maandag 12 juli 2010

Ego: het strategische zelf


Je hebt mensen die, ondanks hun successen of tegenslagen, altijd zichzelf blijven. Je hebt ook mensen die zichzelf niet zijn. Je hebt mensen die zichzelf voor de gek houden. Je hebt mensen die zichzelf kwijtgeraakt zijn, en mensen die zichzelf gevonden hebben. Of hervonden hebben. Maar wie vindt dan wat?

Als je jezelf niet bent, wat ben je dan? Als je zelf de keuze maakt om anders te zijn dan je bent, dan maak je toch zelf die keuze. Dan is de manier waarop je jezelf presenteert toch een gevolg van de keuze die je zelf maakt, en dus ben je dan toch weer jezelf. Of niet?

Toch hebben mensen een feilloos gevoel voor authenticiteit als het gaat om het zelf. Vooral bij anderen. Dat impliceert dat er een zelf bestaat dat authentiek is, en waarvan naar keuze kan worden afgeweken, maar dat zo’n keuze een minder authentiek zelf oplevert. Ook al is die keuze zelf gemaakt. Het gaat ervan uit dat er in de kern van iedereen een onveranderbare essentie ligt. Een zelf zoals het is, en blijft. Ook al kies je uit vrije wil voor iets anders.

Als het essentiële zelf onveranderbaar is, dan kan de vrije wil er ook geen invloed op hebben. Dan moet die vrije wil dus invloed hebben op iets anders dan het essentiële zelf. Dan moet er dus ook een veranderbaar, of programmeerbaar deel van het zelf bestaan. Een deel dat keuzes kan maken, dat strategieën kan ontwikkelen en volgen. Het programmeerbare zelf.

Als het essentiële zelf onveranderbaar is, dan kan het zich niet aanpassen. Het is dan immers zoals het is. En zonder aanpassingsvermogen wordt het leven onhanteerbaar. Situaties doen zich in alle mogelijke vormen voor, kunnen bedreigend zijn, en moeten worden gehanteerd. Daarom is het noodzakelijk dat we ons kunnen beschermen tegen alle dingen die we meemaken en op ons afkomen. En dat wapenen doen we door strategieën te ontwikkelen. Iedereen doet dat op zijn manier; de manier die het beste bij hem of haar lijkt te passen. Het wapenen gebeurt uit noodzaak, het bepalen van de strategische richting uit vrije wil.

Die vrije wil heeft daarmee alleen invloed op het programmeerbare zelf. Strategieën worden gevormd door een combinatie van vrije wil en omstandigheden. De omstandigheden geven aan voor welke gevaren het zelf beschermd moet worden en op basis daarvan wordt een zo goed mogelijk passende strategie ontwikkeld. Het is daarvoor dus noodzakelijk dat we ons van de gevaren bewust zijn. Het bewust zijn van gevaren noemen we angst.

Strategieën worden dus gevormd op basis van angst, in combinatie met een mix van vrije wil en van talenten (je kiest voor je sterkste kanten als je jezelf wil wapenen tegen gevaren),.

Het programmeerbare, strategische zelf is een noodzakelijk hulpmiddel om te overleven in een materiele wereld. Het essentiële zelf is immers onveranderbaar, en kan dus ook geen keuzes maken om zich te verdedigen.

Strategieën werken alleen als je jezelf eraan houdt. Werkende strategieën die hun nut bewezen lijken te hebben, zijn daarom zeer hardnekkig. Ze vormen een beveiligingsschild rondom het zelf en beschermen dat zelf tegen alles waarvoor het bang is. Het loslaten van zo’n schild zal dus direct meer angst opleveren en zal daarom vermeden worden.

Dat geeft het strategische zelf (ook wel ego genoemd) macht over het essentiële zelf. Hoe succesvoller de gekozen strategieën lijken te zijn, hoe meer ruimte het strategische zelf krijgt om nieuwe strategieën te ontwikkelen of bestaande strategieën te versterken. En die strategieën leveren controle op. Het geeft een persoon controle over zijn leven. En daarmee over zijn essentiële zelf.

Maar omdat het essentiële zelf onveranderbaar is, kan het ego dat essentiële zelf alleen controleren door het te onderdrukken of te verduisteren.

Mensen die zichzelf niet zijn, doen dat vanuit angst. Wat we dan te zien krijgen is het strategische zelf, in plaats van het essentiële zelf. Andere mensen voelen dat vaak goed aan, en zeggen: hij is zichzelf niet. Voor de persoon in kwestie is het meestal niet zo duidelijk. Hoe succesvoller een strategie lijkt te zijn, hoe sterker mensen zich ermee gaan vereenzelvigen. En dan kan het gebeuren dat die mensen gaan denken dat ze hun strategische zelf (hun ego) zijn.

In dat geval is het essentiële zelf volledig verduisterd, en heeft het strategische zelf de macht volledig overgenomen.

Omdat het programeerbare, strategische zelf niet alleen uit vrije autonome keuzes bestaat, maar ook gevoed wordt door (angst voor) omstandigheden, is het ook van buitenaf programmeerbaar. Als een ander het voor elkaar krijgt om angst te genereren, dan zal het strategische zelf daarop reageren. Het is om die reden dat angst voortdurend gebruikt wordt om anderen te beïnvloeden. Het is de enige manier om anderen te programmeren.

Alle pogingen om anderen te programmeren zijn gericht op het strategische zelf, en bestaan uit het enige voedsel voor dat ego: angst. Zonder angst is er geen enkele aanleiding voor het vormen of aanpassen van strategieën. Mensen die anderen proberen te beïnvloeden, doen dat altijd door die anderen te voeden met angst. Er is simpelweg geen andere manier.

Opvoeden is een vorm van programmeren. Vandaar dat opvoeden hoofdzakelijk bestaat uit het gecontroleerd voeden van angst. Het is gebaseerd op de gedachte: input is output. Stop je de juiste angsten in een kind, dan kun je een bepaalde reactie verwachten. Alle boodschappen zijn gericht op het strategische zelf: je moet goede cijfers halen want anders krijg je geen diploma, je moet een diploma halen want anders kun je niet studeren, je moet studeren want anders krijg je geen goede baan, je moet en goede baan hebben want anders krijg je maar weinig geld of aanzien etc.

Ook alle reclame- en propagandaboodschappen waarmee we voortdurend geconfronteerd worden, zijn gericht op het ego. Het programmeerbare, strategische zelf/ego wordt vanaf onze eerste dag gevoed, en zelfs vetgemest. En hoe vetter dat strategische zelf wordt, hoe meer het essentiële zelf weggedrukt of verduisterd wordt (en hoe gemakkelijker een persoon programmeerbaar wordt). Het strategische zelf, dat in eerste instantie bedoeld was ter bescherming van het essentiële zelf, heeft dat essentiële zelf buitenspel gezet. Het is van een handig hulpmiddel, een dienaar, verworden tot een dictator. Maar het essentiële zelf is er nog wel. Het is onveranderbaar en dus ook onuitwisbaar.

En bij veel mensen komt er dan ook een moment waarop er een conflict ontstaat tussen die twee ‘zelven’. En zo’n conflict noemen we een psychisch probleem. Het is het probleem dat zich voordoet bij degene wiens strategie het is om altijd grappig en vrolijk te zijn maar zich steeds depressiever voelt, het is het probleem van degene die zich altijd sterk en stoer voordoet maar steeds onzekerder wordt, het is het probleem van degene die zich altijd begripvol en verzorgend opstelt maar steeds meer last krijgt van sadistische of gewelddadige gedachten. Enzovoort. Ieder psychisch probleem is het gevolg van een conflict tussen het strategische zelf en het essentiële zelf. En de oorzaak ligt altijd in het strategische zelf dat een richting gekozen heeft die onverenigbaar is met het essentiële zelf. Het essentiële zelf is immers onveranderbaar en dus kan het ook niet goed of slecht zijn. Het is zoals het is.

Omdat het essentiële zelf geen strategieën kent, wordt het oplossen van problemen altijd overgelaten aan het strategische zelf. Maar het strategische zelf is nou juist de veroorzaker van het probleem. Daarom kunnen mensen soms te maken krijgen met zeer hardnekkige psychische problemen. Je kunt het oplossen van een probleem niet overlaten aan de veroorzaker ervan. En verder heb je geen middelen om het aan te pakken.

Dan heb je dus een ander nodig. Een therapeut of zo, of een goede vriend om met te praten. Maar ook therapeuten en goede vrienden zijn gewend om problemen aan te pakken door er controle over te krijgen. Terwijl een overmaat aan controle nou juist de veroorzaker was van het probleem: overmatige controle van het strategische zelf/ego over het essentiële zelf, waardoor het essentiële zelf geen adem meer krijgt.

De enige echte oplossing is dan: het verminderen van de macht van het strategische zelf/ego, waardoor het essentiële zelf weer ruimte krijgt. Maar dat is eng. En het ego zal dus onmiddellijk proberen in te grijpen. De enige echte oplossing is dan het ego minder macht te geven door het los(ser) te laten.

In onze cultuur en in deze tijd heeft het strategische zelf/ego een buitenproportioneel grote rol toebedeeld gekregen. En omdat het ego van buitenaf beïnvloedbaar/programmeerbaar is, worden we voortdurend bestookt met allerlei angsten die tot doel hebben ons een bepaalde richting in te sturen.

Daarmee speelt het ego niet alleen een buitenproportioneel grote rol op individueel niveau, maar ook op collectief niveau. Het collectief (de mensheid) is niets meer dan een verzameling individuen, en is daarmee een afspiegeling van die individuen. Je ziet dan ook dat de samenleving op een vergelijkbare manier ingericht is en bestuurd wordt als het gemiddelde individu.

Ook collectieve angsten worden gepareerd met strategieën. Strategieën die controle moeten opleveren over alle bedreigingen. En je ziet dan ook dat er een collectief ego bestaat dat op vergelijkbare wijze als bij het individuele ego, steeds meer macht naar zich toetrekt. Dat collectieve ego kennen we als regeringen en bestuur.

Net als het individuele ego, is het collectieve ego (bestuur, regering) aangesteld om ons te beschermen tegen bedreigingen. Als een dienaar om ons te verdedigen. Maar net zoals bij het individuele ego, heeft het collectieve ego zich omgevormd van dienaar tot dictator. En ook hier ontstaat een probleem. Door de toenemende macht van dat collectieve ego, kunnen we steeds minder zijn wat we in essentie zijn. We worden voortdurend tot van alles gedwongen, of verhinderd om onszelf te zijn. We zijn onvrij.

En net zoals bij individueel ego, is het enige wapen waarover het collectieve ego beschikt ter bestrijding van een probleem: meer controle. En zo wordt het probleem van onvrijheid, dat veroorzaakt is door het collectieve ego (regering) door datzelfde ego alleen maar versterkt in plaats van opgelost: we worden steeds meer onvrij.

En daarmee hebben we niet meer de vrijheid om te zijn wat we in essentie zijn. En die essentie is onveranderbaar, dus daarin hebben we geen keuze. En daarmee is vrijheid dus iets dat pas bestaat als je niet gedwongen wordt om te kiezen.

De enige mogelijkheid om het essentiële zelf weer de ruimte te geven, is het loslaten van het ego, zowel op individueel als op collectief niveau. We hoeven het ego (zowel het individuele als het collectieve) niet weg te gooien of buitenspel te zetten, sterker nog: we hebben het nodig om te overleven. We kunnen het ook niet bestrijden; het ego is immers een meester in strategie en daarvan verliezen we het altijd. We kunnen het alleen minder serieus nemen. Er minder waarde aan hechten. Losser laten. Het weer de rol geven van dienaar, in plaats van dictator.

Keuzes komen voort uit strategieën, en de vrije wil bepaalt welke strategische keuzes er gemaakt worden. Ook op collectief niveau werkt het zo: (vrije) verkiezingen bepalen welke strategieën collectief gevolgd worden. Maar door te kiezen (voor welke strategie dan ook) geven we macht aan het collectieve ego (regering). De vrije wil is daarmee een gereedschap van het ego, en het ego beperkt de vrijheid om ons essentiële zelf te zijn.

Echte vrijheid staat daarmee haaks op vrije wil. Echte vrijheid laat ons zijn wat we zijn, en daarover hebben we niks te kiezen. Dat zijn we gewoon.












dinsdag 6 juli 2010

Rijkdom


De meeste mensen denken dat rijkdom gaat over geld. Maar dat is natuurlijk niet zo.


Rijkdom gaat over arbeid. Geld is niets meer dan een tegoedbon voor arbeid. Je verkrijgt die tegoedbon door zelf arbeid te leveren, en je kunt er arbeid van anderen mee kopen. Geld dat je bezit, vertegenwoordigt dus arbeid die je in het verleden geleverd hebt, en daarmee heb je arbeid die in de toekomst geleverd gaat worden tegoed. Maar zo word je natuurlijk niet rijk.

Alle prijzen van alle producten en diensten die je kunt kopen, bestaan uit arbeid (plus winst, maar daarover verderop meer). Grondstoffen zijn immers gratis en door de natuur geschonken. Pas wanneer er arbeid aan wordt toegevoegd, door ze bijvoorbeeld op te graven, krijgen ze een geldwaarde. En dat is logisch want geld vertegenwoordigt arbeid. Voor iedere euro of dollar die in omloop is, heeft iemand gewerkt.

Meer dan 90% van alle rijkdom op de wereld is in het bezit van 1% van de wereldbevolking. Dat houdt dus in dat er voor de overgebleven 99% van die wereldbevolking maar 10% overblijft om te verdelen. Daarom leven de meeste wereldburgers in armoede. Toch is alle rijkdom (arbeid dus) geleverd door die 99%. En dat houdt dus in dat de gemiddelde wereldburger zo’n 10 uur arbeid moet leveren om er één uur arbeid voor terug te kunnen kopen. De rest (negen uur) komt ten goede aan die één procent van de wereldbevolking. En die één procent noem ik hier voor het gemak: de elite.

De rijkdom van die elite bestaat ook uit arbeid. Arbeid uit het verleden: hun paleizen, limousines en jachten waarvan ze kunnen genieten als ze daar zin in hebben. Maar die rijkdom bestaat ook uit arbeid die in de toekomst geleverd gaat worden. In de vorm van een tegoedbon voor arbeid: geld.

De rijkdom van de elite bestaat dus ook uit arbeid. Alleen niet hun arbeid. Het verschil tussen de elite en de rest van de wereld, is dat de elite niet voor haar rijkdom werkt of gewerkt heeft. Die rijkdom bestaat namelijk uit arbeid die anderen geleverd hebben of nog gaan leveren. Omdat een dag maar 24 uur heeft, is het onmogelijk om 90.000 (negentigduizend) procent meer arbeid te leveren dan gemiddeld. De rijkdom van de elite kan dus alleen maar bestaan uit arbeid van anderen.

Om jezelf de arbeid van anderen toe te eigenen, bestaan er verschillende methoden. De eerste methode is ouderwetse slavernij. Je vangt wat negertjes in Afrika, en die laat je werken. En de vruchten van hun arbeid zijn voor jou, en niet voor de negertjes.

Maar de moderne manier om arbeid te stelen, bestaat uit drie componenten: rente, belasting en winst. En dat lijken drie verschillende dingen, maar ze zijn het niet. Het is allemaal rijkdom die bestaat uit gratis arbeid. Dat wil zeggen: gratis voor de elite, niet voor degenen die de rijkdom gegenereerd hebben door ervoor te werken (de rest van de wereld). En voor gratis arbeid bestaat een ander woord: slavernij. Deze keer in een modern jasje.

Rijkdom kan dus alleen maar bestaan uit slavernij.

Mensen komen niet zomaar uit zichzelf de vruchten van hun arbeid aan de voeten van de elite brengen. Daarvoor moet die elite dus een systeem bedenken. Eén van die systemen is rente.

De elite bezit zelf de banken, en kan dus geld maken uit het niets. Toch drukken niet zomaar geld en stoppen ze dat in hun eigen portemonnee. Nee, dat zou geen zin hebben, want dan vertegenwoordigt dat geld geen arbeid, en dan is het waardeloos.

Wat ze doen is het volgende: ze maken het geld uit niets (zonder er zelf arbeid aan toe te voegen: ze veranderen een getalletje in en computer of geven anderen de opdracht bankbiljetten te drukken), en lenen dat vervolgens uit. Tegen rente. Bijvoorbeeld aan jou.

Jij leent dat geld om een huis te laten bouwen. Je huurt een aannemer in, die levert de arbeid, en jij geeft het geld dat je van de bank leende aan die aannemer. Vervolgens ga jij in dertig de lening en de rente terug te betalen aan de bank. In die dertig jaar betaal je (gemiddeld) drie keer zoveel terug als je geleend hebt vanwege de rente. Als die rente jou 50% van je inkomen kost, dan moet je daar dus 15 jaar voor werken. Nu heeft dat geld waarde gekregen omdat jij daarvoor 15 jaar arbeid geleverd hebt. Terwijl de bank er niets voor deed. Al het geld dat jij de bankier betaalt, is pure rijkdom voor die bankier. Hij kan er nu iedere vorm van arbeid (een villa, een jacht, bedienden etc.) voor kopen die hij maar wil. Zonder dat hij er iets voor gedaan heeft. Jij hebt, door te werken, zijn rijkdom geleverd. Je bent 15 jaar slaaf geweest.

Maar jij bent niet de enige die geld nodig heeft. Dat heeft de overheid ook. Dus leent die overheid dat van de bankiers. Die bankiers maken dat geld vervolgens uit het niets en lenen het uit. Maar dat doen ze alleen uit als er een onderpand tegenover staat. En dat onderpand bestaat uit het enige bezit waarover de overheid beschikking heeft: jij en ik, de burgers van het land. Wij zijn het onderpand. Het geleende geld moet worden terugbetaald met rente. Alleen betaalt die overheid dat niet zelf, maar dat doe jij. In de vorm van belastingen. En daarvoor je moet dus weer arbeid leveren. Als je gemiddeld 50% van je inkomen aan belastingen betaalt, ben je 6 maanden per jaar slaaf. En via het omweggetje dat overheid heet, komt de rijkdom dus weer bij de bankier. Dat is de reden waarom overheden nooit rijkdom bezitten (er is altijd tekort) en de bankiers van de wereld bijna alle rijkdom bezitten.

Iedereen denkt te weten dat bedrijven winst moeten maken. Maar waarom? Als iedere medewerker, inclusief de directeur, zijn salaris (arbeidskosten) ontvangt, waarom moet er dan nog geld overblijven? Winst wordt betaald door consumenten, en die consumenten betalen dat met het geld dat ze met hun arbeid verdiend hebben. Het zijn de werknemers (die tevens de consumenten zijn) die de winst betalen. En die winst wordt op een keer uitgegeven: er wordt nieuwe arbeid voor gekocht (bijvoorbeeld een privé-vliegtuig voor de grootaandeelhouder). Iedere keer als er een product of dienst met winst wordt verkocht, komt die winst ten goede van iemand die er geen arbeid voor geleverd heeft, maar er wel arbeid voor kan terugkopen. Winst is, net als rente en belasting, geld waar geen arbeid tegenover staat, maar waarvoor wel toekomstige arbeid geleverd gaat worden. Het is dan ook niet vreemd dat de sleutelposities bij zowel de banken als bij de machtige corporaties allemaal worden ingenomen door die ene procent die geen arbeid levert, maar wel de vruchten plukt van de arbeid van anderen: de elite.

Winst bestaat, net als belasting en rente, uit gratis arbeid. Arbeid die geleverd wordt zonder dat degene die de arbeid levert er iets voor in ruil krijgt. Arbeid van velen die ten goede komt aan enkelen. En dat leidt tot rijkdom van die enkelen. Rijkdom bestaat uit diefstal van arbeid en dus uit slavernij, en iedereen weet dat slavernij crimineel is. Dat maakt de allerrijksten tot de grootste criminelen ter wereld. Misschien moeten we daar nog eens aan denken als we weer vol bewondering naar de villa’s, jachten, Ferrari’s en privat-jets van de ‘succesvollen’ staren, maar vooral ook wanneer deze types door onze overheid en haar media geportretteerd worden als de drijvende krachten achter de ‘economie’. Die voor ‘werkgelegenheid’ zorgen. Het ontmaskert die overheid als collaborateurs aan deze misdaad.

Het zijn juist deze rijken die ongelimiteerd parasiteren op de arbeid van anderen, en die daarmee de veroorzakers zijn van permanente en groeiende schaarste. Simpelweg omdat (gemiddeld) 90% van alle arbeid ten goede komt aan 1% van de wereldbevolking: de elite. En dat is een scheefgroei die alsmaar schever groeit: de rijken worden steeds rijker en de armen steeds armer.

Zowel hun rijkdom als onze armoede worden gegenereerd door onze arbeid. En zo werken wij zelf aan onze eigen slavernij.

vrijdag 11 juni 2010

Liefde


Ik doe het eigenlijk nooit, maar ik doe het nou toch. Ik ga het eens over mijzelf hebben. Niet dat ik nou mijn ego wil opvijzelen, of mezelf op de borst wil rammen of zo. In tegendeel. Ik wil het hebben over mijn tekortkoming. Ik heb namelijk een handicap. Een handicap die ik mijn leven lang al bij me draag.

Ik moet het dan maar eerlijk toegeven: ik kan niets begrijpen. Niks dringt zomaar tot me door. Net zoals iemand die verlamd is niet zomaar kan lopen, kan ik niets zomaar begrijpen. En zoals de verlamde een rolstoel nodig heeft om zich te verplaatsen, zo heb ik een hulpmiddel nodig om iets te kunnen bevatten.

Een hulpmiddel dat, net zoals een hoorapparaat, een rolstoel of een stoma, nogal technisch van aard is. Mijn substituut voor intuïtief begrip is logica. Aardse logica. Zonder de ratio ben ik net zo hopeloos verloren als een blinde zonder geleidehond, of als een kreupele zonder stok. Het is een voor mij onmisbaar hulpmiddel om door het leven te kunnen laveren en er iets van te snappen.

Waar anderen onmiddellijk begrijpen wat er wordt bedoeld al er gesproken wordt over liefde, het volgen van het spreekwoordelijke hart, over het goed en het kwaad, daar verblijf ik in verwondering en onbegrip. Het is mij totaal abstract. Pas als ik rationele verbanden kan leggen, als ik het kan relateren aan andere zaken, begint er leven in te komen en krijgen de begrippen iets van herkenning. Pas dan wordt een gevoel hanteerbaar. Pas dan kan ik er iets mee.

Neem nou het begrip liefde. Liefde is iets dat veel mensen intuïtief begrijpen. Maar voor mij is het een mysterie. Wat is liefde?

Het woord liefde heeft voor mij al helemaal geen lading meer. Het is zo vaak misbruikt dat het zodanig geërodeerd is dat het me niets meer zegt. Ik las recentelijk dat het woord ‘love’ op een popzender gemiddeld 12.000 keer per dag voorbijkomt (hoewel in popsongs met ‘love’ meestal seks bedoeld wordt: “baby, I will love you all night long”, en daar is niks mis mee maar het is iets anders). Het woord liefde is simpelweg versleten.

Maar ik voel wel aan dat het begrip liefde van groot belang is. Dus ga ik dat eens proberen te ontleden. Wat IS liefde nou eigenlijk?

Als je van iemand houdt, dan voel je jezelf met die persoon verbonden, en dat is een prettige ervaring. En van prettige ervaringen wil je meer. Liefde is dus besef van verbondenheid. En de wil om die verbondenheid te ervaren. De ervaring van die verbondenheid leidt tot waardering ervan. En die waardering leidt vervolgens tot de wil om meer verbondenheid te ervaren. Liefde heeft dus de neiging om vanuit zichzelf te groeien.

Het enige dat die groei kan tegenhouden is het ontbreken van bewustzijn van verbondenheid, of het blokkeren ervan. Zonder besef van verbondenheid is er dus geen liefde.

Het ontbreken van dat besef van verbondenheid is verdeeldheid. Verdeeldheid maakt liefde dus onmogelijk. Iedereen die een stukgelopen relatie te verwerken heeft gehad, weet dat verdeeldheid, of een uiteenlopend gevoel van ‘belang’ ten grondslag ligt aan de breuk. Maar verdeeldheid kan ook vooraf al liefde blokkeren. Een PVV aanhanger zal bijvoorbeeld moeite hebben met het ervaren van verbondenheid met Moslims, en al helemaal met het waarderen ervan. Een fanatieke PVV’er zal niet zo snel liefde voelen voor een Moslim. Eerder haat.

Haat is de tegenpool van liefde. Haat bestaat uit verdeeldheid met de daaruit voortkomende emoties, en liefde bestaat uit verbondenheid met de bijbehorende emoties.

Verbondenheid is dus de sleutel voor het tot stand komen van liefde. En het ervaren van die verbondenheid leidt tot het gevoel van liefde. En de waardering van dat gevoel leidt dan weer tot de wil om die verbondenheid uit te breiden.

Verbondenheid is mogelijk met een partner, maar ook met vrienden, kennissen, collega’s, landgenoten, alle mensen etc. Waar je de denkbeeldige grens legt, ligt de grens van de mogelijkheid tot liefde. Besef van verbondenheid met iedereen, zonder grens, opent dus de weg naar grenzeloze liefde. Liefde wordt alleen beperkt door het aanbrengen van verdeling en grenzen.

Niet alleen binnen de mensheid bestaat er verbondenheid. Alles is met elkaar verbonden. Zelfs de soms kille, rationele wetenschap heeft dit al lang geleden aangetoond. Denk aan de alom geaccepteerde relativiteitstheorie van Einstein, die aantoont dat alles betrekking heeft op alles. Dat alles in relatie staat tot elkaar. Dat wil zeggen: alles dat leeft, maar ook dode materie en energie. Alles dat bestaat is aan elkaar verbonden. Alles kan alleen maar bestaan in verbondenheid.

Je zou kunnen zeggen dat alles de wil heeft om die verbondenheid aan te gaan. En dan bedoel ik ‘wil’ in een ruime betekenis. Wil, zoals in de rivier die naar het laagste punt wil stromen. Alles heeft de wil om te zijn wat het is. Om te existeren. En om te kunnen existeren, is verbondenheid een voorwaarde. Alles staat immers in relatie tot elkaar. Existeren IS dus verbondenheid. Existeren IS daarmee dus liefde. Anders gezegd: alles is verbondenheid dus alles is liefde.

Materie is niets meer dan atomen die met elkaar verbonden zijn. Die tot elkaar worden aangetrokken. Pas dan krijgt die materie haar kracht. Als de aantrekkingskracht zou verdwijnen dan zou de materie uiteenvallen, en haar kracht kwijt zijn.

Verbondenheid is aantrekking en dus kracht: aantrekkingskracht. De wil om verbondenheid te ervaren en te waarderen leidt tot energie. Net zoals de wil van de rivier om naar het laagste punt te stromen tot energie leidt. Energie die wij mensen voor onszelf kunnen aanwenden door de wil van de rivier te manipuleren. Door er bijvoorbeeld een stuwdam in te bouwen en de energie van de rivier in ons voordeel te gebruiken. Zo is in principe iedere energie om te buigen. Dus ook de energie van de liefde.

De enige manier om de energie van verbondenheid om te buigen is door het aanbrengen van grenzen. Daardoor verdwijnt het besef en daarmee de aantrekkingskracht van verbondenheid. En dat ondermijnt de kracht van de mensheid als geheel. Het werkt als een zaag door een boomstam die de verbondenheid van de boom met zijn wortels, en daarmee de aarde verbreekt. De energie van de boom die de boom gebruikte om boom te zijn, komt nu ten goede aan degene die hem omzaagt (hij kan er brandhout van maken, of een tafel of zo).

Op vergelijkbare manier snijdt verdeling de verbondenheid tussen mensen door, en de energie die eerst ten goede kwam aan die mensheid als geheel, komt nu ten goede aan degene die de verdeling aanbrengt. Die energie verdwijnt dus niet maar wordt gemanipuleerd en gekanaliseerd om ervan te profiteren. Verdeel en heers.

Het is daarom niet vreemd dat heersers altijd proberen haat te genereren. Haat en verdeling zijn noodzakelijk om te kunnen heersen over, en te profiteren van de gekanaliseerde kracht van de mensheid. Wil een heerser bijvoorbeeld geld of macht afnemen van anderen, dan doet hij dat niet zelf, maar dan laat hij de bevolking ten strijde trekken. Hij maakt dan gebruik van de kracht van die bevolking. En die bevolking is daar alleen voor te porren als ze haat voelt voor de, door de heerser benoemde, tegenpartij. Geen enkel volk valt een ander volk aan als er sprake is van onderlinge verbondenheid en liefde tussen die volkeren. Haat is verdeling, en zonder verdeling is er verbondenheid. En dan valt er niks te heersen. Heersen is verdeling en haat zaaien.

Haat en verdeling bestaan alleen vanwege denkbeeldige grenzen: van de ene groep kun je wel houden, van de andere niet. Het zijn kunstmatig aangebrachte, illusoire grenzen. Nou kunnen illusies hardnekkig zijn, maar het mooie is dat je ze zelf los kunt laten. Het is niets meer dan een keuze. Een vrije keuze.

Liefde voor elkaar is dus de kracht van de mensheid, en liefde voor alles dat er bestaat is het bestaansrecht voor alles dat er bestaat, en dus ook voor ons. Het enige dat ervoor nodig is, is het besef dat alles verbonden is, en dat verdeeldheid een illusie is. Een illusie die in het leven geroepen is om op onze energie te parasiteren. Wat wordt onze keuze?

dinsdag 18 mei 2010

Zorgen


Soms zegt de taal iets over de heersende mentaliteit in een land. Gezien de ontwikkelingen in dit land zou het me niet verbazen als het woord ‘zorgen’ daarvan een schrijnend voorbeeld is. Het woord heeft een negatieve lading. We ‘maken ons zorgen’. En als onze ouders bejaard en hulpbehoevend zijn dan is dat ‘een hele zorg’, zoals we hoofdschuddend tegen onze collega’s en kennissen zullen zeggen.

Geen wonder dat we de zorg voor anderen dan ook het liefst zover mogelijk uit onze buurt houden, en zoveel mogelijk overlaten aan instanties. Wijzelf hebben het uiteraard te druk met onze baan, het brengen en halen van de kinderen, het doen van de boodschappen, en niet te vergeten, als we aansluitend op de bank ploffen, het kijken naar de televisie.

Als iemand in onze omgeving hulp behoeft, beperken we ons tot het maken van zorgen, maar het zorgen zelf laten we uiteraard over aan het volledig geïnstitutionaliseerde systeem. Of dat systeem ook werkelijk zorg oplevert, is minder boeiend, getuige de enorme misstanden binnen dit systeem. We hebben er immers voor betaald, en dat moet maar voldoende zijn.

Betalen dus. Geld. Anderen zorgen, zonder dat wij de zorgen hebben. Als het goed zou zijn. Maar dat is het niet. Het is juist dat geld dat ervoor zorgt dat de zorg geen zorg meer biedt.

Zoals altijd heeft geld een averechts effect op alles dat menselijk is. Het lokt grote groepen aasgieren die, als vliegen op stront, afkomen op het bijeengebrachte geld. Voor wie dat geld misschien niet de enige, maar toch wel de belangrijkste drijfveer is om zich met de behoefte aan verzorging te bemoeien. Die behoefte levert eerst en vooral een mogelijkheid op tot het maken van winst. En, zoals dat altijd gaat met winst, moet die winst worden gemaximaliseerd. Dat is de eerste prioriteit, en daarvoor moet alles wijken. Zoals het verlenen van de zorg zelf.

Geen enkel middel zal ongebruikt blijven om het financieel voordeel zover mogelijk uit te melken. En zoals altijd gebeurt dat op twee manieren: door het opschroeven van de inkomsten, en door het terugschroeven van de geleverde kwaliteit. Oftewel: minder doen voor meer geld.

Het is dan ook geen wonder dat de ‘privatisering’ van de zorgmarkt precies dat heeft opgeleverd. Een vele malen hogere premie en het spectaculair afnemen van de aandacht voor patiënten en ouderen. Oftewel een volledige verschraling van de geleverde kwaliteit. Kwaliteit kost nou eenmaal geld, en uitgegeven geld is geen winst. Het belang van een verzekeraar is: het leveren van zo weinig mogelijk kwaliteit, tegen een zo hoog mogelijke premie.

En dat is natuurlijk precies tegenovergesteld aan het belang van de verzekerden. Verzekerden die in twee groepen te verdelen zijn: zij die gezond zijn en steeds meer premie moeten betalen, en zij die zorg nodig hebben en die zorg in steeds mindere mate krijgen. De eerste groep klaagt over te hoge premie, en de tweede groep klaagt over te weinig aandacht. Allebei terecht.

Zoals altijd zijn het degenen die de beslissingen nemen die het best voor zichzelf zorgen. Bovenaan in deze hiërarchische piramide bevindt zich de overheid. Die overheid heeft de zorgmarkt ‘geprivatiseerd’. Tenminste, dat wordt beweerd. In werkelijkheid heeft die overheid een kartel gevormd met de zorgverzekeraars. Door middel van wetgeving schept de overheid de mogelijkheid voor deze verzekeraars om in principe ongelimiteerde winsten te behalen uit de behoefte aan zorg, zonder die zorg ook verhoudingsgewijs te bieden. Winsten die dan weer nieuwe lagen van beslissingnemers in het leven roepen in de vorm van managementlagen en allerlei goed betaalde controlerende instanties en commissies. Zo gaat de bijeengebrachte winst in kringetjes rond, maar komt niet terecht bij degenen die de werkelijke zorg (op de werkvoer) verlenen, en al helemaal niet bij degenen die zorg nodig hebben. Uiteraard alles bijeengebracht door de premiebetalers.

En om de premies steeds te kunnen verhogen, en verzorgend personeel nog verder te kunnen wegbezuinigen, wordt steeds het magische woord gebruikt: vergrijzing. Door die vergrijzing zou de zorg ‘onbetaalbaar’ worden.

Tussen 1990 en nu stegen de premies met vele honderden procenten. In 1990 bestond de bevolking voor 61,6% uit mensen tussen 20 en 65 jaar. In 2008 was dat 61,3%. Een minimale daling dus. Het aantal ouderen boven de 65 jaar is in die periode gegroeid van 12,8 naar 14,7%. Ook niet spectaculair. De arbeidsparticipatie (het percentage van de bevolking dat werkt, en dus premie betaalt) is in die periode gestegen van ongeveer 55% naar 65%. Deze getallen rechtvaardigen dus op geen enkele wijze het argument van onbetaalbaarheid door vergrijzing. Het is een simpele leugen.

In 2000 betaalde ik voor twee personen 60 gulden per maand aan premie. Dat is zo’n 28 euro. En dus 14 euro per persoon. Daarvoor was alles verzekerd, dus ook de tandarts, de fysiotherapeut en eventueel psychologische hulp (zonder eigen risico). Allemaal zaken waarvoor nu extra betaald moet worden, als het überhaupt verzekerbaar is.

Nu betaalt de gemiddelde verzekerde 115 euro per maand per (volwassen) persoon. Dat is een stijging van zo’n 410%. En vergeet niet dat ieders werkgever daar nog eens 7,05% van het bruto inkomen (tot een inkomen van € 33.189) bijlegt. Bij een modaal inkomen (32.500 euro per jaar) is dat 2291,00 euro per jaar, en dus zo’n 190 euro per maand. Een bedrag dat anders gewoon bij het inkomen zou horen. En vergeet ook niet dat iedereen over dat bedrag ook nog eens inkomstenbelasting mag betalen. Het wordt gewoon bij het (belastbaar) inkomen opgeteld. Geen wonder dat de overheid dit kartel zo graag aanging.

Noch de kosten (gezien de demografische ontwikkelingen) noch de ontvangen premies rechtvaardigen het argument van onbetaalbaarheid.

Waardoor zou die zorg dan wel ‘onbetaalbaar’ geworden zijn? Door de extreem gestegen lonen van de mensen aan het bed? Door de veel hogere kwaliteit van de geleverde zorg? Iedereen die zelf werkzaam is op de werkvloer in de zorg weet dat dit absoluut niet het geval is. Nee, het argument van onbetaalbaarheid wordt uitsluitend gehanteerd ter maximalisatie van winst. Over de ruggen van de premiebetalers, maar erger nog, over de ruggen van mensen die zorg echt nodig hebben. Ouderen in verpleeghuizen die nauwelijks meer aandacht krijgen, die in hun eigen uitwerpselen uren moeten wachten op verzorging. Omdat een extra verpleegkundige natuurlijk een negatief effect heeft op de winst.

Zorg gaat niet meer over zorg. Zorg zal de verzekeraars (en de overheid) een zorg zijn. Zorg gaat over winst. En zoals altijd, leidt winst tot ontmenselijking. En dat is werkelijk iets om ons zorgen over te maken.



maandag 10 mei 2010

De Griekse crisis



De problemen met de euro zijn niet ontstaan door een gebrek aan geld maar door teveel aan schuld.

We kunnen gemakkelijk de schuld van die schuld bij landen als Griekenland neerleggen, maar daarmee steken we onze kop in het zand.

In het huidige criminele monetaire systeem is schuld niet te vermijden. Het ontstaan van schuld is inherent aan dit systeem. Er ontstaat in dit systeem altijd ergens schuld. Het maakt de bankiers niets uit waar die schuld ontstaat, omdat het collectief er uiteindelijk altijd voor moet opdraaien, zoals nu weer duidelijk wordt met de ‘redding’ van Griekenland.

En met het collectief bedoel ik: jij en ik; de burgers van deze wereld.


Geld is op zich een prima uitvinding. Het maakt de talenten en inspanningen van mensen uitwisselbaar.

Een ander woord voor talenten en inspanningen is arbeid. Het is uitsluitend onze arbeid die zaken geldelijke waarde geeft. Grondstoffen zijn immers gratis, en krijgen pas geldwaarde als er arbeid aan toegevoegd wordt.

Geld heeft (in een eerlijke situatie) op zichzelf dus geen waarde. Geld zou er moeten zijn om het ruilen van echte waarde (arbeid), te faciliteren.

Iedere keer als iemand arbeid verricht, ontstaat er nieuwe waarde. Een huis, een auto, een brood, een dienst; er ontstaat iets dat er eerst niet was. En in ruil voor het toevoegen van dat stukje nieuwe waarde, ontvangt degene die de inspanning geleverd heeft geld, zodat hij er een vergelijkbare inspanning van een ander voor kan terugkrijgen.

Iedere nieuw stukje arbeid levert dus economische groei op. Die arbeid voegt waarde toe aan het collectief van waardes, gevormd door de arbeid van iedereen.

Om die arbeid te KUNNEN vergoeden met geld, moet dat geld er wel ZIJN. Het moet gefaciliteerd worden. Dat wil zeggen, het moet gemaakt worden. Voor iedere nieuwe inspanning, moet er een beetje nieuw geld beschikbaar komen.

In het huidige systeem hebben overheden dat faciliteren toevertrouwd aan particuliere centrale banken. Deze banken hebben het monopolie op het maken van nieuw geld. Maar die banken faciliteren dat geld niet gewoon, maar ze maken het uit het niets, en LENEN het vervolgens uit. En dat geld moet worden terugbetaald met rente! Zonder dat die centrale banken daar enige toegevoegde waarde (= arbeid) tegenover zetten!

Dat houdt in dat met iedere inspanning, met ieder stukje arbeid, er nieuw geld in omloop komt, maar ook nieuwe SCHULD aan het collectief wordt toegevoegd. Vermeerderd met rente!

Economische groei houdt daarmee in: groei van schuld. En die schuld moet, vermeerderd met rente, door het collectief worden terugbetaald. Dus door iedereen die arbeid levert, omdat arbeid de enige manier is om het benodigde geld te verdienen om te kunnen terugbetalen.

Omdat AL het met arbeid verdiende geld op deze manier uit schuld bestaat, moet er dus minimaal twee keer voor gewerkt worden: eerst om het te verdienen, en vervolgens om het door de banken gefaciliteerde geld (waarmee die arbeid betaald is) terug te betalen aan die banken. En eigenlijk dus meer dan twee keer, want de rente komt er nog bij.

Daarmee wordt het dus onmogelijk om geld te verdienen zonder dat er ergens schuld ontstaat. Ook al ben jij (of ik, of wie dan ook) zo slim dat we geen persoonlijke schuld opbouwen: zodra wij iets verdienen (ook al geven we het verdiende geld niet uit, ook al zetten we het op de bank) ontstaat er schuld in het collectief. Een schuld die in totaliteit inmiddels vele malen groter is dan de totale hoeveelheid geld die er op de wereld BESTAAT. Schuld die altijd door iemand moet worden terugbetaald.

Het is dus onzinnig om de problemen in de schoenen van de Grieken te schuiven, of van wie dan ook. Het is het systeem dat hiervoor verantwoordelijk is. Een tot op het bot crimineel systeem dat met behulp van wetten (en dus overheden) in stand gehouden wordt, en dat uiteindelijk tot niets anders kan leiden dan totale onderwerping van iedereen aan die banken. Een systeem dat bovendien onze overheden en regeringen ontmaskert als collaborateurs aan deze misdaad.

Dit systeem zorgt ervoor dat letterlijk ALLES van waarde, dus ALLES waarvoor ooit arbeid geleverd is, en waarvoor in de toekomst arbeid geleverd gaat worden, uiteindelijk eigendom van de banken wordt.

En die banken hebben deze crisis geïnitieerd om zichzelf de mogelijkheid te verschaffen om al deze kunstmatig opgebouwde en uitstaande schuld nu te materialiseren. Dat wil zeggen: al het onderpand op te eisen. En dat onderpand bestaat uit alles van waarde dat ooit gemaakt is, en alles van waarde dat in de toekomst gemaakt zal worden. Uit onze arbeid. Uit jou en mij. WIJ zijn tenslotte de enigen die werkelijke waarde creëren door onze arbeid. Arbeid die niet meer aan onszelf ten goede komt, maar aan de bankiers. Arbeid die geen arbeid meer zal zijn, maar slavernij.

Ik zou dus mensen willen oproepen juist een voorbeeld te nemen aan de Grieken, en te weigeren zich te conformeren aan deze criminelen. Ga staken! Weiger de belastingen te betalen die rechtstreeks naar de zakken van deze misdadige bankiers vloeien! Weiger nog langer mee te werken.

Door onze medewerking zijn wij zelf de grootste collaborateurs aan het leegzuigen van de mensheid. En niet alleen van andere landen, maar ook van onszelf.

vrijdag 9 april 2010

'Complottheorie'


Mensen die op onderzoek uit gaan naar de werkelijke inrichting van de wereld van geld en macht, wordt vaak verweten bezig te zijn met ‘complottheorieën’. Maar is dat wel zo?

Wat is een theorie?

Van Dale:

The-o-rie: 0.2 systeem van denkbeelden of hypothesen ter verklaring van iets ~ 0.3 opvatting in het abstracte, die geen rekening houdt met de praktijk

In deze definitie staat zowel het doel van een theorie, als de manier waarop dat doel bereikt wordt. Het doel is het verklaren van iets, en dat doel wordt bereikt door middel van abstractie, niet rekening houdend met de praktijk.


Eigenlijk is een theorie daarmee een geloof. Een geloof wil – net als een theorie - iets verklaren zonder rekening te houden met de praktijk.

Als je iets wil verklaren terwijl je wel rekening houdt met de praktijk, dan zul je die praktijk moeten kennen en dus moeten onderzoeken. Door het onderzoeken van de praktijk, kom je dan tot een verklaring.

Als je dus wil weten hoe iets werkt, dan kun je twee dingen doen: je kunt geloven dat je weet hoe het werkt, dan heb je een theorie en dan hou je geen rekening met de praktijk, of je kunt onderzoeken hoe iets werkt, en dan hou je wel rekening met de praktijk.

Een voorbeeld:

Als je wil weten hoe een auto werkt, dan zou je kunnen stellen dat een auto wordt voortbewogen door een geest die erin huist. Deze geest drinkt benzine. Dat is een theorie, en je kunt in deze theorie geloven, of niet. Maar of je er wel of niet in gelooft: het zegt in beide gevallen niets over de praktijk (hoe een auto werkt). Je verklaart iets zonder rekening te houden met de praktijk. Je hebt een theorie.

Als je werkelijk, rekening houdend met de praktijk, wil weten hoe een auto werkt, dan kun je die werking ook onderzoeken. Je kunt hem bijvoorbeeld uit elkaar halen, en van elk onderdeel de functie en werking proberen te begrijpen. En je kunt proberen in te zien welke bijdrage elk onderdeel levert aan het functioneren van het geheel: de auto. Als je dat van elk onderdeel begrijpt, en je weet wat de plaats is van dat onderdeel en waarom, dan begrijp je de werking van de auto.

Nu heb je wel rekening gehouden met de praktijk, en is jouw kennis van die praktijk niet langer een theorie, maar een weten. Je kunt dus zeggen: hoe meer onderzoek, hoe minder theorie.

Ook de mechanismen van macht en geld zijn te onderzoeken. En naarmate dat onderzoek vordert, ontstaat er een steeds completer beeld van de werking hiervan. Door dat onderzoek krijg je niet alleen meer begrip van de werking van de verschillende onderdelen (banken, corporaties, regeringen), maar ook meer begrip van het functioneren van het geheel: de werking van de mondiale machtsstructuur. Je onderzoekt de praktijk, en daarmee leer je die praktijk te begrijpen.


Het is daarom verbazingwekkend dat de mensen die anderen beschuldigen van het hebben van complottheorieën, zelf meestal geen enkel onderzoek hebben gedaan. Het zijn juist deze mensen (mensen die zelf niets onderzocht hebben) die geen andere keuze hebben dan terug te vallen op theorie/geloof. Het zijn juist deze mensen die geloven, in plaats van weten. Het zijn juist deze mensen die de (door de wereld van macht en geld zelf aangeboden) versies van de werking van de wereld geloven. Zonder rekening te houden met de praktijk.

Van Dale:

Com-plot: 0.1 kwaadaardige samenzwering tegen iemand of iets.

Sa-men-zwe-ren: 0.1 zich in het geheim met anderen verbinden om een ander nadeel te berokkenen (en er zelf voordeel bij te hebben - p.s.)

Samenzweren is daarmee het heimelijk ondernemen van iets dat in het belang is van de samenzweerders, ten koste van het belang van anderen. Het is voor het bestaan van een complot dus noodzakelijk dat er een tegengesteld belang bestaat. Als de samenzweerders hetzelfde belang zouden hebben als degenen tegen wie wordt samengezworen, dan zou een complot zinloos zijn. Complotten bestaan alleen omdat er verschillende belangen bestaan.

Het doel van een complot is dus het behartigen van een belang. Een belang dat niet -of minder goed- behartigd zou kunnen worden als dat behartigen openlijk zou gebeuren. Die heimelijkheid is noodzakelijk omdat het belang tegengesteld is aan het belang van anderen. Als dat belang openlijk behartigd zou worden, dan zou dat op weerstand stuiten van de mensen met het tegengestelde belang. Daarom is dat belang beter te behartigen als je het stiekem doet.

Het ontkennen van het bestaan van complotten zou dus inhouden, het ontkennen van het bestaan van verschillende belangen, en het ontkennen van de mogelijkheid dat die belangen soms niet openlijk, maar heimelijk nagestreefd worden. Het zou inhouden dat je gelooft (er een theorie op nahoudt) dat iedereen open en eerlijk is.

Machthebbers hebben een tegengesteld belang ten opzichte van diegenen waarover ze macht willen hebben. Macht is het vermogen om anderen te laten doen wat jij wil. En daarmee kunnen die anderen dus niet meer doen wat ze zelf willen. De macht van de één, bestaat uit de onvrijheid van de anderen. De machthebber is gebaat bij onvrijheid van het volk, het volk is gebaat bij vrijheid. Een tegengesteld belang dus.

Als machthebbers dan weliswaar een ander belang hebben dan het volk, maar desondanks toch altijd eerlijk zouden zijn, dan zouden er geen complotten of samenzweringen bestaan. Voor diegenen die de eerlijkheid van machthebbers gaan onderzoeken, wordt echter al zeer snel duidelijk dat eerlijkheid niet direct het sterkste punt is van machthebbers. En dat is logisch.

Machthebbers hebben macht verworven. Ondanks het feit dat hun verworvenheid ten koste gaat van de bevolking. Het volk bestaat altijd uit een grote meerderheid ten opzichte van de machthebbers. Daarmee is de enige mogelijkheid om de vrijheid van de bevolking af te nemen, dat te doen via list en bedrog. Uit vrije wil komt het volk haar vrijheid namelijk niet inleveren.
Het bestaan van macht (en de daaruit voortvloeiende onvrijheid) is daarmee het bewijs van het bestaan van complotten. Zonder complot (stiekeme belangenbehartiging) komen machthebbers simpelweg niet aan de macht.

Het ontkennen van het bestaan van complotten kan dus alleen op basis van ontkennen van het bestaan van verschillende belangen en het ontkennen van het bestaan van oneerlijkheid. Het ontkennen van het bestaan van complotten houdt geen rekening met de praktijk. Het ontkennen van het bestaan van complotten is daarmee een geloof. Een theorie.

En daarmee zijn degenen die het bestaan van complotten ontkennen, en geen rekening houden met de praktijk, de werkelijke theoretici. Het zijn ‘niet-complottheoretici’.
Degenen die de wereld van macht en geld werkelijk onderzoeken, en die wel rekening houden met de praktijk, zijn daarmee geen theoretici, maar kenners: ‘complotkenners’.

donderdag 1 april 2010

Waarheid, vrijheid


Een tijdje geleden schreef ik een stukje over waarheid. Dat maakte nogal wat los. Uiteindelijk leidde dat tot een discussie over het wel of niet bestaan van de waarheid. Is de waarheid objectief of subjectief?

Nou bestaan er natuurlijk percepties over de waarheid. Ieders beeld van de waarheid is anders. Maar komt dat door subjectiviteit?

Vaak wordt over het begrip waarheid nogal gewichtig gedaan. De waarheid als een soort van heilige graal, waarin je wel of niet kunt geloven. Maar volgens mij is het veel eenvoudiger: de waarheid is niet meer dan een verzamelnaam. Een verzamelnaam voor alles dat niet onwaar is.

Je hoeft dus niet de hele waarheid te kennen om te weten dat de waarheid bestaat.

Een boer die nooit zijn geboortedorp uit geweest is, kan niet zeggen dat hij de wereld kent. Maar dat de wereld bestaat, dat weet hij wel. Hij staat er immers elke dag met zijn klompen bovenop. Hij kent een stukje van de wereld. Zelfs de grootste wereldreiziger zal niet kunnen beweren dat hij de wereld helemaal kent. Maar hij heeft er wel meer kennis van dan iemand die altijd thuis blijft.

Kennis is de sleutel tot waarheid. Tot objectieve waarheid. Subjectieve waarheid bestaat namelijk niet. Daarvoor bestaat een ander woord: geloof.

Om een simpel voorbeeld te geven:

Je hebt zin in een tweedehandsje. Je gaat naar de plaatselijke autoboer. De man in het mooie pak zegt: ‘Een prima karretje meneer/mevrouw!’

Je kunt nu twee dingen doen:

1- Je kunt de man geloven, en hem je geld overhandigen.
2- Je kunt zelf onder de auto kruipen.

Je kiest voor dat laatste: je kruipt eronder en vindt uit dat de bodem van het ding volledig verrot is. Je hebt nu kennis van de waarheid over die auto. Namelijk: hij is verrot. Dat is de waarheid.

De verkoper kan nu zijn meest betrouwbare blik opzetten, en een nog mooier pak aantrekken, maar hij kan je niet meer manipuleren. Jouw kennis van de waarheid maakt je onmanipuleerbaar. De verkoper heeft geen macht meer over jou. Macht die hij wel zou hebben als je hem geloofd had. Hij had dan de macht om je geld af te nemen in ruil voor een waardeloos product.

Als je hem geloofd zou hebben dan zou jouw beeld van de waarheid bestaan uit een aanname. Het zou een subjectieve waarheid zijn. Een waarheid zonder kennis. Geloof. Kennis maakt dat je niet manipuleerbaar bent, geloof maakt dat je juist wel manipuleerbaar bent. En daarmee staan kennis (objectieve waarheid) en geloof (subjectieve waarheid) haaks op elkaar.

Kennis = macht. De waarheid zal je bevrijden. Bevrijden van de manipulatieve kracht van onwaarheid. Kennis van de waarheid maakt je onmanipuleerbaar, en laat je de macht over jezelf behouden.

Nou is de waarheid over een auto natuurlijk maar een heel klein stukje van de hele waarheid. Maar over alles bestaat een waarheid. Ook al kennen we niet al die stukjes, ze bestaan wel, en allemaal samen vormen ze een geheel: de waarheid.

Omdat het voor een mens onmogelijk is om alle stukjes waarheid te kennen (daarvoor is een mens te beperkt), kent iedereen maar een beperkt gedeelte ervan. Om die reden heeft iedereen een ander beeld van de waarheid als geheel. Net zoals iedereen een ander beeld heeft van de wereld. Een ander perspectief. Een incompleet beeld. Maar dat maakt de waarheid niet subjectief.

Een Keniaan heeft een ander beeld van de wereld dan een Zweed. Maar allebei weten ze dat de wereld bestaat. De Zweed kan geloven dat het in Kenia sneeuwt. De Keniaan kan geloven dat in Zweden altijd de zon schijnt. Maar dat geloof staat in geen enkele relatie tot de waarheid. Ze weten het niet zolang ze er geen kennis over hebben. De enige ware bewering die ze dan kunnen doen is: ‘Ik weet het niet’.

Subjectieve waarheid is de verzamelnaam voor zaken die we voor waar aannemen. Aannames die niet zijn gebaseerd op kennis maar op geloof. En geloof staat in geen enkele verhouding tot de waarheid. Als ik iets geloof, kan het net zo goed onwaar zijn. Als ik iets niet geloof, kan het net zo goed waar zijn. Geloof staat in geen enkele relatie tot de waarheid. Ze zijn elkaars tegenpolen.

Als je dus beweert dat de waarheid niet bestaat, dan kan er ook geen kennis bestaan. Waarvan zou je dan kennis kunnen hebben? Je kunt dan niets weten. Alleen geloven. Andersom, voor mensen die niets weten, die geen kennis hebben, kan het lijken of er geen waarheid bestaat. Dan blijft er maar één mogelijkheid over: de illusie te weten: geloven.

Omdat kennis van de waarheid ons onmanipuleerbaar maakt, is het voor diegenen die ons willen manipuleren dus noodzakelijk dat wij zo min mogelijk kennis van de waarheid hebben. Als de autohandelaar je ervan kan overtuigen dat het voor jou onmogelijk is om de auto te controleren - dat je daarvoor te dom of te beperkt bent - dan zit er niks anders op dan hem wel of niet te geloven. En dan ben je overgeleverd aan de manipulatievaardigheden van de verkoper. Hoe beter hij daarin is, hoe groter de kans dat je die auto koopt. Het geeft de verkoper macht.

Dat is de reden dat ons eeuwenlang verteld is dat wij niet bij machte zijn om de waarheid te kennen. Dat we als eenvoudige stervelingen te dom en te beperkt zijn om iets van de waarheid te kennen. Dat er voor ons niks anders op zit dan te geloven, als we een beeld van de werkelijkheid willen hebben.

Machthebbers hebben deze strategie altijd bewandeld en zullen dit altijd blijven doen. Ze kunnen niet anders. De kerk heeft ons eeuwenlang ingewreven dat we eenvoudige zondaars zijn, regeringen hebben ons altijd verteld dat we zelf niet kunnen weten hoe we moeten leven. En de oplossing was altijd: geloof ons! Het is hun enige manier om ons te kunnen manipuleren.

Het is er zo ingehamerd dat we zijn gaan twijfelen aan het bestaan van de waarheid. We zijn zo vaak gedesillusioneerd geraakt, nadat we voor de zoveelste keer iets voor waar hebben aangenomen dat achteraf niet waar blijkt te zijn, dat we de moed opgegeven hebben. Dat we denken dat de waarheid niet bestaat. En als we daar eenmaal van overtuigd zijn, dan zijn we een speelbal voor elke manipulatie. Zowel van buitenaf als van binnenuit. Als de waarheid niet bestaat, dan kunnen we immers zelf alles invullen of in laten vullen. Zoals het ons (of de machthebber) het beste uit lijkt te komen.

Geloof geeft de illusie van kennis. Maar het is nepkennis gebaseerd op nepwaarheid. Gevaarlijke nepkennis. Het kan ons verleiden tot de meest verschrikkelijk daden. Daden tegen anderen en daden tegen onszelf. ‘Wir haben es nicht gewusst’. Oftewel: we hadden geen kennis. Geen kennis van de waarheid. We geloofden. En we namen het voor de waarheid aan.

Als het wel ‘gewusst’ hadden, dan waren we er niet ingetrapt en hadden we onze medewerking niet verleend.

Als we dus niet manipuleerbaar willen zijn, als we de macht over onszelf willen behouden, dan zit er niets anders op dan te stoppen met geloven. En voortaan alleen onze medewerking te geven op basis van kennis. Kennis van de waarheid. De objectieve waarheid. Want subjectieve waarheid is geen waarheid. Het is nepwaarheid: geloof.

Uiteraard kost het vergaren van kennis van de waarheid meer inspanning dan geloven. En soms kun je een vergissing begaan. Maar een vergissing kun je corrigeren. Soms kun je inderdaad niet bij machte zijn om de benodigde kennis te verkrijgen (hoewel dat vaak veel gemakkelijker is dan het lijkt), maar in dat geval is de enige waarheid: ‘ik weet het (nog) niet’.

Inderdaad meer inspannend dan geloven, maar de beloning voor die inspanning is oneindig. De beloning is absolute vrijheid.