de elite en zagen geen aanleiding om die positie op te geven en te vertrekken naar Palestina. Wel bestond er wereldwijd een groep orthodoxe joden die terugkeer naar Israël nastreefden, maar dan uitsluitend op religieuze gronden, dus na de komst van de Messias, en niet op seculiere basis, zoals het zionisme voorstelt.

Om het plan te laten slagen, moest er dus een strategie gevonden worden die uiteindelijk zou leiden tot de acceptatie van een joodse staat op islamitisch grondgebied. Een staat die gesteund zou worden door de westerse wereld en bestreden door de islamitische wereld. En in dat bestrijden zou een rechtvaardiging voor een aanval gevonden worden.

In 1897 kwam onder leiding van Theodor Herzl het eerste Internationale Zionistische Congres bijeen. Om te kunnen slagen stelde men zich tot doel om te komen tot acceptatie van het idee dat joden een volk zijn. Zowel bij joden zelf als in de westerse opinie.

Daarvoor waren 4 dingen nodig:

1- Zichtbaar maken van joden in de westerse samenlevingen door middel van segregatie. In eerste instantie door het bevoordelen van joden ten opzichte van niet-joden. Dit zou dan zoveel weerstand oproepen bij niet-joden dat er een negatief beeld en een vijandige stemming t.o.v. joden zou ontstaan. De ontstane polarisatie zou zowel de joodse identiteit versterken, als de tegenstand ertegen.

2- Het initiëren en stimuleren van vervolging van joden als gevolg van die negatieve stemming.

3- Het vinden van rechtvaardiging bij westerse naties in het verlenen van steun voor de oprichting van de joodse staat als reactie op die vervolging.

4- Het verbinden van de westerse naties.

De meeste joden woonden in Midden-Europa, met name in Duistland en Oostenrijk. Om de gewenste tegenstellingen te creëren tussen joden en niet-joden, was het noodzakelijk dat dit gebied eerst tot grote armoede gedreven zou worden, en dat joden alle eliteposities zouden innemen. Om die armoede te bewerkstelligen en om de overige landen afhankelijker te maken van de bankiers, moest er een oorlog komen.

De eerste wereldoorlog voldeed prima. Duitsland werd na de oorlog aangewezen als boosdoener, en werd met het verdrag van Versailles gedwongen tot enorme herstelbetalingen. Dit bracht de geplande armoede onder de bevolking. Tegelijkertijd werden joden in topposities geplaatst in de financiële, culturele, economische en politieke wereld, en werden joodse ondernemingen volop gefinancierd. Joden vormden de nieuwe en zeer zichtbare elite in een omgeving van Duitse armoede. En dit bracht de gewenste onvrede met zich mee. Het was nu wachten op de eerste georganiseerde tegenstand.

Die tegenstand werd gevonden in een splinterpartij, de NSDAP, de Nationaal Socialistische (Nazi) partij die zich afzette tegen Versailles en de joodse elite. Een gezicht werd gevonden in een herkenbare figuur (markant uiterlijk, welbespraakt) en er werd een uitgekiende marketing/propagandastrategie ontwikkeld. Bovendien werd deze beweging door de zionistische bankiers rijkelijk gefinancierd. Met dat geld kon Hitler vliegensvlug (tussen 1933 en 1939) de economie herstellen, het sterkste leger van Europa opbouwen en met de eer strijken om zo het Duitse volk achter zich te krijgen.

Voorwaarde van de bankiers was echter dat Hitler de joden zou vervolgen op een historisch ongekend wrede manier. Voorstellen van de nazi’s om de joden te laten emigreren en zo Duitsland van de door hen gehate joden te verlossen, werden door de bankiers dan ook van tafel geveegd. De joodse identiteit werd eerst misbruikt, en de joden werden vervolgens letterlijk opgeofferd om het doel te bereiken.

Na de tweede wereldoorlog werd de holocaust gebruikt als aanleiding om de stichting van Israël te rechtvaardigen. Daarnaast werden de verschrikkingen van die oorlog aangegrepen om de westerse landen te verenigen in de VN en later de Europese landen in de EU. Alles in het kader van: “dit mag nooit meer gebeuren”.

In 1948 werd de staat Israël gesticht op Palestijns grondgebied met medewerking van de westerse landen. De oorspronkelijke islamitische bewoners van Palestina werden verdreven. Een daad die alleen kon worden gerechtvaardigd door de holocaust, waaraan de Palestijnen uiteraard geen enkele schuld hadden. Dit stuitte op grote verontwaardiging in de Arabische wereld en dat bracht de gewenste tweedeling tussen het Westen en het Midden-Oosten.

Maar ondanks een paar militaire strubbelingen en de voortdurende provocaties van Israël en de westerse landen, kozen de meeste islamitische landen toch voor het bewaren van een gespannen vrede. Het grote internationale militaire conflict waarop gehoopt was, bleef grotendeels uit. Er was te weinig aanleiding voor een groot internationaal initiatief om de gehele islamitische wereld aan te vallen en te onderwerpen, wat natuurlijk wel het uiteindelijk doel was/is.

Al snel werd duidelijk dat er nog een andere strategie nodig zou zijn. Een strategie die ertoe moest leiden dat moslims in een kwaad daglicht zouden komen te staan bij de westerse bevolking. Een strategie die de gehele islamitische wereld zou aanwijzen als potentiële bedreiging. En die strategie werd gevonden in twee richtingen: immigratie en terrorisme.

De immigratiestrategie werd gestoeld op de ervaringen die men had met de vooroorlogse joodse segregatie, maar nu andersom. Dat wil zeggen: men stimuleerde decennialang immigratie vanuit islamitische landen, maar de immigranten vormden nu niet de bovenklasse (zoals bij de joden) maar de onderklasse. Met name ongeschoolde en kansarme moslims werden in groten getale naar de westerse landen gelokt. Daar kregen ze in veel gevallen een voorkeursbehandeling als het ging om sociale en financiële ondersteuning. Dat leidde tot veel onvrede bij de oorspronkelijke westerse bewoners. Een onvrede die door academische opiniemakers en politici in de media werd weggezet als racisme en daarom niet mocht worden geuit. De immigratie zorgde met name in de grote steden voor enorme problemen. Problemen die door het bestuur en de politiek vrijwel volledig werden genegeerd, en afgedaan werden als xenofobie en onderbuikgevoelens.

Zo liep de onderhuidse spanning steeds verder op zonder de mogelijkheid van een uitweg. Er ontstond een latente anti-islam stemming die nergens gehoor kreeg, en nergens geuit kon worden zonder in de media geridiculiseerd te worden.

In het begin van de 21e eeuw werd daar de terrorismestrategie aan toegevoegd. Er vond een aantal aanslagen plaats, en die aanlagen werden in de schoenen van moslims of islamitische organisaties geschoven. Tegelijkertijd werd het embargo op kritiek op moslimimmigranten geleidelijk opgeheven. De door de bankiers beheerste media benadrukken voortduren het gevaar van terrorisme en dikken incidenten met immigranten dagelijks aan. Daarnaast krijgen nieuwe politici die een anti-islam agenda voeren in vrijwel alle landen vrij baan. Uiteraard zodanig ingekleed dat de bestaande gevestigde orde zonder gezichtsverlies kan blijven zitten.

Er wordt een gezicht gevonden (markant uiterlijk, welbespraakt) om de plotseling losgelaten emoties te verwoorden, te vertegenwoordigen en aan te wakkeren. De partij van die figuur wordt ook nu weer rijkelijk gefinancierd door de bancaire zionistische elite. Nu wordt de immigratieproblematiek (die al die jaren ontkend is) ineens het hoofdpunt op de agenda van alle politieke partijen en in de media.

Tegelijkertijd wordt er een internationaal propagandaoffensief gestart dat islamitische landen verdacht moet maken. Eerst Irak, dat onder valse voorwendselen aangevallen wordt. En vervolgens worden de pijlen gericht op andere landen in de regio, zoals Syrië en uiteindelijk Iran. Het is de bedoeling dat de internationale anti-islam stemming nu sterk genoeg is om de steun van de bevolking te winnen voor een oorlog tegen een land dat in de geschiedenis van haar bestaan nog nooit een ander land heeft aangevallen, laat staan een westers land.

En als de oorlog tegen Iran eenmaal een feit is (zo is de gedachte), zal dit leiden tot de gewenste wereldoorlog tegen de gehele islamitische wereld. Een oorlog die rechtvaardiging zal vinden in de wereldwijde angst voor islamitisch terrorisme of oorlogsdreiging. Een dreiging waarvan het idee in ruim honderd jaar tijd, stap voor stap, zorgvuldig gecultiveerd is, en die moet leiden tot acceptatie van oorlog tegen, en de onderwerping van het gehele Midden-Oosten aan de westerse mogendheden. En daarmee dus aan de financiers die daar de dienst uitmaken.


woensdag 3 november 2010

Vrije markt


Regelmatig krijg ik tegengas van mensen als ik het heb over corporate macht. De macht van het bedrijfsleven dus. Vooral de libertariërs onder ons hebben daar moeite mee. Volgens de libertariër bestaat er maar één soort macht en dat is overheidsmacht.

Nou heb ik de onderstaande definitie van macht al vaker gebruikt, maar ik herhaal hem nog maar eens:

Macht is het vermogen om anderen te laten doen wat jij wil.

En daarmee kunnen die anderen dus niet meer doen wat ze zelf willen. Macht van de één, bestaat dus uit de onvrijheid van de anderen.

De libertarische gedachte gaat er vanuit dat als overheidsmacht niet meer zou bestaan, iedereen kan doen wat hij zelf wil, vrij zal zijn, en macht dus verleden tijd zal zijn.

Daarom propageert de libertariër dan ook de ‘vrije markt’. Een vrije markt, zonder enige overheidsbemoeienis garandeert dezelfde mogelijkheden voor iedereen, en het hangt dus van de kwaliteiten en inspanningen van ieder individu zelf af in hoeverre men succesvol is.

In een vrije markt kan iedereen zonder obstakels ondernemen, en de gegenereerde winst is volledig voor de succesvolle ondernemer. En natuurlijk zal de ene ondernemer succesvoller zijn dan de andere.

Een succesvolle ondernemer zal een goed gevoel hebben voor de bestaande behoeften, en daarop inspelen. Of nieuwe latente behoeften ontdekken. En vervolgens datgene aanbieden wat die behoeften bevredigt. Dit mechanisme ligt aan de basis van de moderne economische theorieën.

Om succesvol te zijn, moet een ondernemer niet alleen rekening houden met de behoeften van het publiek, maar ook met zijn concurrenten. Want hij is niet de enige die graag een succesvol ondernemer wil zijn. De concurrent is uit op zijn marktaandeel, en dus zijn winst. De concurrent is de vijand, en de vijand dient bestreden te worden. Dat kan in binnen de libertarische gedachte maar op één manier: zorg dat je een beter product biedt tegen een lagere prijs dan je concurrent dat doet. Dan krijg je het grootste marktaandeel en dan versla je de concurrent. En dat is ook goed voor de consument.

Naarmate de ondernemer groter wordt, verstevigt zijn positie. Het wordt nu makkelijker om minder stevig in het zadel zittende ondernemers uit de markt te drukken. En hoe meer concurrenten hij uit de markt drukt, hoe sterker zijn concurrentiepositie, en hoe makkelijker het wordt om nog meer concurrenten uit de markt te drukken: hoe groter hij wordt, hoe makkelijker het wordt om nog groter te worden. Dat heet het "hefboomeffect".

Het wordt voor succesvolle bedrijven dus steeds gemakkelijker om nog succesvoller te worden. En succesvolle bedrijven trekken financiers aan, in de vorm van aandeelhouders die een graantje (of een zak graan) van het succes willen meepikken. En daardoor wordt het bedrijf nog sterker. Als dit mechanisme ongehinderd kan doordraaien, leidt het tot er een punt waarop er binnen een branche nog maar één overlevende is: de sterkste. Of dat alle succesvolle bedrijven in handen zijn van dezelfde financiers. En dat heet dan een monopolie.

Van de twee regulerende factoren: behoefte (vraag) en concurrentie, is er dan dus nog maar één over: behoefte. De macht van het bedrijf hoeft nu niet meer aangewend te worden om de concurrentie uit te schakelen, of om de gunst van de klant te bedingen, maar kan geheel gericht worden op de behoefte van de consument. Een behoefte die de enig overgebleven ondernemer (of club van aandeelhouders) nu naar keuze meer of minder kan bevredigen. Hij krijgt totale controle over een andere belangrijke factor binnen de economische theorie: schaarste.

Het economisch mechanisme wil dat schaarste (naast concurrentie, maar die is inmiddels uitgeschakeld) bepalend is voor de prijs van een product. Hoe schaarser iets is, hoe meer je ervoor kunt vragen. En omdat er niemand anders meer is die een vergelijkbaar product kan leveren, kan de monopolist zijn product zo schaars maken, of laten lijken, als hij zelf wil. En dus de prijs vragen die hij zelf wil, en dus zoveel winst maken als hij zelf wil. Tenminste, zolang de behoefte blijft bestaan.

Het mooiste zou het natuurlijk zijn als je monopolist bent die een behoefte bevredigt die altijd blijft bestaan. Een behoefte die altijd blijft bestaan omdat het een levensbehoefte is. Zoals bijvoorbeeld energie, of voedsel, of gezondheidszorg, of huisvesting, of geld. Dat mensen simpelweg niet (meer) zonder jouw product kunnen leven.

Als je daar eenmaal beland bent, dan heb je het als ondernemer in de vrije markt helemaal gemaakt. Dan heb je de macht over leven en dood van je afnemers, en je kunt vragen wat je wil, zolang het geen volksopstand oproept. Je hebt nu macht over het volk.

Je hebt van de vrijheid die de vrije markt biedt, gebruik gemaakt om macht te genereren en dus vrijheid van anderen af te nemen. Je bent de baas. Ten koste van de vrijheid van alle anderen.

Nou lukt het bedrijven niet vaak om een volledig monopolie te bereiken. Er zijn bijna altijd wel andere bedrijven die ook groot en succesvol zijn, en dus concurrenten blijven, net zoals jij een concurrent bent voor die andere bedrijven. En dat houdt dus in dat niemand kan heersen over de behoeften van het volk, en dat dus niemand de macht van het monopolie heeft.

Nou kun je van succesvolle ondernemers van alles zeggen, maar niet dat ze dom zijn. Wanneer een markt verdeeld wordt door bijvoorbeeld vijf grote concurrenten, dan zal het niet lang duren tot het doordringt dat je de monopolistische macht beter met zijn vijven kunt delen, dan er helemaal geen gebruik van maken. Als je de handen ineenslaat, en stiekem afspreekt elkaar niet meer te beconcurreren, dan ben je samen een monopolist, en dan heb je ieder een vijfde deel van de monopoliemacht. In plaats van niks.

Dat heet dan een kartel. En dat mag niet van de wet. Het zou de consumenten namelijk geheel uitleveren aan de macht van de corporaties. Je zou het ook openlijk kunnen doen en officieel samengegaan, fuseren dus, tot je monopolist bent. En dat mag (on dezelfde reden) ook niet van de wet.

Die wet wordt gemaakt door overheden. Overheden die volgens de libertarische gedachte niet mogen bestaan. Als die overheid en dus die wet niet bestaat, is de weg naar het monopolie (al of niet in kartelvorm) vrij. In dat geval is de macht dus van de overheid in zijn geheel overgegaan naar de corporatie(s). Het effect voor het volk is hetzelfde: het is onvrij.


Zowel corporaties als overheden willen dus macht. Macht over het volk. En overheden en corporaties beconcurreren elkaar daar ook in. De overheid krijgt macht van het volk toegewezen om dat volk te beschermen d.m.v. wetgeving. Bijvoorbeeld tegen de macht van corporaties. Corporaties proberen macht naar zich toe te trekken door de vrije markt te propageren (en dus de macht van de wetgever te beperken) en zich op te voeren als brengers van welvaart en economische groei. Maar, ze willen allebei meer macht. En ze beconcurreren elkaar daarom.

Maar ook hier geldt: als de concurrentie wegvalt, dan ontstaat er een monopolie. En één monopolie heeft veel meer macht dan twee elkaar beconcurrerende concurrenten. Een monopolie hoeft immers niet meer te dingen naar de gunst van het volk. Een monopolie heeft de macht over het volk.
Het ligt dus voor de hand dat het ook voor corporaties en overheden aantrekkelijk is om samen te gaan. Om samen een kartel te vormen, en de monopoliemacht die dat oplevert, te delen. En dat is dan ook precies wat er gebeurt.
Als overheden dan bijvoorbeeld de macht om geld te creëren aan private banken gunnen, of aandringen op privatisering van ziektekostenverzekering of energiebedrijven, dan betekent dat niet dat de macht over die activiteiten wordt opgegeven, maar dat er binnen het kartel mee wordt geschoven. In dit geval met de bedoeling dat de overheid niet meer verantwoordelijk kan worden gehouden voor de geleverde kwaliteit en de prijs. Maar de macht blijft gewoon binnen het kartel en daar profiteren beide partijen van.

Als duidelijk wordt dat er sprake is van misbruik van een monopoliepositie, dan kan het volk in opstand komen. En dat wil de monopolist niet, dus het is beter om de schijn op te houden dat er helemaal geen sprake is van een monopolie of een kartel, en dus te doen alsof er wel degelijk sprake is van concurrentie. Het bedrijfsleven zal dan ook nooit toegeven dat het beleid dicteert aan de overheden. En overheden zullen nooit toegeven dat ze een kartel zijn aangegaan met het bedrijfsleven en wetgeving ombuigen in het voordeel van corporaties. Ze zijn stiekeme partners en zullen elkaar de hand boven het hoofd houden.

Het heeft in deze situatie dan ook geen enkele zin om de schuld aan één van beide partijen te geven, en die partij uit te schakelen. Als je binnen dit kartel de corporaties elimineert, dan komt alle monopolistische macht bij de overheid terecht (zoals bij communisme). Als je de overheid elimineert, komt alle monopolistische macht bij de corporaties terecht (zoals bij extreem kapitalisme). Het maakt voor de burgers niets uit. Ze zijn in alle gevallen volledig onderworpen aan die macht en dus volledig onvrij.

Zowel in de linkse als in de libertarisch/kapitalistische gedachte wordt ervan uitgegaan dat er maar twee machtsblokken bestaan, en dat het volk altijd is onderworpen aan de één of de ander, of een mengvorm daarvan. Maar dan wordt voorbijgegaan aan een derde machtsblok. Het blok dat zowel het onderwerp als de leverancier is van alle macht, en dat is het volk. Het is het volk dat, door haar vrijheid in te leveren, de enige voedingsbron is voor welke macht dan ook.

Maar waarom zou het volk als leverancier van alle macht, die macht altijd weg moeten geven? Pas wanneer die macht niet weggegeven wordt, is er sprake van vrijheid. Als het volk zich zodanig zou organiseren dat grote machtsblokken onmogelijk kunnen bestaan, dan hoeft het haar macht niet weg te geven, en dan zal het de vrijheid dus kunnen behouden.

Aangezien centralisering van macht precies hetzelfde is als toename van macht, is decentralisering de enige bescherming tegen grootschalig machtsmisbruik. Dat geldt zowel voor overheidsmacht als voor corporate macht, als voor een kartel van beide.

Dus een sterk gedecentraliseerd en slank bestuur, met daarop een zeer directe controle door de burgers die zeggenschap aan het bestuur verlenen. Het is dan aan die burgers zelf om in de gaten te houden of dat bestuur nog wel werkelijk de belangen van het volk beschermt. En zo niet, dat bestuur te vervangen.

Dat vraagt van die burgers dus het nemen van verantwoordelijkheid voor zichzelf. Dit in tegenstelling tot de huidige situatie waarbij burgers die verantwoordelijkheid vrijwel volledig bij het steeds verder centraliserende bestuur (of het bedrijfsleven) leggen, en klagen als dat bestuur (of die corporatie) die verantwoordelijkheid misbruikt.

Wanneer burgers werkelijk verantwoordelijkheid voor zichzelf nemen, dan hoeven ze hun vrijheid niet in te leveren. Niet aan een libertarische, door het bedrijfleven gedomineerde wereld, en niet aan een ‘linkse’, door een grote overheid gedomineerde wereld. En al helemaal niet aan het huidige allesoverheersende kartel van die twee.








dinsdag 2 november 2010

Privatisering


"Er komt geen tol op bestaande wegen." Dat heeft minister Schultz van Haegen (Infrastructuur) maandag laten weten.

Volgens de minister kan van tol op het gewone wegennet geen sprake zijn. "De automobilist betaalt voldoende belastingen, daarvoor moet hij vlot kunnen doorrijden over onze wegen. Tol kan alleen maar van toepassing zijn op bijzondere extra wegen." Daarbij doelt ze op alternatieve trajecten die met privaat geld worden aangelegd.

Dit bericht trof ik vandaag aan op de website van de Telegraaf. Te zien aan de reacties kon het op de goedkeuring rekenen van de meeste lezers. Ik vrees dat die lezers de laatste (door mij vet aangegeven) regels niet gelezen, of in ieder geval niet begrepen hebben.

Wat de minister hier tussen neus en lippen zegt, is dat er mogelijkheden komen voor private wegen. Wegen die eigendom zullen zijn van de financiers die de wegen betalen, aanleggen en beheren. Ze opent daarmee de mogelijkheid om een begin te maken met de privatisering van het wegennet, dat vervolgens stap voor stap richting volledige privatisering kan groeien. En waaraan op termijn natuurlijk ook de ‘bestaande wegen’ zullen moeten geloven. Altijd gerechtvaardigd door het argument van ‘onbetaalbaarheid’ van de huidige situatie. Net als bij alle voorgaande privatiseringen.

Het is een volgende stap in de wereldwijde tendens naar privatisering van primaire dienstverlening en infrastructuren. Een tendens die vaart op het steeds terugkerende argument van de ‘marktwerking’. Marktwerking die uiteindelijk concurrentievoordeel zou moeten opleveren voor de ‘consument’. Maar dat in de praktijk nooit doet. Sterker nog: het heeft de ‘consument’ volledig overgeleverd aan de financiers.

De golf van privatiseringen is niets meer of minder dan een wereldwijde machtsgreep van de internationale financiers. Van de geldelite die hiermee de macht in de wereld in een recordtempo en met medewerking van de ook door hen gefinancierde overheden naar zich toetrekt. Wat de minister hier dus doet, is het keurig uitvoeren van de bevelen die ze van haar broodheren krijgt.

De nieuwe eigenaren van alle noodzakelijke dienstverlening en infrastructuren, zijn dezelfden als de eigenaren van het gehele monetaire systeem. Uiteindelijk zal het tot niets anders leiden dan tot totale horigheid en slavernij van de bevolking.

Privatisering is niets meer dan het verkopen van publieke instellingen en systemen (die dus eigendom zijn van het volk) aan particulieren. Om die instellingen en systemen te kunnen kopen, moet er geld zijn. En daarvoor zijn financiers nodig. En die financiers zijn bankiers.

Het zijn de bankiers die al het bestaande geld in omloop brengen via de door hen gecontroleerde centrale banken. De bankiers die de financiële middelen ter beschikking hebben om al deze, voor ons onmisbare, zaken op te kopen. Bankiers die dat geld uit niets creëren, en het tegen rente in omloop brengen. Geld dat vervolgens door de bevolking moet worden verdiend door ervoor te werken.

Het is het kartel van financiers dat de macht krijgt over de beprijzing van alle noodzakelijke diensten en systemen, en daarmee de zeggenschap krijgt over de hoeveelheid arbeid die wij moeten leveren om toegang te krijgen of te houden tot die diensten en systemen.

We moeten werken om geld te verdienen. Een groot gedeelte van het verdiende geld moet direct worden afgestaan aan de door de bankiers gefinancierde overheden. Om de rente over de overheidsschuld te betalen aan die financiers. Vervolgens maken diezelfde financiers uit hoeveel ze van het overgebleven geld vorderen in ruil voor toegang tot onze levensbehoeften.

Zij bepalen de prijs voor de geprivatiseerde gezondheidszorg, voor de geprivatiseerde energievoorziening, voor de geprivatiseerde watervoorziening (reken er maar vast op), voor wonen (zij zijn het die onze woningen financieren, of we nou kopen of huren), voor geprivatiseerd openbaar vervoer, voor de geprivatiseerde communicatiekanalen, en straks dus ook voor de geprivatiseerde wegen.

Zij zijn het die bepalen hoeveel we ervoor moeten betalen, en dus hoeveel we ervoor moeten werken. En wie er wel of geen toegang toe krijgt. Uiteindelijk zal het leiden tot een situatie waarin alles wat we met werken verdienen, direct wordt teruggevorderd door degenen die heersen over alles wat we nodig hebben om te kunnen leven.

Het zal leiden tot een volledige horigheid aan de financiers, die ons daarmee in al ons doen en laten kunnen besturen, en alle opbrengsten van onze arbeid via het omweggetje dat geld heet (een omweggetje dat diezelfde financiers volledig controleren) beheersen en erop parasiteren.













donderdag 28 oktober 2010

Privacy

Recentelijk zond de VPRO een documentaire uit over privacy. Ik weet niet of het doelbewuste manipulatie is, of gewoon kortzichtigheid, maar de focus lag weer op het verkeerde probleem.

Het begrip privacy wordt steeds aangeduid als een ethische kwestie (en een enkel geval van persoonsverwisseling, maar dat wordt gezien als een systeemfout, of een ongelukje).

Die ethische kwestie speelt natuurlijk ook wel, maar dat is niet het belangrijkste probleem. Het werkelijke probleem is van praktische aard. En daarom is het woord ‘privacy’ ook verkeerd als het over deze problematiek gaat.

De ethische benadering levert twee stromingen op: ‘ik heb niks te verbergen’ of ‘privé is privé en daar heeft niemand iets mee te maken’. Beide een ethisch standpunt, en daar stopt het. Een kwestie van smaak dus. En eigenlijk zit de eerste van die stromingen er het dichtste bij. ‘Ik heb niks te verbergen’ zegt: ‘ik kan me vinden in de huidige regelgeving, en ik heb niet de behoefte die regels te overtreden’.

Maar het is geen ethisch probleem. Het is een praktisch probleem. Een beter woord zou zijn: Controle. Dat dekt de lading beter. Controle als in ‘in het oog houden’ en controle als in ‘onder controle houden’.

Er wordt wereldwijd met man en macht gewerkt aan een controlesysteem dat het mogelijk maakt om iedereen 24 uur per dag onder toezicht te houden. En als het klaar is, geeft dat overheden de mogelijkheid om regels in te voeren die zonder dat controlesysteem niet opgevolgd zouden worden, simpelweg omdat men weet dat ze voor de meeste mensen onacceptabel zullen zijn.

Omdat men weet dat mensen die regels vanuit zichzelf niet zullen opvolgen, zal er dus dwang en controle voor nodig zal zijn. En dan hebben de mensen die zich niet meer in die regelgeving kunnen vinden (en dan dus de behoefte krijgen om die regels wel te overtreden) ineens wel iets te verbergen. Maar dan is het te laat, want dat lukt dan niet meer.

Als een groep herten in een bos leeft dat ze overal in voorziet, is er geen enkele aanleiding voor die herten om dat bos te verlaten. Wanneer je het plan oppakt om die herten te gaan schieten, kun je verwachten dat ze na het eerste schot het bos uit zullen vluchten. Daarom zet je er eerst een hek omheen, voordat je gaat schieten.

De overgrote meerderheid houdt zich nu over het algemeen keurig aan de bestaande regels, en heeft dus niks te verbergen. Dus is NU het moment om een virtueel controlehek te plaatsen. Als dat er eenmaal staat hoef je geen rekening meer te houden met de bereidheden van het volk, en kun je doen wat je wilt. Je hebt dan controle, in elke zin van het woord.

En dan is het ineens geen ethisch probleem meer, maar een praktisch probleem.

Al die enorme inspanningen om een wereldwijde controle-infrastructuur te implementeren, zouden zinloos zijn als toch bijna iedereen zich aan de regels wil houden (zoals nu het geval is). Het feit dat dit desondanks gebeurt, en dat het nu gebeurt (nu bijna iedereen nog tevreden is met de regelgeving) zou de alarmbellen in werking moeten zetten. Het geeft ons namelijk de mogelijkheid om in de toekomst te kijken.

Door het te benoemen als ‘privacy’ en er een ethisch probleem van te maken, voorkom je dat mensen de werkelijke bedoelingen gaan doorzien, en zo kun je in betrekkelijke rust het hek voltooien.

vrijdag 15 oktober 2010

Doelloos



Vaak krijg ik de vraag: “Wat wil je nou eigenlijk bereiken?”

De mensheid is al sinds mensenheugenis gedreven door doelen. Doelen die moeten worden nagestreefd. Doelen die het eigen leven of de wereld ‘beter’ moeten maken. Het hebben en nastreven van die doelen wordt zelfs gezien als een grote deugd.

Zonder doelen komt er niets van de wereld terecht, is de algemeen gangbare opvatting.

Doelen liggen altijd in de toekomst. Ze zijn niets meer dan een idee van hoe die toekomst eruit zou moeten zien. En die doelen zijn altijd gebaseerd op de gedachte dat de toekomst beter moet (en zal) zijn dan het heden. Beter dan het NU. Een volbracht doel zal een verbetering betekenen. Dat is de gedachte achter het nastreven van het doel.

Al duizenden jaren zijn we gedreven door doelen. Door de hang naar beter. Door pogingen de toekomst beheersbaar te maken. Wanneer deze manier van leven echt zou werken, dan zou nu onderhand de perfectie bereikt moeten zijn. Iedereen met werkende zintuigen kan vaststellen dat dit niet bepaald het geval is.

Doelen zijn verstandelijke constructies. Doelen worden geconstrueerd door gebruik te maken van ons vermogen tot redeneren. Ons redeneervermogen is een instrument van onze intelligentie. En onze beschikking over intelligentie is wat ons onderscheidt van andere levensvormen op deze aarde.

Intelligentie is, kort gezegd, het vermogen om problemen op lossen. Een intelligentietest bestaat uit een aantal voorgelegde problemen, en wie die problemen in de kortste tijd en met de minste fouten oplost, is het intelligentst.

Intelligentie is het vermogen problemen op te lossen, en is een typisch menselijke verworvenheid. In die zin zou de mens dus de soort moeten zijn met de minste problemen.

Ook hier geldt: iedereen met werkende zintuigen kan vaststellen dat dit niet bepaald het geval is.

De behoefte om doelen te formuleren komt voort uit ontevredenheid over het heden; in de toekomst moet het beter dan nu. We zijn zelfs in veel gevallen bereid om het heden op te offeren aan het doel: het doel heiligt de middelen. Het is de bereidheid om van het heden een hel te maken, in ruil voor een hemel in de toekomst.

Alleen komt die toekomst nooit. Tenminste: niet in de vorm van het gestelde doel. Want als die toekomst gearriveerd is, dan zijn er weer nieuwe doelen waaraan het nu van die toekomst geofferd moet worden. Zo gaat het al duizenden jaren. En zo blijft het altijd een hel.

Omdat redeneren altijd gebeurt vanuit ons eigen persoonlijke perspectief, construeert iedereen andere doelen. Soms overlappen die doelen elkaar, maar vaak ook niet, en zo ontstaat het idee van een verschil in belang. Een belang dat vervolgens moet opboksen tegen het belang van een ander. Anders wordt het persoonlijke doel nooit bereikt.

Hoe harder we moeten vechten om ons doel te bereiken, hoe meer we bereid zijn het heden op te offeren aan dat heilige doel. En hoe meer ontevreden we logischerwijs zullen zijn over dat heden. En dus hoe meer waarde we gaan hechten aan het doel (verbetering). En hoe harder we moeten vechten etc. De wereld is één groot slagveld geworden van elkaar bevechtende doelen.

Onze focus op onze doelen neemt ons zodanig in beslag, dat we onze beschikbare aandacht voor een groot gedeelte aan de toekomst besteden. Aandacht die daarmee niet beschikbaar is voor het NU.

Boeddha zei: het menselijk lijden wordt veroorzaakt door begeerte. Begeerte zou je kunnen uitleggen als: dingen willen. En dingen willen is alleen nodig als we ontevreden zijn met de dingen die we hebben. Lijden is daarmee de kloof tussen wat we willen en wat IS. Wanneer we tevreden zouden kunnen zijn met wat IS, dan zou het stellen van doelen overbodig zijn. En dan zou lijden dus niet bestaan.

Door onze aandacht te focussen op onze toekomstdoelen, hebben we geen aandacht over voor wat NU IS, en daarom kunnen we er niet tevreden over zijn. En die ontevredenheid rechtvaardigt dan weer het stellen van nieuwe doelen. Het nastreven van doelen levert een onacceptabel NU op, en een onacceptabel NU genereert nieuwe doelstellingen. Zo houdt het mechanisme zichzelf in stand.

Wanneer we wat IS (zowel kwalitatief als kwantitatief) minder zouden opofferen aan de toekomst, dan zou wat NU IS logischerwijs veel aangenamer zijn. En daarmee zou de noodzaak om dingen ‘beter’ te maken in dezelfde mate afnemen.

We hebben onze aandacht gevestigd op morgen, in de veronderstelling dat morgen daarmee beter zal zijn dan vandaag. Maar morgen doen we hetzelfde. Dan hebben we onze aandacht gevestigd op overmorgen. En zo kunnen we, zelfs als ons doel bereikt wordt, nooit van het resultaat van die aandacht genieten. Zo blijven we altijd lijden aan ontevredenheid en blijven we altijd nieuwe doelen construeren.

Doelen die inmiddels als belangrijkste doel hebben de problemen op te lossen die door het nastreven van al die verschillende doelen veroorzaakt zijn.

De wereld is inmiddels zo’n complexe heksenketel geworden van zich onderling bevechtende doelen, dat geen enkel doel meer echt haalbaar lijkt. Ieder doel loopt vast in de complexiteit van tegenstrijdige doelen.

Het mechanisme van de doelgedreven samenleving is daarmee eigenlijk failliet. Je zou het een ‘doelencrisis’ kunnen noemen. En zoals iedere crisis biedt deze crisis naast bedreigingen ook kansen. Het is aan ons om die kansen op te pakken of te laten liggen.

Het is inmiddels zover dat veel mensen de moed opgeven, en de handdoek in de ring gooien. En binnen de bestaande norm die het nastreven van doelen voorschrijft, rest er dan niets anders dan apathie. Binnen die norm.

Maar wie zegt dat die norm, de enig mogelijke norm is? Misschien biedt de crisis waarin de wereld zich bevindt wel een uitgelezen kans om dingen anders te gaan doen.

Wanneer doelen wegvallen (bijvoorbeeld omdat we de zinloosheid ervan inzien), worden we gedwongen om het te doen met wat NU IS. Er blijft niets anders over. Alle aandacht die werd opgeslokt door het nastreven van onze doelen, is nu beschikbaar voor het heden. Als we (al dan niet noodgedwongen) onze aandacht voor de toekomst opgeven, dan blijft er simpelweg niets anders over dan het NU.

Het zal even wennen zijn, maar we kunnen ons doen en laten dan helemaal laten afhangen van wat we OK vinden in het NU, zonder verantwoording af te hoeven leggen aan wat we goed vinden voor de toekomst. We kunnen ons handelen dan laten afhangen van wat we met dit moment willen. Van wat nu OK is om te doen.

Er is dan geen enkele reden meer om wat dan ook te offeren aan de toekomst. Er is dan ook geen enkele aanleiding meer om slechte dingen te doen in naam van een betere toekomst.

We kunnen dan met alle aandacht zijn bij hetgeen nu echt bestaat. We kunnen ons helemaal richten op het NU en dat volledig en bewust ervaren. Zonder een deel van onze aandacht te verliezen aan de illusie van een betere toekomst (die toch nooit komt). Ook hoeven we onze daden (wat we nu doen) niet meer te laten bepalen door een toekomstig doel.

En als er geen doelen meer zijn, dan zullen er ook geen verschillende doelen meer bestaan. En dan zal er ook geen reden meer bestaan om elkaar te bevechten. En ook dat zal het NU een stuk aangenamer maken.

We zouden alle aandacht en energie die er dan overblijft kunnen besteden aan het doen wat op dit moment goed of gewoon prettig is. Zonder doelen is er namelijk geen andere mogelijkheid dan aan onze wil om dingen goed te doen (wat uiteindelijk ook de drijfveer is achter het hebben van een doel) nu gehoor te geven.

En omdat de toekomst een gevolg is van wat we nu doen, zal een prettig NU, resulteren in een prettige toekomst. En dat is precies omgekeerd aan wat we al eeuwen doen, en wat ook al eeuwen resulteert in nooit bereikte verbeteringen.

Het zal onduidelijk zijn hoe de toekomst er precies uit zal zien. We zullen niet weten wat de vorm ervan zal zijn. Maar die toekomst zal in ieder geval niet meer gecorrumpeerd zijn door het nastreven van doelen. En dan zal die toekomst er dus vanzelf goed uitzien. Zonder dat na te hoeven streven.

En als morgen goed zal zijn, zullen we (zodra morgen NU geworden is) er tevreden over kunnen zijn en hoeven we ons niet meer druk te maken over overmorgen. En dan zou er, ook in de toekomst, geen enkele reden zijn om ons opnieuw door doelen te laten (mis)leiden.

We kunnen ons dan zorgeloos laten leiden door goede intenties in plaats van goede doelen.

Hoe die toekomst er uit zal zien zullen we niet weten. Het zal steeds een verrassing zijn. Maar een prettige verrassing. Dat zal de wereld niet alleen een meer aangename plek maken, maar ook een meer verrassende plek.

Niet als doel, maar als resultaat.




vrijdag 24 september 2010

De wetten


Elke wet, in iedere tijd en in iedere cultuur, is gebaseerd op twee universele wetten:

Gij zult niet doden

En

Gij zult niet stelen

Deze wetten zijn universeel menselijke wetten, en dat zijn ze omdat ze uitgaan van het enige werkelijke dat iedereen kan bezitten: zijn leven. Ze gaan ervan uit dat iedereen de beschikking moet hebben over zijn eigen leven.

Daarnaast is er een andere belangrijke factor die deze wetten universeel maakt, en dat is de factor tijd.

Wij leven niet alleen, maar wij leven ook nog eens gedurende een beperkte tijd. En beide wetten hebben te maken met die tijd.

Dood gaan we allemaal. Het is dan ook niet zozeer het doden op zich dat verwerpelijk is. Het gaat om het afnemen van tijd van leven. Iemand doden is niets meer dan het afnemen van zijn resterende levenstijd. In die zin is het de ultieme diefstal.

Maar ook partiële diefstal (stelen) is niets meer dan het afnemen van levenstijd. Wanneer je honderd euro per dag verdient, en iemand anders steelt honderd euro van jou, dan steelt die persoon dus een dag van je leven. Een dag waarvan je zelf geen eigenaar meer bent, maar die nu onrechtmatig eigendom is geworden van de dief. De dief heeft je veroordeeld tot een dag dwangarbeid.

Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor een boete. In essentie bestaat een boete als straf niet. Nogmaals het voorbeeld: als je honderd euro per dag verdient, en je krijgt een boete van honderd euro, dan ben je veroordeeld tot een dag dwangarbeid. Je leven is voor een dag eigendom van degene die je de boete opgelegd heeft.

De universele wetten gaan er dus van uit dat je tijd van leven je onvervreemdbaar eigendom is, en dat niemand anders dan jijzelf daarover mag beschikken.

In die zin zijn deze wetten eigenlijk de enige wetten die er nodig zijn. We zouden kunnen volstaan met een wetboek van minder dan een half A4tje. Wanneer iedereen zich aan deze wetten zou houden, dan zou er geen enkel onrecht in de wereld bestaan. Het zou simpelweg niet kunnen bestaan. Niemand zou de tijd van leven van een ander kunnen bekorten. Iedereen zou eigenaar zijn van zijn eigen tijd van leven. Niemand zou van de tijd van leven van een ander kunnen profiteren.

En dat laatste, de mogelijkheid om van de tijd van leven van een ander te kunnen profiteren, is de werkelijke reden van de dikte van alle bestaande wetboeken. Alle andere wetten dan de twee universele wetten, hebben tot doel om uitzonderingen te maken op die universele wetten. Ze hebben tot doel om dat profiteren van andermans leven juist wel mogelijk te maken. En om die mogelijkheid te gunnen aan de groep mensen waartoe degenen behoren die de wetboeken gemaakt hebben. Ten koste van alle andere mensen.

Profiteren (winst maken) van andermans leven kan alleen als die ander zijn eigendomsrecht over zijn eigen leven gedeeltelijk moet afstaan. Wanneer wetten dit gedeeltelijk toestaan, als er dus uitzonderingen gemaakt worden op de universele wetten, dan bestaan de universele wetten feitelijk niet meer. Ze zijn dan overruled. Om dan te voorkomen dat alles is toegestaan, moet vervolgens ieder detail worden vastgelegd in wetboeken. En daarom zijn de bestaande wetboeken zo dik.

Zodra er één enkele uitzondering gemaakt wordt, zoals bijvoorbeeld: de koning mag zich wel levenstijd van anderen toe-eigenen, dan moet vervolgens precies beschreven worden van wie, en hoeveel, en wie of wat is de koning, en wie niet, en wie heeft de autoriteit om voor de koning de heffingen op te halen, en welk geweld mag daar eventueel bij gebruikt worden, en in hoeverre is verzet toegestaan, enzovoort. Al dat soort zaken moet dan worden vastgelegd in wetboeken. Lees er maar eens een, en zie hoe dit alles tot in detail is vastgelegd.

Als we ervan uitgaan dat de universele wetten geldigheid hebben, dat we het recht hebben om eigenaar te zijn van ons eigen leven, dan zijn alle wetboeken dus strijdig met de geldige universele wetten, en daarmee ongeldig. Als wij, omgekeerd, de bestaande wetboeken wel als autoriteit accepteren, dan accepteren we dus ook de ongeldigheid van de universele wetten. En daarmee stemmen we in met de situatie waarbij we geen eigenaar meer zijn van onze eigen tijd van leven, maar dat die tijd van leven eigendom is van degene die de wetboeken geschreven heeft, en zich de macht heeft toegekend om de daarin beschreven regels te handhaven.

Ook als we volgens de wetboeken maar een klein gedeelte van onze tijd van leven zouden moeten afstaan, en we zouden tevreden zijn over die situatie, dan nog zijn we in geen enkel opzicht meer eigenaar van ons eigen leven. Wij kunnen zelf immers niet bepalen wat er in de wetboeken staat, en daarmee zijn we geheel overgeleverd aan de willekeur van de wetgever. Net zoals een hond (als huisdier) best een prima leven kan hebben, maar altijd eigendom blijft van zijn baas, en altijd is overgeleverd aan hetgeen die baas hem toewerpt, en of hij hem iets toewerpt.

De bestaande wetboeken beschrijven daarmee geen enkel recht, maar uitsluitend privileges: de botten die we toegeworpen krijgen. En die privileges worden bepaald door de wetgever, dus daarover hebben we niets te zeggen. Afstand doen van de universele wetten houdt daarmee in: afstand doen van ieder recht.

De mate waarin een wetgever kan afwijken van de universele wetten (en dus de dikte van de wetboeken) is afhankelijk van de mate van acceptatie bij degenen die bestolen worden. En van de hoeveelheid geweld die de wetgever kan inzetten om de naleving van zijn wetten af te dwingen. Hoe zichtbaarder het geweld, hoe kleiner de onbewuste acceptatiebereidheid, en hoe groter de angstbereidheid. Angst voor geweld (bestolen of gedood worden), en dus voor het nog verder afwijken van de universele wetten. Angst om nog meer eigendomsrecht over het eigen leven te verliezen. Eigendomsrecht dat we dus al niet meer hebben.

Dat maakt mensen dus bereid om het eigendomsrecht over hun eigen leven af te staan, in ruil voor de illusie dat recht juist te behouden. Zonder dit zonderlinge mechanisme zou iedere vorm van wetgeving (uitgezonderd de universele wetten) onmogelijk zijn. Je kunt namelijk niet iets beschermen dat al gestolen is: het eigenaarschap van je eigen leven. Je kunt hooguit vertrouwen op de goedhartigheid van de dief, in de hoop dat hij je een paar privileges zal toewerpen.

De wetboeken die onze rechten afnemen, hebben uitsluitend bestaansrecht omdat we ons aan de daarin beschreven wetten houden. Ze bestaan omdat we ze accepteren, en dat zorgt ervoor dat we geen rechten hebben. Door ons eraan te houden, ruilen we ons leven tegen privileges. Privileges die we nastreven en waarvan we ten onrechte geloven dat het rechten zijn. Door ons eraan te houden, door waarde te hechten aan privileges, geven we ons echte recht weg. En het resultaat is dan ook een wereld vol onrecht. Onrecht dat zonder wetboeken, maar met de universele wetten simpelweg niet zou kunnen bestaan.

Gij zult niet stelen, en gij zult niet doden betekent ook: gij zult niet bestolen worden en gij zult niet gedood worden. Het is het enige recht dat iedereen door geboorte heeft: het recht op het eigen leven. En dat is geen privilege maar een recht. Deze wet maakt zowel het verlenen als het nastreven van privileges overbodig. Het is de wet die alle andere wetten overbodig maakt.





dinsdag 21 september 2010

De baas der dingen



Een mens kan zijn aandacht richten op vele dingen. En van al die dingen waaruit hij kan kiezen om zijn aandacht op te richten, kiest hij in de meeste gevallen voor het onderwerp met de hoogste prioriteit. Voor iedereen die de moeite neemt om mensen te observeren, kan het niet anders dan duidelijk zijn dan dat dit onderwerp, het onderwerp ‘geld’ is. Geld is de baas der dingen.

Geld speelt een centrale rol in het leven van de moderne mens. Misschien draait het leven van die mens niet helemaal om geld, maar dan toch wel bijna helemaal. Het bepaalt waar je opgroeit, waar je naar school gaat, met wie je omgaat, waar je komt te wonen, wat voor werk je doet, enzovoort.

Natuurlijk zijn er mensen die ontkennen dat geld een leidende rol speelt in hun leven, maar mensen die dat zeggen dat zijn dan weer altijd mensen met geld. En dus is het ook hier weer de factor geld die de doorslag geeft. Zonder geld kun je namelijk helemaal niet zeggen dat geld onbelangrijk voor je is.

Laten we het maar toegeven: geld staat met stip op één als het gaat om onze aandacht. En dat is niet gek.

Geld geeft ons namelijk toegang tot alle vaardigheden en inspanningen van andere mensen. En zonder die vaardigheden en inspanningen kan geen mens leven. Dat veelkleurig palet van vaardigheden en inspanningen van anderen hebben we simpelweg nodig om te kunnen bestaan. En geld is in onze tijd de enige bestaande levenslijn naar die allereerste levensbehoefte. Het is het portaal naar de mogelijkheid tot overleven.

Zoals ik al zei: geen mens kan zonder de vaardigheden van anderen. En hoewel we in onze overwaardering voor ons eigen individu geneigd zijn anders te geloven, is geen enkel mens autonoom. Sterker nog: mensen zijn helemaal geen autonome wezens. Geen enkel mens kan voor zichzelf zorgen.

Natuurlijk denken wij in onze consumptiegerichte tijd en cultuur veel meer dingen nodig te hebben dan we echt nodig hebben, maar zelfs als het om de meest basale dingen gaat, dan nog kunnen we niet overleven op onze eigen vaardigheden alleen.

Die meest basale behoeften zijn:

De behoefte aan voedsel: eten en drinken.
De behoefte aan bescherming tegen te elementen: onderdak en kleding.
De behoefte aan energie: verwarming en bereiden van eten.

Geen enkel mens kan zelfstandig, zonder gebruik te maken van vaardigheden van anderen in deze drie behoeften voorzien. Sommige mensen beschikken over een paar van de benodigde vaardigheden. Zo kan het zijn dat iemand zijn eigen groenten verbouwt. Maar kan hij dan ook zijn eigen ijzererts opgraven om zijn gereedschappen van te maken? Zijn eigen huis bouwen? Zijn eigen bakstenen bakken? Zijn eigen brandstoffen delven om die bakstenen te bakken, zijn gereedschappen te smeden en zichzelf te verwarmen? Zijn eigen katoen verbouwen, daar garen van spinnen, en dat garen vervolgens weven tot doek en daar dan weer kleding van maken? Etc.

Dat kan dus niet. Ga maar eens na wat je iedere dag gebruikt, en hoeveel je daarvan zelf zou kunnen maken. En daarom moet iedereen gebruik maken van de arbeid van anderen om te kunnen overleven.

Dat is de reden waarom we moeten werken. Van hetgeen je wel kan, heb je altijd meer dan je nodig hebt. Van hetgeen je niet kan altijd minder. Werken is niets meer dan het ruilen van hetgeen je wel kan, tegen hetgeen je niet kan. En daarvoor is een ruilsysteem noodzakelijk.

Het is dus niet zozeer geld dat we nodig hebben, maar het is de arbeid (vaardigheid + inspanning) van anderen die we nodig hebben. Geld werkt als portaal om daartoe toegang te verkrijgen.

Wanneer een bepaald ruilsysteem op een moment het enige bestaande systeem is, moet elke uitwisseling van arbeid dus via dat systeem lopen. Het is de enige toegang, de enige poort naar onze levensbehoeften geworden. En in deze situatie bevinden we ons nu.

Op zich is daar niets mis mee. Zolang die poort maar voor iedereen toegankelijk is. Zolang die poort het ruilen maar mogelijk maakt; zolang die poort dat ruilen faciliteert.

Geld is de enige weg naar overleven, en is daarmee de baas der dingen. Maar de baas der dingen heeft zelf ook een baas. De poort naar overleven heeft een poortwachter. Iedereen die iets ruilt, moet via hem. Hij heeft de macht over de enige poort, en kan de toegang beperken. De poortwachter heeft daarmee een monopolie over de ruilbaarheid van alle inspanningen van alle mensen.

En die poortwachter faciliteert dat ruilen niet zomaar. Die poortwachter vraagt daarvoor een gedeelte van de te ruilen waar. Iedere keer als er een inspanning geruild moet worden tegen een andere inspanning, eist de poortwachter een deel op. Zonder zelf een inspanning te leveren. Dat houdt dus in dat mensen altijd minder arbeid van anderen kunnen terugkrijgen in ruil voor de arbeid die ze zelf geleverd hebben. Dat ze een gedeelte van hun tijd moeten werken voor de poortwachter, en daar niets voor in ruil krijgen. En werken zonder er iets voor te krijgen heeft een naam: slavernij. Alle mensen die gebruik moeten maken van de poort die geld heet, zijn daarmee deeltijdslaven.

En omdat de poortwachter het alleenrecht heeft op het verschaffen van toegang tot de poort, kan hij vragen wat hij wil. En hoe meer hij vraagt, hoe minder arbeid mensen in ruil krijgen voor hun eigen arbeid. En hoe lastiger het dus wordt om in de levensbehoeften te voorzien. Hoe meer de poortwachter opeist, hoe harder mensen zullen moeten werken om te kunnen overleven. En hoe meer waarde ze zullen hechten aan toegang tot de poort naar overleven: geld. En dat komt de poortwachter erg goed uit. Zijn macht groeit.

De poortwachter beheerst de toegang tot arbeid van anderen. Die toegang is geld, en de poortwachter is degene die dat geld beheerst. De poortwachter is het bancaire kartel. De club van centrale banken die het alleenrecht heeft op het creëren van geld.

Banken voegen niets van waarde (= arbeid) toe, maar bieden uitsluitend een systeem aan om het ruilen van waarde (= arbeid) mogelijk te maken. Maar omdat ze wel waarde (= arbeid) opeisen, faciliteren ze niet alleen, maar parasiteren ze ook. En daarmee maken ze het ruilen van waarde (= arbeid) juist lastiger, in plaats van makkelijker. Iedereen moet nu immers veel meer werk leveren dan dat hij voor dat werk terugkrijgt. Iedereen is op rantsoen gezet, behalve de poortwachter.

De poortwachter heeft daarmee beschikking gekregen over een enorme voorraad arbeid. Geld is immers niets meer dan een tegoedbon voor toekomstige arbeid. En omdat iedereen toegang wil tot die arbeid, kan de poortwachter anderen ermee belonen en daarmee laten doen wat hij wil. Naar zijn eigen goeddunken. Hij kan er handlangers mee kopen. Handlangers die de mensen moeten dwingen om hun aandacht te houden bij de poort en die de tol incasseren. Hij noemt die handlangers: regeringen.

Geld is een middel. Een ruilmiddel. Maar vanwege de door de bankiers gecreëerde schaarste, is de aandacht van mensen volledig gericht op dat middel. En niet meer op het doel. Het doel is niets meer dan het verkrijgen van toegang tot de vaardigheden en inspanningen van andere mensen. Ook al zou er geen geld meer zijn, ook al zou de poort gesloten worden, dan zouden alle bestaande vaardigheiden die mensen hebben, nog gewoon bestaan. En om die vaardigheden gaat het uiteindelijk echt. De gecreëerde schaarste is dus geen echte schaarste. De gecreëerde schaarste lijkt alleen maar schaarste omdat de aandacht van alle mensen gericht is op het middel, in plaats van op het doel.

Zodra mensen dit in de gaten krijgen, zodra ze inzien dat er een overvloed is van hetgeen waaraan ze werkelijk behoefte hebben, zullen ze logischerwijze een ander middel kiezen. Zou je denken.

De enige poort die momenteel bestaat is een systeem dat eeuwenoud is. Een systeem dat parasiteert op de arbeid van mensen. Dat schaarste veroorzaakt. Een systeem dat lang geleden verzonnen is, en de op dat moment bestaande technologie weerspiegelde. Maar de huidige technologie biedt inmiddels veel meer mogelijkheden. En toch is het geldsysteem nog steeds het enige bestaande ruilsysteem. Ondanks alle nadelen.

Om eerlijk ruilen mogelijk te maken, is er niet meer dan een goed administratiesysteem nodig. Een systeem dat administreert wat iemand geleverd heeft, en wat hij dus tegoed heeft. Een administratiesysteem dat voor iedereen toegankelijk is, en dat zonder poortwachters kan werken. Een collectief systeem dat eigendom is van niemand, en daarmee van iedereen. Een systeem dat door een beetje webdeveloper in en paar dagen functionerend gemaakt kan worden.

Het enige dat ervoor nodig is, is het ombuigen van onze aandacht. Het ombuigen van aandacht voor het middel (geld), naar aandacht voor het doel: toegang tot arbeid van anderen in ruil voor arbeid van jezelf. Het besef dat we helemaal niet steeds door die poort hoeven. Dat we ons niets hoeven laten afpersen. Dat we geen poortwachter nodig hebben. Dat alles wat we werkelijk nodig hebben, gewoon voorhanden is.

En dan zijn we weer zelf de baas der dingen. En dan zal de oude baas, de poortwachter (samen met zijn handlangers), zijn parasitaire bestaan moeten opgeven en ook arbeid moeten gaan leveren om te kunnen leven.

Omdat onze aandacht dan gevestigd zal zijn op de kwaliteiten van iedereen (waar het natuurlijk uiteindelijk om gaat) zullen we ons ervan bewust worden dat we geen autonome wezens zijn. Dat we elkaar nodig hebben. Dat we één werkend organisme zijn. We zullen elkaar leren waarderen, in plaats van elkaar te beconcurreren. Concurreren wordt overbodig omdat er geen schaarste bestaat. Vaardigheden en inspanningen zijn er immers net zoveel als er mensen bestaan. En dat zal zijn weerslag hebben op alles wat mensen drijft.